Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0410

Kort geding. In 2023 is een man betrokken geweest bij een verkeersongeval. De man heeft een beroep gedaan op zijn SVI-verzekering voor de schade die hij als gevolg van het ongeval heeft opgelopen. De man heeft € 49.000 aan voorschotten ontvangen. De man vordert nu dat de SVI-verzekeraar nog een voorschot betaalt en dat door de voorzieningenrechter wordt bepaald dat de man zich op kosten van de SVI-verzekeraar kan melden voor een multidisciplinair behandeltraject. De vorderingen worden afgewezen. Het is onvoldoende aannemelijk dat er een causaal verband is tussen het ongeval en het letsel. Verder is ook onvoldoende aannemelijk wat het verlies in verdienvermogen is. De SVI-verzekeraar heeft uitgebreid onderbouwd gemotiveerd verweer gevoerd. Er is geen sprake van een onafhankelijk eenduidig medisch rapport en/of een onafhankelijke eenduidige berekening van het verlies van verdienvermogen waaruit de stellingen van de man blijken. Het enkele feit dat de SVI-verzekeraar reeds voorschotten heeft verstrekt is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Van de SVI-verzekeraar kan niet verwacht worden dat zij voorschotten blijft verstrekken zonder dat zij voldoende informatie heeft ontvangen om te kunnen beoordelen of zij wel gehouden is om schade te vergoeden, nog afgezien van de vraag of op dit moment niet al voldoende voorschotten zijn verstrekt. De SVI-verzekeraar heeft geen verweer gevoerd tegen het standpunt van de man dat zij bij brief heeft toegezegd dat zij de arbeidsdeskundige zou gaan benaderen met het verzoek om een multidisciplinair behandeltraject voor de man te initiëren. In diezelfde brief heeft de SVI-verzekeraar echter ook gevraagd om meer informatie van de man om onder andere het causaal verband vast te kunnen stellen. Deze informatie heeft de SVI-verzekeraar tot op heden nog niet volledig ontvangen. Op grond van de huidige omstandigheden is de enkele toezegging van de SVI-verzekeraar onvoldoende om de vordering van de man toe te wijzen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 16-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0409

Kort geding over een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van bewoners van een woonwijk. De bewoners vrezen voor ernstige gezondheidsschade voor henzelf en hun kinderen. Volgens de teler is die vrees ongegrond, omdat de gewasbeschermingsmiddelen zorgvuldig zijn getest en vervolgens zijn goedgekeurd om te gebruiken en hij bovendien diverse bovenwettelijke voorzorgsmaatregelen treft. Het hof overweegt dat de teler en de omwonenden in beginsel mogen vertrouwen op de uitkomsten van de toelatingsbeoordeling door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), de Europese Commissie en uiteindelijk het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). In deze zaak zijn er echter bijzondere omstandigheden aan de orde. Gedurende de toelatingsprocedure voor de te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen is geen onderzoek verricht naar risico’s op neurodegeneratieve ziektes die op latere leeftijd optreden. De te gebruiken middelen leveren echter wel een potentieel gevaar op voor het ontstaan van deze aandoeningen. Dit brengt mee dat de lidstaat Nederland en/of het Ctgb een risicobeoordeling door wetenschappelijke deskundigen dienen te laten verrichten in verband met de beoordeling of, en zo ja op welke wijze het voorzorgsbeginsel is toe te passen. Deze beoordeling heeft niet plaatsgehad, terwijl deze beoordeling op grond van de Europese Verordening 1107/2009 voor Nederland aan de lidstaat en het Ctgb is toebedeeld. Onder deze omstandigheden mag de teler er niet op vertrouwen dat er met de door hem te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen geen reëel gevaar voor gezondheidsschade bestaat. Daarnaast overweegt het hof dat Nederland artikel 12 van Richtlijn 2009/128/EG niet volledig in nationale regelgeving heeft geïmplementeerd, waardoor er geen wettelijke verplichting bestaat voor landbouwers om in de nabijheid van kwetsbare groepen, zoals kinderen, het gebruik van pesticiden te minimaliseren of zelfs geheel achterwege te laten. Het hof overweegt dat de teler gelet op de feiten en omstandigheden zoals die in deze zaak aan de orde zijn een bijzondere zorgplicht jegens de in de onmiddellijke nabijheid wonende omwonenden heeft en dat hij die schendt en een onrechtmatige daad pleegt nu hij toch lelies gaat kweken in het seizoen 2027 met gebruik van de in deze zaak genoemde gewasbeschermingsmiddelen in de omvang die noodzakelijk is voor lelieteelt. Daarom is een maatregel van tijdelijke aard in de vorm van een verbod tot en met 2028 op zijn plaats.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 22-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0408

