Naar boven ↑
9.017 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0104

Er heeft een kopstaartbotsing plaatsgevonden waarbij de man met zijn auto achterop de (huur)auto van de gelaedeerde is gereden. De man heeft de achterkant van het aanrijdingsformulier ingevuld voor zijn verzekeraar. De man heeft opgeschreven dat hij een snelheid had van 50 kilometer per uur (voor de aanrijding) en dat de gelaedeerde degene is die aansprakelijk is, omdat hij ‘ineens volledig tot stilstand kwam door een onduidelijke oorzaak of een niet-logische oorzaak namelijk een konijn. Na een 1e kort remmoment van de gelaedeerde volgde een volledige stop’. De gelaedeerde heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De gelaedeerde verzoekt in deze zaak dat de verzekeraar aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade. Ten eerste oordeelt de rechtbank dat zij rechtsmacht heeft en dat het Nederlands recht van toepassing is op deze zaak. Daarnaast leent deze zaak zich voor een behandeling in een deelgeschil. De rechtbank hecht allereerst waarde aan de voorkant van het aanrijdingsformulier dat direct na de aanrijding is ingevuld en ondertekend door beide partijen. Hieruit volgt dat de reden voor het stoppen een konijn was. De achterkant van het aanrijdingsformulier kan niet tot uitgangspunt worden genomen, omdat dit eenzijdig door de man is ingevuld en niet door gelaedeerde is (gezien of) ondertekend. De rechtbank komt tot de conclusie dat de man een verkeersfout heeft gemaakt en onrechtmatig jegens de gelaedeerde heeft gehandeld door zijn rijgedrag onvoldoende aan te passen op de verkeerssituatie. De man had een aanrijding kunnen voorkomen, maar heeft in de gegeven omstandigheden te hard gereden (wellicht toch harder dan 20 kilometer per uur, die zou zijn gereden ten tijde van de aanrijding) en/of onvoldoende afstand gehouden tot zijn voorligger (en/of wellicht helemaal niet geremd) en/of niet goed genoeg opgelet. De gelaedeerde valt onder de gegeven omstandigheden geen verwijt te maken. Het beroep van de verzekeraar op eigen schuld van de zijde van de gelaedeerde slaagt niet. Aan (de beoordeling van) een eventuele verdeling van de causaliteit en/of de toepassing van een billijkheidscorrectie wordt niet toegekomen. De rechtbank verklaart voor het recht dat de man aansprakelijk is voor de schade van de gelaedeerde. Matiging begroting kosten deelgeschil (aantal uur).
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 22-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0103

Deelgeschilprocedure. Verzoek deelgeschil aanhangig gemaakt als tegenverzoek in een voorlopige deskundigenprocedure. De vraag die centraal staat is in hoeverre het ziekenhuis aan de patiënt buitengerechtelijke kosten voor de advocaat moet vergoeden als het ziekenhuis voor slechts een deel aansprakelijkheid erkent. Niet voor alle naar voren gebrachte verwijten is aansprakelijkheid erkend. De tijd die de advocaat heeft besteed voor het voeren van verweer in een voorlopige deskundigenprocedure kan op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen omdat de voorlopige deskundigenprocedure in personenschadezaken vaak ook van betekenis is voor het buitengerechtelijke onderhandelingsproces. De beperking die hier echter geldt is dat hiervoor gemaakte kosten op die grond alleen als vergoeding kunnen worden toegewezen als aansprakelijkheid vaststaat of is erkend. In dit geval is dat slechts ten dele het geval. In de voorlopige deskundigenprocedure is verzocht twee deskundigen te benoemen om niet alleen de mogelijke gevolgen van de medicatieverwisseling tijdens de bevalling, waarvoor het ziekenhuis aansprakelijkheid heeft erkend, in kaart te brengen maar ook om de handelwijze rondom de fase daaraan voorafgaand en de fase direct daarop volgend, meer in het bijzonder rondom de reanimatie, te beoordelen, voor welke handelingen het ziekenhuis geen aansprakelijkheid heeft erkend omdat de verzekeraar meent dat binnen de geldende standaarden is gehandeld. Voor zover de werkzaamheden in het kader van het verweer in de voorlopige deskundigenbenoeming op laatstgenoemde handelingen van het ziekenhuis betrekking hebben gehad, kunnen de daaraan door haar bestede uren vooralsnog, in deze fase, daarom niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Kosten deelgeschil. Kosten advocaat voor het voeren van de voorlopige deskundigenprocedure vallen daar niet direct onder (gedeeltelijke toewijzing, voor zover deze samenhangen met het deelgeschil).
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0103

