Naar boven ↑
8.615 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0157

Deelgeschil. In 2013 is een toen 17-jarige jongen op zijn e-bike betrokken geraakt bij een verkeersongeval op een oversteekplaats voor fietsers en voetgangers. Hij heeft hierbij een hersenkneuzing opgelopen, waarvoor hij een behandeltraject heeft gevolgd bij een revalidatiecentrum voor niet-aangeboren hersenletsel. De WAM-verzekeraar heeft in 2015 50% van de aansprakelijkheid erkend. Hoewel partijen dit lange tijd hebben geprobeerd, zij zijn niet tot overeenstemming gekomen. Volgens de verzoeker is het erkende percentage te laag. Volgens hem is de WAM-verzekeraar volledig aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. De WAM-verzekeraar voert aan dat de jongen destijds een verkeersfout heeft gemaakt door met zijn e-bike het kruispunt over te steken, terwijl het voor hem bestemde verkeerslicht op rood stond. De rechtbank is op basis van de stukken, waaronder het proces-verbaal van de politie, het faselog en de beschikbare getuigenverklaringen, van oordeel dat in dit geval inderdaad sprake is geweest van een verkeersfout van de verzoeker. De rechtbank gaat ervan uit dat hij ofwel de bestelauto over het hoofd heeft gezien (en deze door zijn koptelefoon mogelijk ook niet heeft horen aankomen), ofwel een inschattingsfout heeft gemaakt door te denken dat hij nog voldoende tijd en ruimte had om nog vóór de bestelauto over te steken. Hoe dan ook heeft zijn verkeersgedrag substantieel bijgedragen aan het gevaar voor het ontstaan van het ongeval. Als hij goed had uitgekeken en/of was gestopt voor het rode licht, zou hij niet op dat moment zijn overgestoken en zou het ongeval niet plaats hebben gehad. Het ongeval is in overwegende mate veroorzaakt door de verzoeker zelf. Dit betekent dat de toepassing van de causaliteitsmaatstaf geen aanleiding geeft voor toekenning van een hogere schadevergoeding dan de 50% die volgt uit de 50%-regel. Het verzoek op een billijkheidscorrectie slaagt niet. Hierbij weegt de rechtbank mee dat, nu in de uitkomst van de causale verdeling de causale bijdrage van de autobestuurder aan het ontstaan van het ongeval substantieel lager lag dan 50%, de schadevergoedingsverplichting van de WAM-verzekeraar al is verhoogd op grond van de 50%-regel. De rechtbank overweegt dat de gevolgen van het ongeval voor de verzoeker zeer ernstig zijn en dat hij daarmee dagelijks wordt geconfronteerd. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat hij met grote inzet probeert om zich een weg te vinden binnen de nieuw ontstane kaders. Dat siert hem en roept respect op. De toedracht van het ongeval en de daarop toe te passen rechtsregels maken echter dat er geen aanleiding bestaat om te bepalen dat de WAM-verzekeraar meer dan de helft van de schade moet dragen. De verzochte verklaringen voor recht worden afgewezen.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 11-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0156

Een vrouw stond in de periode van 2000 tot en met 2019 onder behandeling bij de afdeling Endocrinologie van een ziekenhuis in verband met adrenogenitaal syndroom (AGS). De vrouw stelt dat zij schade heeft opgelopen die voorkomen had kunnen worden wanneer haar bloeddruk en de schommelingen daarin regelmatig en zorgvuldig waren gecontroleerd en tijdig en adequaat waren behandeld tijdens haar behandeling. De vrouw heeft zowel het ziekenhuis als de betrokken internist-endocrinologen ieder afzonderlijk aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden en nog lijdt. De vrouw verzoekt nu dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht beveelt. Zij wil hiermee laten vaststellen dat de in 2015 gestelde diagnose FNS een misdiagnose is geweest. Volgens haar heeft het ziekenhuis de op de MRI geconstateerde witte stof-afwijkingen destijds ten onrechte afgedaan als een toevallige bevinding, zonder deze in verband te brengen met haar neurologische klachten. Verder wil zij laten vaststellen dat de witte stof-afwijkingen het gevolg zijn van haar langdurige en sterk schommelende bloeddruk. Het ziekenhuis verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en stelt dat de vrouw onvoldoende belang heeft bij het gelasten van een neurologisch onderzoek. Het ziekenhuis verzet zich niet tegen het benoemen van een internist-endocrinoloog die zich kan uitlaten over de medische praktijk en het medisch handelen van de behandeld internist-endocrinoloog. Pas als vast zou komen te staan dat er sprake is geweest van onzorgvuldig medisch handelen door de internist-endocrinoloog (met name door het onvoldoende controleren en behandelen van de bloeddruk) zou een neurologisch onderzoek naar de gevolgen daarvan (eventueel) aan de orde kunnen zijn. De rechtbank is het hiermee eens: de vrouw heeft onvoldoende belang bij haar verzoek. Hoewel de vrouw in haar verzoekschrift en ter zitting nadrukkelijk heeft verzocht om een voorlopig deskundigenbericht over het medisch handelen van de neuroloog, blijkt uit de onderliggende verwijten dat haar klachten in hoofdzaak betrekking hebben op het handelen van de internist-endocrinoloog. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat eerst (de omvang van) de schade en de oorzaak daarvan dienen te worden vastgesteld met de informatie van de neuroloog en vervolgens pas aan de orde komt of zorgvuldig is gehandeld. Bij het aansprakelijk stellen van een behandeld arts staat centraal of deze heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in die omstandigheden zou hebben gedaan. Het is niet zo dat er omdát er schade is, wel onzorgvuldig moet zijn gehandeld. De vrouw heeft onvoldoende duidelijk gemaakt in hoeverre de expertise van de neuroloog zou kunnen bijdragen aan de beoordeling van een potentiële vordering. Ook is van belang dat tussen partijen geen inhoudelijk geschil bestaat over het bestaan van en de mogelijke oorzaak van de witte stof-afwijkingen. Het ziekenhuis erkent immers zelf in haar verweerschrift dat hypertensie een mogelijke oorzaak kan zijn van witte stof-afwijkingen. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat de vrouw wellicht op zoek is naar een vorm van erkenning, maar zij heeft dit onvoldoende concreet vertaald naar een rechtens te respecteren belang bij haar verzoek.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0155

