Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0237

De werknemer is tijdens zijn werkzaamheden als installatiemonteur voor de werkgever onder stroom komen te staan, waardoor hij letsel heeft opgelopen. Tussen partijen is niet in geschil dat het ongeval heeft plaatsgevonden in de uitoefening van de werkzaamheden. Verder heeft de werknemer tijdens de zitting voldoende nader onderbouwd dat hij (ten minste enige) schade heeft geleden als gevolg van het ongeval, en heeft de werkgever dit niet (verder) weersproken. Gelet hierop draait deze zaak (alleen) om de vraag of de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan. De werkgever heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat zij in dit specifieke geval aan haar zorgplicht heeft voldaan. In november 2022 kwamen er signalen vanuit het werkveld dat de werknemer onveilig te werk ging en onzorgvuldig met bedrijfseigendommen omging. Gelet op de omstandigheden, bestaande uit de signalen over het onveilig werken door de werknemer, de gesprekken die zijn gevoerd, de waarschuwingen die zijn gegeven en het ontbreken van een adequate opvolging daarvan, kunnen vraagtekens worden gezet bij het afgeven van de aanwijzing. Dit had immers tot gevolg dat de werknemer alleen op pad kon gaan (zie het verslag van 11 november 2022 en de verklaringen ter zitting van partijen) en dat er dus sprake zou zijn van geen of minder toezicht door collega’s. In dat licht heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat de aanwijzing zorgvuldig en op goede gronden is afgegeven. Daarnaast heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat zij na het verstrekken van de aanwijzing op andere wijze voldoende toezicht heeft gehouden op het functioneren van de werknemer. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in dit specifieke geval niet is komen vast te staan dat de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan als bedoeld in artikel 6:758 BW. Dat de werknemer tijdens zijn werkzaamheden op 19 juni 2023 zelf een fout heeft gemaakt door een kabel vast te pakken zonder dat hij zijn veiligheidshandschoenen aan had, leidt niet tot een ander oordeel. De werknemer heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de situatie veilig was en de kabel die hij vastpakte niet onder stroom stond. De werkgever heeft een andere toedracht niet voldoende aannemelijk gemaakt zodat de kantonrechter het door de werknemer geschetste scenario tot uitgangspunt zal nemen. Maar ook als zou komen vast te staan dat de werknemer een andere fout heeft gemaakt, volgt daaruit nog niet dat de werkgever wel aan haar zorgplicht heeft voldaan. Een werkgever mag er immers niet zonder meer op vertrouwen dat de werknemer zelf goed oppast, maar moet rekening houden met een zekere mate van onoplettendheid, hetgeen ook geldt voor ervaren medewerkers. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 12-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0235

Tijdens de jaarwisseling, op 1 januari 2025, vond een aanrijding plaats tussen een motorfiets, bestuurd door een motoragent, en een voetganger. De voetganger stelt door het ongeval letsel te hebben opgelopen. De voetganger heeft de verzekeraar per brief van 23 januari 2025 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het ongeval lijdt. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De verzekeraar voert aan dat de voetganger met gespreide armen voor de motoragent is gesprongen/gaan staan om hem de doorgang naar de wegvluchtende bestuurder van de scooter te beletten en daarbij is aangereden. Dat wordt door de voetganger betwist. Volgens de rechtbank faalt het beroep op overmacht. Er was geen sprake van een situatie met een evidente hoge urgentie of direct gevaar. Dat maakt dat van de motoragent mocht worden verwacht dat hij zich rekenschap gaf van de risico’s van een achtervolging onder deze omstandigheden in relatie tot het doel dat daarmee gediend werd. Door desondanks toch een achtervolging in te zetten en over een aanzienlijke afstand uit te voeren en dus met sterk verhoogde snelheid aan het verkeer deel te nemen, heeft de motoragent onvoldoende rekening gehouden met de niet onwaarschijnlijke aanwezigheid van voetgangers op de rijbaan vanwege de Oudejaarsnacht. Het ongeval dat vervolgens heeft plaatsgevonden, is een direct gevolg daarvan. Omdat het beroep van de verzekeraar op overmacht faalt, is zij op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk voor de schade die de voetganger als gevolg van het ongeval lijdt. De rechtbank ziet aanleiding om de vergoedingsplicht van de verzekeraar te beperken tot 60% op grond van eigen schuld aan de zijde van de voetganger (art. 6:101 BW). Vast staat dat de voetganger zich ten tijde van het ongeval op de rijbaan bevond, terwijl op dat moment (oudejaarsnacht) een achtervolging plaatsvond door een politiemotor die optische en geluidssignalen voerde. Het beroep op de billijkheidscorrectie faalt.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 09-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0234

