Naar boven ↑
9.017 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0086

Strafrecht. De verdachte heeft zich op 1 februari 2025 in psychotische toestand schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. Allebei de feiten waren gericht tegen een willekeurig slachtoffer dat de verdachte niet kende en met wie hij geen interactie heeft gehad. Het 11-jarige slachtoffer werd door de verdachte aangezien voor een demon, waartegen hij zich moest verdedigen. Terwijl zij op straat was met haar broertje, neefje en nichtje, heeft hij haar volkomen onverwacht van het leven beroofd door haar plotseling vast te pakken en meermalen met een mes in haar borststreek te steken. Dit gebeurde op klaarlichte dag in een woonwijk en in het bijzijn van jonge kinderen tussen de 5 en 13 jaar. Naast het doden van het slachtoffer heeft de verdachte ook een vrouw mishandeld door haar zonder enige aanleiding tegen haar hoofd te slaan. Verschillende partijen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De vader heeft naast materiële schade vergoeding van immateriële schade gevorderd, waarvan € 20.000 als affectieschade en € 35.000 als schokschade. De moeder van het slachtoffer vordert een schadevergoeding van € 20.000 bestaande uit affectieschade. Het broertje en het zusje van het slachtoffer vorderen allebei een schadevergoeding van € 17.500 bestaande uit affectieschade. Het neefje en het nichtje van het slachtoffer vorderen allebei € 20.000 bestaande uit shockschade. De gevorderde affectieschade wordt voor alle partijen toegewezen. De rechtbank oordeelt dat de vader van het slachtoffer recht heeft op shockschade. Uit de toelichting op de vordering en uit het dossier volgt dat hij kort na het steekincident op de plaats delict aanwezig was. Hij werd daarbij direct geconfronteerd met het lichaam van zijn dochter, die met haar steekverwondingen op straat lag en daar uiteindelijk ook is overleden. Uit de toelichting op de vordering blijkt ook dat de confrontatie heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van PTSS, in combinatie met gecompliceerde rouw. De benadeelde partij heeft gegevens verstrekt waaruit blijkt dat dit geestelijke letsel is vastgesteld door een GZ-psycholoog en waaruit volgt dat intensieve traumagerichte behandeling noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding om de schokschade naar billijkheid te begroten op het gevorderde bedrag van € 35.000. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het neefje en nichtje allebei in aanmerking komen voor vergoeding van de shockschade. Op het moment van het bewezen verklaarde feit speelden zij ook samen met het slachtoffer. Zij zijn directe getuige geweest van de geweldshandelingen. Zij waren allebei ontzettend bang dat de verdachte hen ook zou neersteken en zijn toen in paniek weggerend. De rechtbank vindt het evident dat de benadeelde partijen door deze plotselinge en onverwachte gewelddadige aanval een hevige emotionele schok hebben opgelopen waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Volgens hun behandelaar komt de aard en intensiteit van hun klachten overeen met de kenmerken van PTSS. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat zij nauwe en hechte familiebanden met het slachtoffer hadden. De rechtbank zal de gevorderde schokschade vaststellen op het gevorderde bedrag van € 20.000 per benadeelde partij.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 03-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0086