In 2017 is een baby geboren in het ziekenhuis met tekenen van asfyxie, een toestand waarbij een baby vóór, tijdens of kort na de geboorte onvoldoende zuurstof krijgt, hetgeen kan leiden tot ernstige schade aan de hersenen en andere organen. Na de bevalling is gebleken dat er bij de baby sprake is van hersenschade. De jongen is verbaal niet communicatief en volgt speciaal onderwijs vanwege zijn cognitieve beperkingen. De ouders en wettelijke vertegenwoordigers van de jongen hebben het ziekenhuis in 2019 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het feit dat hun zoon rondom de bevalling hersenschade heeft opgelopen. Daarnaast heeft de moeder ook haar verloskundige aansprakelijk gesteld voor diezelfde schade omdat zij volgens de moeder medisch verwijtbaar heeft gehandeld voorafgaand en tijdens de bevalling. Beide partijen hebben aansprakelijkheid ontkend. Om haar rechtspositie in deze kwestie te kunnen bepalen, hebben de verloskundige en haar aansprakelijkheidsverzekeraar de rechtbank verzocht een verloskundige expertise te gelasten. Het ziekenhuis heeft daarop een zelfstandig verzoek ingediend op de voet van artikel 282 lid 4 Rv tot benoeming van een gynaecoloog als deskundige. Het kind en de ouders verzetten zich niet tegen toewijzing van de verzoeken, maar voeren wel verweer tegen de voorgestelde vraagstellingen. Er is overeenstemming tussen hen en het ziekenhuis omtrent de benoeming van een bepaalde gynaecoloog. Zij hebben geen overeenstemming kunnen vinden met de verloskundige over de benoeming van de persoon die de verloskundige expertise zal verrichten. De rechtbank wijst het voorlopig deskundigenbericht toe en benoemt de deskundigen. Met inachtneming van de stellingen van de partijen komt de rechter tot de vraagstellingen. De verloskundige en het ziekenhuis zijn beiden bereid om het voorschot voor het door hen aangevraagde verzoek te voldoen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0154

Strafrecht. De verdachte heeft gepoogd zijn ex-partner te vermoorden omdat hij het niet kon accepteren dat zij de relatie had beëindigd. De verdachte heeft haar die dag gevolgd en opgewacht op de parkeerplaats bij het winkelcentrum waar zij nietsvermoedend met haar moeder boodschappen deed. De verdachte heeft haar eenmaal buiten vastgepakt en het vuurwapen tegen haar rug gehouden waarna hij tot twee keer toe van korte afstand in haar rug heeft geschoten. Op het moment dat de moeder haar dochter wilde bijstaan door de verdachte vast te pakken, heeft hij haar in de borst geschoten ten gevolge waarvan zij ter plaatse is overleden. De verdachte is hierna rustig naar zijn auto gelopen, weggereden en als gevolg van een geraffineerd vluchtplan vijf weken lang uit de handen van politie en justitie gebleven. De vrouw heeft als gevolg van het handelen ernstig en blijvend fysiek letsel opgelopen aan haar zenuwstelsel. Hierdoor is zij verlamd geraakt en heeft zij last van sterke zenuwpijn. Zij zal voor de rest van haar leven blijvend invalide en hulpbehoevend zijn. Hiernaast heeft zij ook ernstig psychisch letsel opgelopen, dat zich uit in langdurige slaapproblematiek, gevoelens van (straat)angst en daarmee gepaard gaand psychisch trauma. De vrouw heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Ten aanzien van de door haar gevorderde shockschade overweegt het hof dat vaststaat dat zij direct is geconfronteerd met de dood van haar moeder. Nadat de verdachte de benadeelde had neergeschoten, heeft hij in haar bijzijn haar moeder doodgeschoten. De benadeelde was op dat moment bij bewustzijn en heeft dit meegemaakt. Zij heeft haar moeder bij die aanval door de verdachte horen schreeuwen en heeft hier blijvende herinneringen aan. Daarnaast is de benadeelde partij op het moment dat zij op de afdeling intensive care ontwaakte, direct meegedeeld dat haar moeder was overleden en al was begraven. Dit alles is voor de benadeelde zeer ingrijpend geweest en heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten PTSS, zoals blijkt uit de overgelegde verklaring van een GZ-psycholoog. De benadeelde ondergaat hiervoor traumabehandelingen. Het hof wijst een vergoeding wegens shockschade van € 30.000 toe. Zij krijgt daarnaast ook affectieschade conform het Besluit vergoeding affectieschade toegewezen. Ten slotte krijgt zij een schadevergoeding van € 250.000 toegewezen voor de geleden immateriële schade. De kleindochter van de moeder heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij en haar beroep op de hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW slaagt. Zij stond in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot haar grootmoeder dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij als naaste moet worden aangemerkt.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 23-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0152

