De verdachte heeft met een vuurwapen het slachtoffer neergeschoten. Het slachtoffer had nog een heel leven voor zich, maar is door toedoen van verdachte slechts 37 jaar oud geworden. Met de doodslag van het slachtoffer heeft verdachte aan diens vrouw, kinderen, ouders, zussen, broer, overige familieleden en vrienden onbeschrijfelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. Er hebben verschillende benadeelde partijen zich gevoegd in het strafproces. Aan diverse personen is een shockschade en/of affectieschade toegewezen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de shockschade. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van het immateriële deel van shockschade de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen, maar ziet aanleiding om gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte deze schaal met 25% te verhogen en vast te stellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Omtrent het gederfd levensonderhoud is het hof van oordeel dat op basis van het dossier zonder meer kan worden vastgesteld dat de partner en de dochters van het slachtoffer schade in de vorm van gederfd levensonderhoud hebben geleden en verdachte gehouden is deze schade te vergoeden. Het hof overweegt daarnaast dat ten aanzien van een aantal (andere) uitgangspunten die aan de berekeningen van het expertisebureau en daarmee aan de vorderingen ten aanzien van het gederfd levensonderhoud ten grondslag liggen, gezien de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing en/of nader onderzoek noodzakelijk is. Dit alles maakt dat het hof de vordering gederfd levensonderhoud van de partner slechts voor een gedeelte zal toewijzen waarbij het hof de eerste tien jaar na datum overlijden als uitgangspunt neemt. Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud van de dochters zal het bedrag tot het jaar waarin zij achttien jaar oud worden als uitgangpunt worden genomen, met dien verstande dat vanwege de onzekerheid in de fiscale component ook hier het bedrag naar beneden zal worden afgerond, namelijk een bedrag van € 6.000 en € 10.000. Tot slot acht het hof alle vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van de affectieschade toewijsbaar.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 11-02-2026