Kort geding. De man is betrokken geraakt bij een verkeersongeval, ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen. Ten tijde van het verkeersongeval beschikte de man over een Schadeverzekering Inzittenden (SVI) bij de verzekeraar. De man heeft de verzekeraar verzocht een aanvullend voorschot van € 5.000 over te maken. De kantonrechter oordeelt dat het geschil zich leent voor een kort geding. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat, op basis van de stukken die zijn overgelegd en wat ter zitting is toegelicht, in dit kort geding niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen de huidige (psychische) klachten van de man en het ongeval. Niet alleen met betrekking tot de causaliteit, maar ook met betrekking tot de omvang van de schade rusten de stelplicht en de bewijslast bij de man. Ten aanzien van die schade stelt de man dat hij ondanks zijn diverse aandoeningen jaarlijks ongeveer € 80.000 per jaar aan omzet genereerde met zijn eenmanszaak. De man stelt dat hij door het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt. De verzekeraar betwist dit en voert aan dat het heel goed mogelijk is dat de contracten van de man zijn beëindigd door andere oorzaken, gelet op zijn maandenlange afwezigheid voor het ongeval. Het had naar het oordeel van de kantonrechter dan ook op de weg van de man gelegen om stukken te overleggen waaruit ten eerste de causaliteit tussen het ongeval en het beëindigen van zijn contracten blijkt en waaruit ten tweede de omvang van zijn schade blijkt. In deze kortgedingprocedure kan niet worden vastgesteld dat de verzekeringsovereenkomst niet wordt nagekomen of dat de Gedragscode Behandeling Letselschade niet wordt nageleefd. Daar heeft de man onvoldoende voor gesteld. Het verzoek van de man wordt afgewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 31-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0233

De werkneemster is gedeeltelijk gehandicapt. Als gevolg van kinderpolio zijn haar linkerbeen en rechterbovenbeen verlamd en loopt zij sinds haar jeugd met krukken. Op 2 september 2021 is werkneemster ten val gekomen in de aula (ook wel als hal aangeduid) van de school. Werkneemster heeft haar werkzaamheden voortgezet maar, vanwege schouderklachten als gevolg van de val, met gebruikmaking van een rolstoel in plaats van krukken. Op 8 november 2021 heeft de orthopedisch chirurg van de werkneemster op basis van de op 3 november 2021 gemaakte echo de diagnose gesteld dat een pees in de rechterarm van werkneemster gescheurd was en de werkneemster binnen twee maanden geopereerd moest worden. De werkneemster heeft de werkgeefster op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor (de schade ten gevolge van) haar val. De aansprakelijkheidsverzekeraar heeft de aansprakelijkheid betwist. Omdat de precieze toedracht van het arbeidsongeval niet vaststaat en de werkgeefster heeft nagelaten het arbeidsongeval te melden bij de Arbeidsinspectie, geldt voor de werkgeefster een ruimere bewijslast dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkneemster ook terecht gesteld dat op de werkgeefster ten opzichte van de werkneemster vanwege haar handicap een verzwaarde zorgplicht geldt. De kantonrechter concludeert dat partijen elkaar tegenspreken over zowel de feitelijke toedracht als de naleving van de zorgplicht door de werkgeefster. De werkgeefster heeft weliswaar de bewijslast ten aanzien van de naleving van de zorgplicht, maar zij stelt gemotiveerd en onderbouwd dat die zorgplicht is nageleefd. De conclusie is dat deze zaak niet geschikt is voor een beoordeling in een deelgeschil. De kantonrechter zal het verzoek van de werkneemster daarom afwijzen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0231