Deelgeschilprocedure. Verzoek deelgeschil aanhangig gemaakt als tegenverzoek in een voorlopige deskundigenprocedure. De vraag die centraal staat is in hoeverre het ziekenhuis aan de patiënt buitengerechtelijke kosten voor de advocaat moet vergoeden als het ziekenhuis voor slechts een deel aansprakelijkheid erkent. Niet voor alle naar voren gebrachte verwijten is aansprakelijkheid erkend. De tijd die de advocaat heeft besteed voor het voeren van verweer in een voorlopige deskundigenprocedure kan op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen omdat de voorlopige deskundigenprocedure in personenschadezaken vaak ook van betekenis is voor het buitengerechtelijke onderhandelingsproces. De beperking die hier echter geldt is dat hiervoor gemaakte kosten op die grond alleen als vergoeding kunnen worden toegewezen als aansprakelijkheid vaststaat of is erkend. In dit geval is dat slechts ten dele het geval. In de voorlopige deskundigenprocedure is verzocht twee deskundigen te benoemen om niet alleen de mogelijke gevolgen van de medicatieverwisseling tijdens de bevalling, waarvoor het ziekenhuis aansprakelijkheid heeft erkend, in kaart te brengen maar ook om de handelwijze rondom de fase daaraan voorafgaand en de fase direct daarop volgend, meer in het bijzonder rondom de reanimatie, te beoordelen, voor welke handelingen het ziekenhuis geen aansprakelijkheid heeft erkend omdat de verzekeraar meent dat binnen de geldende standaarden is gehandeld. Voor zover de werkzaamheden in het kader van het verweer in de voorlopige deskundigenbenoeming op laatstgenoemde handelingen van het ziekenhuis betrekking hebben gehad, kunnen de daaraan door haar bestede uren vooralsnog, in deze fase, daarom niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Kosten deelgeschil. Kosten advocaat voor het voeren van de voorlopige deskundigenprocedure vallen daar niet direct onder (gedeeltelijke toewijzing, voor zover deze samenhangen met het deelgeschil).
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0099

De verdachte heeft met een vuurwapen het slachtoffer neergeschoten. Het slachtoffer had nog een heel leven voor zich, maar is door toedoen van verdachte slechts 37 jaar oud geworden. Met de doodslag van het slachtoffer heeft verdachte aan diens vrouw, kinderen, ouders, zussen, broer, overige familieleden en vrienden onbeschrijfelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. Er hebben verschillende benadeelde partijen zich gevoegd in het strafproces. Aan diverse personen is een shockschade en/of affectieschade toegewezen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de shockschade. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van het immateriële deel van shockschade de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen, maar ziet aanleiding om gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte deze schaal met 25% te verhogen en vast te stellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Omtrent het gederfd levensonderhoud is het hof van oordeel dat op basis van het dossier zonder meer kan worden vastgesteld dat de partner en de dochters van het slachtoffer schade in de vorm van gederfd levensonderhoud hebben geleden en verdachte gehouden is deze schade te vergoeden. Het hof overweegt daarnaast dat ten aanzien van een aantal (andere) uitgangspunten die aan de berekeningen van het expertisebureau en daarmee aan de vorderingen ten aanzien van het gederfd levensonderhoud ten grondslag liggen, gezien de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing en/of nader onderzoek noodzakelijk is. Dit alles maakt dat het hof de vordering gederfd levensonderhoud van de partner slechts voor een gedeelte zal toewijzen waarbij het hof de eerste tien jaar na datum overlijden als uitgangspunt neemt. Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud van de dochters zal het bedrag tot het jaar waarin zij achttien jaar oud worden als uitgangpunt worden genomen, met dien verstande dat vanwege de onzekerheid in de fiscale component ook hier het bedrag naar beneden zal worden afgerond, namelijk een bedrag van € 6.000 en € 10.000. Tot slot acht het hof alle vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van de affectieschade toewijsbaar.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 11-02-2026