De klagende partij heeft in 2013 een verkeersongeval gehad. De verwerende partij heeft de klager bijgestaan in de zaak tegen enkele verzekeringsmaatschappijen om de schade als gevolg van dit ongeval te verhalen. Na het vertrek van de verwerende partij van het kantoor is de zaak overgenomen door collega’s. Jaren later heeft de klagende partij contact opgenomen met de verwerende partij met het verzoek hem verder bij te staan bij deze kwestie, nu deze nog steeds niet was afgerond. De klagende partij heeft meermaals contact opgenomen met de verwerende partij en om informatie verzocht, stukken gestuurd en hem gevraagd de zaak verder op te pakken. De verwerende partij heeft geschreven dat hij nog geen ondertekende opdrachtbevestiging had en dat hij formeel nog niet zijn advocaat was. Klager heeft daarop gereageerd en geschreven dat er wel degelijk een mondelinge overeenkomst van opdracht was en dat indien verweerder een ondertekende opdrachtbevestiging verlangde, hij hem een te ondertekenen exemplaar had moeten sturen. In deze mail heeft klager nogmaals aangegeven dat hij wil dat verweerder doorgaat met de zaak. Hierna heeft de verwerende partij met de verzekeraars overlegd. Klager is niet op het aanbod van de verzekeraars ingegaan en heeft een klacht ingediend bij de verwerende partij. De verwerende partij heeft klager toen gemaild dat zij het er niet over eens waren hoe de zaak verder moest en heeft hij klager aangeraden om andere belangenbehartiging te zoeken. Hierop heeft de klager een klacht bij de deken ingediend. Na het onderzoek van de klacht door de deken heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met klager en heeft hij zijn excuses aangeboden voor het gebeuren en aangeboden om de zaak weer op te pakken. Voor klager was dit de reden om de klacht in te trekken. Een jaar later verzoekt klager om het klachtdossier te heropenen, omdat verweerder de zaak na acht maanden nog steeds niet heeft opgepakt. De raad is van oordeel dat, gelet op het gesprek dat tussen klager en verweerder over de zaak heeft plaatsgevonden en omdat verweerder daarna – ondanks de vele berichten die klager over de zaak aan verweerder heeft gestuurd – nooit aan klager heeft laten weten dat hij hem niet bijstond, er vanaf eind 2022 tussen klager en verweerder een cliënt-advocaat-relatie bestond, althans dat bij klager het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat die relatie er was. De omstandigheid dat er geen opdrachtbevestiging is opgemaakt, maakt dat niet anders. Het was aan verweerder om hierover duidelijkheid te verschaffen. Verweerder heeft dat nagelaten. Bij de beoordeling van de klacht gaat de raad er daarom van uit dat verweerder vanaf december 2022 als advocaat voor klager heeft opgetreden. De raad stelt vast dat uit het klachtdossier niet blijkt dat verweerder de procedure, de strategie, de verwachtingen, de kansen en de (financiële) risico’s met klager heeft besproken. Verweerder heeft daarover in ieder geval niets schriftelijk vastgelegd, terwijl hij dat wel had behoren te doen, ook gelet op de persoon van klager en de aard van de zaak. Doordat deze schriftelijke vastlegging ontbreekt, gaat de raad ervan uit dat verweerder klager over deze genoemde punten niet, dan wel onvoldoende, heeft geïnformeerd. Ook heeft verweerder onvoldoende adequaat en voortvarend op berichten van klager gereageerd. Ook in de periode waarover verweerder heeft aangegeven dat hij wel als advocaat voor klager heeft opgetreden, was deze communicatie ondermaats. De raad neemt het verweerder ten slotte nog kwalijk dat hij – nadat klager de klacht had ingetrokken omdat verweerder zijn excuses had gemaakt en had aangeboden om de zaak weer op te pakken – wederom een langere periode niet voortvarend heeft gehandeld en onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd. Gelet op de ernst van dit handelen en omdat verweerder al eerder door de raad is veroordeeld, wordt aan verweerder een berisping opgelegd.
Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden, 04-05-2026