In 2022 is een man tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden van de trap die toegang verschaft tot zijn werkplek gevallen. Op dat moment was hij nog aan het re-integreren, wat hierna is beëindigd. Hij is volledig arbeidsongeschikt gebleven. De man heeft de werkgever aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van de val van de trap. De werkgever heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen. In 2023 hebben de man en de werkgever een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst gesloten. De beëindigingsovereenkomst bevat een finaal kwijtingsbeding. De man heeft later een verzoekschrift ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dit is afgewezen. Hij is hiertegen in hoger beroep gegaan. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Nu vordert de man onder andere een verklaring voor recht dat de werkgever op grond van artikel 7:658 BW dan wel artikel 7:611 BW aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de val van de trap. De kantonrechter overweegt dat de werkgever voldoende heeft onderbouwd dat zij aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan, ook in het geval ervan zou moeten worden uitgegaan dat de val van werknemer is veroorzaakt door duizeligheidsklachten en/of wazig zien. Ook ligt de vraag voor naar wat de reikwijdte is van het kwijtingsbeding. Met andere woorden: ziet het ook op een eventuele vordering van man op de werkgever in verband met de hiervoor genoemde kwestie? De rechtbank oordeelt dat in de gegeven omstandigheden de werkgever redelijkerwijs kon en mocht vertrouwen dat de man met het finale kwijtingsbeding bereid was afstand te doen van alle mogelijke vorderingen verband houdend met zijn arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan, met uitzondering van de val van de trap en de CHUBB-uitkering.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 11-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0151

In 2023 is een vrouw van een losstaande trap in haar woning gevallen toen zij hiermee vanaf de eerste verdieping de vliering probeerde te bereiken. De trap is op die plek neergezet op het moment dat de woning door de aannemer werd verbouwd. In deze procedure vordert de vrouw dat de rechtbank voor recht verklaart dat de aannemer aansprakelijk is voor haar schade als gevolg van de val van de trap. De rechtbank wijst deze vordering toe. De rechtbank gaat uit van de door de vrouw gestelde toedracht. De vrouw heeft steeds de toedracht van het ongeval consistent beschreven. De aannemer heeft onvoldoende ingebracht tegenover het consistente betoog van de vrouw over het ongeval. De rechtbank stelt voorop dat niet elke vorm van gevaarzetting ook onrechtmatig is. Hiervan is pas sprake wanneer het zo waarschijnlijk was dat zich met de losstaande trap een ongeval zou kunnen gaan voordoen, dat de aannemer deze gevaarzettende situatie niet zo had mogen laten voortbestaan. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat de aannemer onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld. Allereerst mocht de aannemer er niet zomaar van uitgaan dat de vrouw (of iemand anders) bij het gebruiken van de trap zo voorzichtig zou zijn dat er geen ongelukken konden gebeuren. Vast staat namelijk dat de aannemer de vrouw niet heeft gewaarschuwd voor de risico’s bij het gebruik van de losstaande trap naar de vliering. Dit terwijl de vrouw de trap vanwege de verbouwing niet op dagelijkse basis gebruikte en dus minder goed bekend was met die risico’s dan bijvoorbeeld de werknemers van de aannemer. De kans op een ongeval was hierbij bovendien groot. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat de trap volgens de gebruiksinstructies eigenlijk ergens aan bevestigd moest worden, vooral aan de bovenzijde. Daar komt nog bij dat de trap in dit geval op een met stucloper bedekte (en dus gladde) vloer stond. Omdat de trap meerdere meters hoog is, waren de mogelijke gevolgen van een dergelijk ongeval daarnaast ernstig. Dit terwijl het nemen van veiligheidsmaatregelen vrij eenvoudig was. Zo had de aannemer trap kunnen wegleggen, tijdelijk kunnen vastmaken of kunnen waarschuwen dat die niet gebruikt moest worden. Het beroep op eigen schuld slaagt niet. De trap was daar neergezet door een professionele partij en bovendien veelvuldig gebruikt door haar werknemers, waardoor de vrouw er in dit geval van mocht uitgaan dat de trap veilig gebruikt kon worden.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28-01-2026