Een jongen heeft in 1999 op 11-jarige leeftijd ernstige hersenschade opgelopen als gevolg van een ongeval. Het slachtoffer is daardoor blijvend aangewezen op verblijf en verzorging in een gezinsvervangend tehuis zonder mogelijkheden van loonvormende arbeid. Deze zorg wordt verstrekt op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Partijen twisten over de wijze waarop de schade wegens verlies van arbeidsvermogen moet worden berekend, met name over de vraag of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het hof oordeelt dat artikel 10.2.1 Wlz bedoeld is om te voorkomen dat dezelfde schade twee keer wordt vergoed. Het gaat hier echter niet om dezelfde schade. De vergoeding vanuit de Wlz is namelijk geen vergoeding voor verlies van verdienvermogen. Die ontvangt hij wel in de vorm van een Wajong-uitkering, waarmee dus bij het vaststellen van het verlies van verdienvermogen rekening moet worden gehouden. Dit betekent niet dat voor voordeelstoerekening op grond van artikel 6:100 BW geen plaats kan zijn. De vraag die met name voorligt is of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het is redelijk om hiermee rekening te houden bij het vaststellen van de schade. Het is echter niet redelijk om dit ‘voordeel’ te berekenen door uit te gaan van wat een gemiddelde persoon als het slachtoffer, met het aan hem zonder verlies van verdienvermogen toegedichte inkomen, in normale omstandigheden redelijkerwijs aan huisvestiging had uitgegeven. Daar had immers in dat geval ook het voordeel van dergelijke huisvesting – het genot van het wonen in een eigen eengezinswoning – tegenover gestaan. Dit voordeel geniet het slachtoffer niet; hij woont in een gezinsvervangend tehuis met (hooguit) een eigen kamer en verder gedeelde voorzieningen. De voordeelstoerekening moet daarom redelijkerwijs worden beperkt tot de aan de huidige woonvorm van het slachtoffer toe te rekenen waarde. Het hof is van oordeel dat het door de rechtbank toegekende bedrag van € 200.000 past bij de ernst van het letsel. Het hof ziet aanleiding om het smartengeld nog verder naar boven bij te stellen vanwege de jeugdige leeftijd waarop het slachtoffer het ongeval is overkomen, en komt tot een bedrag van € 245.000. Deze beslissing sluit aan bij de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW. De rechtbank oordeelde dat hetzij de schade periodiek moet worden afgewikkeld, hetzij ineens, en dat het niet mogelijk is dat de schade ineens wordt afgewikkeld met uitzondering van een bepaalde post. Het hof oordeelt anders. Het is mogelijk om de schade grotendeels ineens af te wikkelen, terwijl onzekere toekomstige schadeposten niet worden afgewikkeld.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 24-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0230

De klagende partij heeft in 2013 een verkeersongeval gehad. De verwerende partij heeft de klager bijgestaan in de zaak tegen enkele verzekeringsmaatschappijen om de schade als gevolg van dit ongeval te verhalen. Na het vertrek van de verwerende partij van het kantoor is de zaak overgenomen door collega’s. Jaren later heeft de klagende partij contact opgenomen met de verwerende partij met het verzoek hem verder bij te staan bij deze kwestie, nu deze nog steeds niet was afgerond. De klagende partij heeft meermaals contact opgenomen met de verwerende partij en om informatie verzocht, stukken gestuurd en hem gevraagd de zaak verder op te pakken. De verwerende partij heeft geschreven dat hij nog geen ondertekende opdrachtbevestiging had en dat hij formeel nog niet zijn advocaat was. Klager heeft daarop gereageerd en geschreven dat er wel degelijk een mondelinge overeenkomst van opdracht was en dat indien verweerder een ondertekende opdrachtbevestiging verlangde, hij hem een te ondertekenen exemplaar had moeten sturen. In deze mail heeft klager nogmaals aangegeven dat hij wil dat verweerder doorgaat met de zaak. Hierna heeft de verwerende partij met de verzekeraars overlegd. Klager is niet op het aanbod van de verzekeraars ingegaan en heeft een klacht ingediend bij de verwerende partij. De verwerende partij heeft klager toen gemaild dat zij het er niet over eens waren hoe de zaak verder moest en heeft hij klager aangeraden om andere belangenbehartiging te zoeken. Hierop heeft de klager een klacht bij de deken ingediend. Na het onderzoek van de klacht door de deken heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met klager en heeft hij zijn excuses aangeboden voor het gebeuren en aangeboden om de zaak weer op te pakken. Voor klager was dit de reden om de klacht in te trekken. Een jaar later verzoekt klager om het klachtdossier te heropenen, omdat verweerder de zaak na acht maanden nog steeds niet heeft opgepakt. De raad is van oordeel dat, gelet op het gesprek dat tussen klager en verweerder over de zaak heeft plaatsgevonden en omdat verweerder daarna – ondanks de vele berichten die klager over de zaak aan verweerder heeft gestuurd – nooit aan klager heeft laten weten dat hij hem niet bijstond, er vanaf eind 2022 tussen klager en verweerder een cliënt-advocaat-relatie bestond, althans dat bij klager het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat die relatie er was. De omstandigheid dat er geen opdrachtbevestiging is opgemaakt, maakt dat niet anders. Het was aan verweerder om hierover duidelijkheid te verschaffen. Verweerder heeft dat nagelaten. Bij de beoordeling van de klacht gaat de raad er daarom van uit dat verweerder vanaf december 2022 als advocaat voor klager heeft opgetreden. De raad stelt vast dat uit het klachtdossier niet blijkt dat verweerder de procedure, de strategie, de verwachtingen, de kansen en de (financiële) risico’s met klager heeft besproken. Verweerder heeft daarover in ieder geval niets schriftelijk vastgelegd, terwijl hij dat wel had behoren te doen, ook gelet op de persoon van klager en de aard van de zaak. Doordat deze schriftelijke vastlegging ontbreekt, gaat de raad ervan uit dat verweerder klager over deze genoemde punten niet, dan wel onvoldoende, heeft geïnformeerd. Ook heeft verweerder onvoldoende adequaat en voortvarend op berichten van klager gereageerd. Ook in de periode waarover verweerder heeft aangegeven dat hij wel als advocaat voor klager heeft opgetreden, was deze communicatie ondermaats. De raad neemt het verweerder ten slotte nog kwalijk dat hij – nadat klager de klacht had ingetrokken omdat verweerder zijn excuses had gemaakt en had aangeboden om de zaak weer op te pakken – wederom een langere periode niet voortvarend heeft gehandeld en onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd. Gelet op de ernst van dit handelen en omdat verweerder al eerder door de raad is veroordeeld, wordt aan verweerder een berisping opgelegd.
Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden, 04-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0228