Strafrecht. De verdachte heeft zich op 1 februari 2025 in psychotische toestand schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. Allebei de feiten waren gericht tegen een willekeurig slachtoffer dat de verdachte niet kende en met wie hij geen interactie heeft gehad. Het 11-jarige slachtoffer werd door de verdachte aangezien voor een demon, waartegen hij zich moest verdedigen. Terwijl zij op straat was met haar broertje, neefje en nichtje, heeft hij haar volkomen onverwacht van het leven beroofd door haar plotseling vast te pakken en meermalen met een mes in haar borststreek te steken. Dit gebeurde op klaarlichte dag in een woonwijk en in het bijzijn van jonge kinderen tussen de 5 en 13 jaar. Naast het doden van het slachtoffer heeft de verdachte ook een vrouw mishandeld door haar zonder enige aanleiding tegen haar hoofd te slaan. Verschillende partijen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De vader heeft naast materiële schade vergoeding van immateriële schade gevorderd, waarvan € 20.000 als affectieschade en € 35.000 als schokschade. De moeder van het slachtoffer vordert een schadevergoeding van € 20.000 bestaande uit affectieschade. Het broertje en het zusje van het slachtoffer vorderen allebei een schadevergoeding van € 17.500 bestaande uit affectieschade. Het neefje en het nichtje van het slachtoffer vorderen allebei € 20.000 bestaande uit shockschade. De gevorderde affectieschade wordt voor alle partijen toegewezen. De rechtbank oordeelt dat de vader van het slachtoffer recht heeft op shockschade. Uit de toelichting op de vordering en uit het dossier volgt dat hij kort na het steekincident op de plaats delict aanwezig was. Hij werd daarbij direct geconfronteerd met het lichaam van zijn dochter, die met haar steekverwondingen op straat lag en daar uiteindelijk ook is overleden. Uit de toelichting op de vordering blijkt ook dat de confrontatie heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van PTSS, in combinatie met gecompliceerde rouw. De benadeelde partij heeft gegevens verstrekt waaruit blijkt dat dit geestelijke letsel is vastgesteld door een GZ-psycholoog en waaruit volgt dat intensieve traumagerichte behandeling noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding om de schokschade naar billijkheid te begroten op het gevorderde bedrag van € 35.000. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het neefje en nichtje allebei in aanmerking komen voor vergoeding van de shockschade. Op het moment van het bewezen verklaarde feit speelden zij ook samen met het slachtoffer. Zij zijn directe getuige geweest van de geweldshandelingen. Zij waren allebei ontzettend bang dat de verdachte hen ook zou neersteken en zijn toen in paniek weggerend. De rechtbank vindt het evident dat de benadeelde partijen door deze plotselinge en onverwachte gewelddadige aanval een hevige emotionele schok hebben opgelopen waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Volgens hun behandelaar komt de aard en intensiteit van hun klachten overeen met de kenmerken van PTSS. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat zij nauwe en hechte familiebanden met het slachtoffer hadden. De rechtbank zal de gevorderde schokschade vaststellen op het gevorderde bedrag van € 20.000 per benadeelde partij.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 03-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0085

Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een auto en een motorfiets. De auto was in eigendom van de moeder van de bestuurder. Het ongeval is veroorzaakt doordat de zoon tegen de motorfiets is aangereden, ten tijde van het ongeval was hij onder invloed van alcohol. De verzekeraar heeft aan het slachtoffer schade uitgekeerd en de eigenares van de auto gesommeerd tot betaling van dat bedrag. Het Gerecht heeft de vorderingen van de verzekeraar afgewezen. In hoger beroep wordt geoordeeld dat er niet voldoende is komen vast te staan dat de verzekeraar in zijn belangen is geschaad omdat de eigenares heeft verzuimd mededeling te doen van het ongeval. Daarnaast verschillen partijen van mening over de uitleg van de woorden ‘onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank en/of enig ander bedwelmend of opwekkend middel verkeerde, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen’. Bij gebrek aan een aanwijzing voor een andere maatstaf zoekt ook het Hof voor de uitleg van voormelde zinssnede in beginsel aansluiting bij de wettelijke norm van artikel 5 lid 2 sub a Landsverordening wegverkeer. Omdat er geen sprake is van een blaas- of bloedtest, verzet niets zich ertegen om in dat geval na te gaan of er andere objectief waarneembare kenmerken zijn. Nu de verzekeraar haar vordering baseert op het standpunt dat zij verhaal kan nemen op de eigenares omdat de schade niet door de polis is gedekt, rust de stelplicht en bewijslast hiervan ingevolge de hoofdregel van artikel 129 Rv op de verzekeraar. Het rapport dat door de verzekeraar is overgelegd is niet voldoende om te bewijzen dat de bestuurder van de auto, ten tijde van het ongeval, onder invloed was van alcoholhoudende drank. De eigenares heeft dit voldoende gemotiveerd betwist. Gelet op deze gemotiveerde betwisting rust op de verzekeraar het bewijs van haar stelling. De zaak zal naar de rol worden verwezen zodat de verzekeraar zich kan uitlaten over hoe zij bewijs wenst te leveren.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 01-10-2024

Rechtspraak

PS 2026-0084

Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van seksueel misbruik van haar minderjarige dochter, medeplegen van verkrachting van haar dochter en het vervaardigen en verspreiden van kinderporno. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf van vijf jaar op. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij vordert onder andere € 18.700 aan materiële schade in de vorm van studievertraging en een bedrag aan € 50.000 voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank oordeelt dat tussen de studievertraging van aangeefster en het bewezenverklaarde voldoende causaal verband bestaat. Het slachtoffer heeft daarom recht op, ontleend aan de Letselschade Richtlijn Studievertraging, een normbedrag van € 18.700. Daarnaast heeft het slachtoffer voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij haar is PTSS vastgesteld. Zij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde dat in totaal meer dan vier jaar heeft geduurd al ruim 100 EMDR-therapiesessies bij een psycholoog gehad. Uit het behandelverloop en uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat ze veel last heeft van stressklachten, waaronder nachtmerries, paniek, slaapproblemen, dwanghandelingen en somberheidsklachten. Al voor het misbruik was aangeefster kwetsbaar. De sociaal-emotionele en relationele ontwikkeling van aangeefster is door het misbruik negatief beïnvloed. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse Schaal’. In deze zaak is sprake van geestelijk letsel (PTSS) die, gelet op het verloop tot nu toe en de verwachting voor de toekomst, als ernstig (categorie b) kan worden aangemerkt. In dit geval is sprake van een jong slachtoffer en is sprake van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van € 40.000 aan immateriële schade passend.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0084

Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van seksueel misbruik van haar minderjarige dochter, medeplegen van verkrachting van haar dochter en het vervaardigen en verspreiden van kinderporno. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf van vijf jaar op. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij vordert onder andere € 18.700 aan materiële schade in de vorm van studievertraging en een bedrag aan € 50.000 voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank oordeelt dat tussen de studievertraging van aangeefster en het bewezenverklaarde voldoende causaal verband bestaat. Het slachtoffer heeft daarom recht op, ontleend aan de Letselschade Richtlijn Studievertraging, een normbedrag van € 18.700. Daarnaast heeft het slachtoffer voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij haar is PTSS vastgesteld. Zij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde dat in totaal meer dan vier jaar heeft geduurd al ruim 100 EMDR-therapiesessies bij een psycholoog gehad. Uit het behandelverloop en uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat ze veel last heeft van stressklachten, waaronder nachtmerries, paniek, slaapproblemen, dwanghandelingen en somberheidsklachten. Al voor het misbruik was aangeefster kwetsbaar. De sociaal-emotionele en relationele ontwikkeling van aangeefster is door het misbruik negatief beïnvloed. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse Schaal’. In deze zaak is sprake van geestelijk letsel (PTSS) die, gelet op het verloop tot nu toe en de verwachting voor de toekomst, als ernstig (categorie b) kan worden aangemerkt. In dit geval is sprake van een jong slachtoffer en is sprake van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van € 40.000 aan immateriële schade passend.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0083

Strafrecht. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het opzettelijk doden van een baby die op 20 augustus 2019 aan haar zorg en toezicht als professioneel gastouder was toevertrouwd. Terwijl de verdachte als gastouder voor de baby zorgde, is ten gevolge van hevige krachtsinwerking(en) onder meer ernstig hersenletsel bij de baby ontstaan, aan de gevolgen waarvan zij is overleden. De baby is hierdoor niet ouder dan zeven maanden geworden. In eerste aanleg hebben de moeder en de vader van de baby zich gevoegd als benadeelde partij. Zij hebben beiden in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van in totaal € 55.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De rechtbank heeft de vordering van de moeder gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 40.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. Ten aanzien van de vordering van de vader heeft de rechtbank hetzelfde toegewezen. De benadeelde partijen hebben te kennen gegeven de gehele vorderingen in hoger beroep te handhaven. Het hof acht de gevorderde affectieschade van € 20.000 gelet op de overeenkomstige bedragen in het Besluit vergoeding affectieschade voor beide benadeelde partijen toewijsbaar. Het hof acht echter dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun gevorderde shockschade. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de ouders een enorm hevige emotionele schok hebben opgelopen. Daarnaast blijkt uit de bij de vorderingen gevoegde (naar de Nederlandse taal vertaalde) berichten van een Poolse psychiater ook dat sprake is van klachten van vermoeidheid, uitputting en slaapproblemen. Ook wordt gesproken over een adaptieve stoornis. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat hetgeen in de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen naar voren is gebracht geen bevestiging vindt in de berichten van de psychiater. Naar het oordeel van het hof staat dan ook onvoldoende vast dat het gaat om geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van de door de verdachte gepleegde onrechtmatige daad. Alleen de gevorderde affectieschade wordt toegewezen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 29-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0083