Een vrouw verwijt een ziekenhuis dat haar neurologen tekort zijn geschoten in haar medische behandeling. In een eerder tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het ziekenhuis voor bepaalde tekortkomingen op grond van artikel 7:462 BW aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade als gevolg van deze tekortkomingen, zowel materieel als immaterieel, voldoende aannemelijk is. Het hof heeft vervolgens de vrouw uitgenodigd zich nader uit te laten over de vraag of er (materiële en/of immateriële) schade is en zo ja, wat de omvang daarvan is die aan de te onderscheiden tekortkomingen zijn toe te rekenen en haar schade te onderbouwen. Het ziekenhuis is in de gelegenheid gesteld daarop bij akte te reageren. De vrouw heeft verwezen naar een schadestaat die door een letselschadespecialist is opgesteld. Het ziekenhuis heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft bij haar antwoordakte na tussenarrest een rapport van de door haar ingeschakelde medisch adviseur overgelegd alsmede een artikel over medische bevindingen na een herseninfarct. De vrouw heeft nog niet op deze producties kunnen reageren. Het hof zal haar daartoe ook niet meer in de gelegenheid stellen. De vrouw wordt hierdoor niet in haar belang geschaad, omdat het hof zonder gebruikmaking van deze producties tot een eindoordeel komt. Het hof gaat de schadeposten langs. De schadepost omtrent zorgschade en kosten van huishoudelijke hulp wordt afgewezen. De vrouw heeft weliswaar wel gesteld dat bij eerder handelen sprake zou zijn geweest van een gunstiger ziekteverloop waarbij behandeling niet zou zijn uitgesloten, maar zij heeft niet gesteld en (medisch) onderbouwd hoe deze hypothetische situatie waarin de vastgestelde tekortkomingen niet hadden plaatsgevonden eruit had gezien én hoe die situatie zou verschillen voor wat betreft beperkingen en hulpbehoefte met de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Zonder een onderbouwde vergelijking tussen de werkelijke en hypothetische situatie ontbreekt een deugdelijke grondslag voor toerekening van deze schadepost en kan niet worden vastgesteld dat de vrouw als gevolg van een of meer van de tekortkomingen zorgschade heeft geleden en kosten voor huishoudelijke hulp heeft moeten maken. Het komt het hof, zonder nadere toelichting die ontbreekt, voor dat de geclaimde kosten ook zouden zijn gemaakt indien de zorgverleners de behandeling correct (‘lege artis’) hadden uitgevoerd. Het hof merkt verder op dat door de vrouw ook geen onderscheid is gemaakt tussen werkzaamheden die behoren tot de normale echtelijke/huishoudelijke hulp op basis van in een relatie aanwezige wederkerigheid en hulp die naar aard en omvang uitstijgt boven het gebruikelijke als gevolg van de tekortkomingen van de neurologen. De vrouw vordert een bedrag aan smartengeld van € 241.000. Onvoldoende onderbouwd is dat de fouten van de neurologen de oorzaak zijn van het lichamelijk letsel, de cognitieve problemen of een ernstiger ziekteverloop. Het hof kent de vrouw een bedrag aan smartengeld van € 10.000 toe. Hier heeft het hof onder meer meegenomen dat de vrouw jarenlang zocht naar een diagnose, maar zich niet, althans onvoldoende gesteund en erkend voelde door de neurologen. Het hof acht het aannemelijk dat dit heeft geleid tot extra stress, gemis aan levensvreugde, depressieve gevoelens, verwerkingsproblemen en een verlies aan vertrouwen in artsen of ziekenhuizen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 19-05-2026