Strafrecht. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het opzettelijk doden van een baby die op 20 augustus 2019 aan haar zorg en toezicht als professioneel gastouder was toevertrouwd. Terwijl de verdachte als gastouder voor de baby zorgde, is ten gevolge van hevige krachtsinwerking(en) onder meer ernstig hersenletsel bij de baby ontstaan, aan de gevolgen waarvan zij is overleden. De baby is hierdoor niet ouder dan zeven maanden geworden. In eerste aanleg hebben de moeder en de vader van de baby zich gevoegd als benadeelde partij. Zij hebben beiden in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van in totaal € 55.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De rechtbank heeft de vordering van de moeder gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 40.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. Ten aanzien van de vordering van de vader heeft de rechtbank hetzelfde toegewezen. De benadeelde partijen hebben te kennen gegeven de gehele vorderingen in hoger beroep te handhaven. Het hof acht de gevorderde affectieschade van € 20.000 gelet op de overeenkomstige bedragen in het Besluit vergoeding affectieschade voor beide benadeelde partijen toewijsbaar. Het hof acht echter dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun gevorderde shockschade. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de ouders een enorm hevige emotionele schok hebben opgelopen. Daarnaast blijkt uit de bij de vorderingen gevoegde (naar de Nederlandse taal vertaalde) berichten van een Poolse psychiater ook dat sprake is van klachten van vermoeidheid, uitputting en slaapproblemen. Ook wordt gesproken over een adaptieve stoornis. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat hetgeen in de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen naar voren is gebracht geen bevestiging vindt in de berichten van de psychiater. Naar het oordeel van het hof staat dan ook onvoldoende vast dat het gaat om geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van de door de verdachte gepleegde onrechtmatige daad. Alleen de gevorderde affectieschade wordt toegewezen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 29-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0081

Kort geding. De benadeelden zijn slachtoffers van een ongeval waarbij zij letselschade hebben opgelopen. De verzekeraar van de partijen die aansprakelijk zijn heeft deze aansprakelijkheid erkend, waarna minnelijke schaderegelingstrajecten zijn gestart. De slachtoffers werden bij gestaan door twee belangenbehartigers die werkzaam waren bij het letselschadebureau. De verzekeraar heeft bij e-mail van 25 maart 2025 aan de belangenbehartiger bericht dat zij er niet van overtuigd is dat het letselschadebureau een deskundige en integere partij is en dat zij om die reden geen aanleiding ziet om terug te komen op haar besluit om tot 24 augustus 2031 niet met dit bureau samen te werken. De verzekeraar heeft er daarbij op gewezen dat zij bereid is haar standpunt te herzien als de verzekeraar vóór die datum kan aantonen dat zij wel een deskundige en integere partij is, bijvoorbeeld doordat haar medewerkers bij het NIVRE geregistreerd staan of aan haar het NKL is toegekend. De advocaat van het letselschadebureau en de benadeelden heeft de verzekeraar op 2 september 2025 gesommeerd om de minnelijke schaderegelingstrajecten van de benadeelden voort te zetten met het letselschadebureau als belangenbehartiger. De verzekeraar heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven. De rechtbank oordeelt dat het een verzekeraar slechts vrijstaat om een belangenbehartiger te weigeren als zij daarvoor goede redenen heeft. Bij de beslissing om een belangenbehartiger te weigeren mag een verzekeraar ook betekenis toekennen aan het feit dat een belangenbehartiger ‘ongebonden’ is. Een belangenbehartiger die lid is van het NIVRE of het Nederlands Instituut van Schaderegelaars (NIS) of wiens kantoor is aangesloten bij het NKL of de Nederlandse Letselschade Experts (NLE), heeft zich geconformeerd aan de GBL, dient aan opleidingseisen te voldoen en is gebonden aan een externe klachtenregeling. Voor ongebonden belangenbehartigers geldt dit alles in beginsel niet. Verzekeraars kunnen hen dan ook niet aanspreken op in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hen indienen indien zij niet aan die normen voldoen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het letselschadebureau er op dit moment nog onvoldoende blijk van heeft gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is en dat schaderegelingsprocessen waarin zij als belangenbehartiger optreedt goed verlopen. In de periode november 2023 tot 18 november 2024 zijn er verschillende maatregelen genomen tegen een ander letselschadebureau waarover de voorzieningenrechter oordeelt dat het letselschadebureau die door de verzekeraar thans wordt geweigerd feitelijk te beschouwen valt als een voortzetting daarvan. Daarnaast is het letselschadebureau pas relatief kort als letselschadebureau actief en zij heeft zich daardoor ook wat betreft het voldoen aan de vereisten van het Reglement NKL en de GBL nog onvoldoende bewezen. Niet alleen het ontbreken van het NKL, maar ook het feit dat de bij het bureau werkzame schaderegelaars (nog) niet bij het NIVRE staan geregistreerd rechtvaardigt op dit moment de weigering van de verzekeraar. Tot slot volgt de voorzieningenrechter het betoog van het letselschadebureau dat zij zich in een ‘catch-22’-positie bevindt niet. De voorzieningenrechter concludeert dat het belang van de benadeelden, om zich te kunnen laten bijstaan door de hun gekozen belangenbehartigers, minder zwaar weegt dan het belang van de verzekeraar om uitsluitend zaken te doen met belangenbehartigers die zich als betrouwbare belangenbehartigers hebben bewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 20-11-2025