Deelgeschil. In 2019 is een vrouw gevallen met haar fiets bij het inrijden van de parkeergarage van een appartementencomplex. Hierbij heeft zij onder andere een compliceerde bovenarmbreuk opgelopen. De vrouw verzoekt nu dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Vereniging van Eigenaren (VVE) aansprakelijk is voor alle schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval en dat de VVE en haar verzekeraar hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van die schade. Hierbij doet zij primair een beroep op artikel 6:162 BW, subsidiair op artikel 6:174 BW. De rechtbank gaat uit van de door de vrouw gestelde toedracht. De rechtbank overweegt dat de situatie in de parkeergarage bij regenachtig weer potentieel gevaarlijk was voor fietsers. Er is echter pas sprake van onrechtmatig handelen als de VVE meer risico heeft genomen dan redelijkerwijze verantwoord was. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De rechtbank is van oordeel dat de VVE onrechtmatig heeft gehandeld. Voor de vrouw ten val kwam waren er al meerdere valincidenten met fietsers geweest op de hellingbaan. De VVE heeft destijds onderzocht wat het zou kosten om de hellingbaan stroever te maken. Uiteindelijk zijn geen maatregelen genomen. Het aanbrengen van een waarschuwingsbord, zoals nadien is gebeurd, was een eenvoudige en weinig kostbare maatregel die de VVE direct had kunnen nemen en naar het oordeel van de rechtbank ook minimaal had moeten nemen, gegeven haar bekendheid met de risico’s. De rechtbank verwerpt het verweer van de VVE dat een waarschuwing geen effect zou hebben gehad en het ongeval van de vrouw niet zou hebben voorkomen omdat zij ook bij een waarschuwing niet zou zijn afgestapt. Wat de vrouw precies zou hebben gedaan als zij zou zijn gewaarschuwd, is niet met zekerheid vast te stellen. De rechtbank matigt de kosten van het deelgeschil. Het uurtarief van de raadsman (een advocaat-stagiair) is hoog en hij heeft niet snel en efficiënt gewerkt. Een tijdsbesteding van 29,5 uur voor dit deelgeschil acht de rechtbank bovenmatig. Het betreft hier geen complexe zaak.
Rechtbank Oost-Brabant, 09-11-2021

Rechtspraak

PS 2025-0404

Strafrecht. Veroordeling tot een gevangenisstraf van twaalf jaar voor het plegen van moord op een parkeerplaats bij een supermarkt en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Twee kinderen van het overleden slachtoffer krijgen shockschade toegekend. Uit de onderbouwing van de vorderingen op dit punt blijkt dat beiden op de parkeerplaats geconfronteerd zijn met de gruwelijke dood van hun vader. Het toegebrachte leed is intens en onmetelijk. Nadien zijn steeds meer details over de dood van hun vader bij hen bekend geworden. Zij zijn geconfronteerd met het gehavende lichaam van hun vader en dat heeft – getuige de onderbouwing van de psychologen – geresulteerd in geestelijk letsel. De affectieschade zoals die door verschillende benadeelde partijen is gevorderd (€ 20.000 dan wel € 17.500) wordt toegewezen. Er is geen verweer tegen gevoerd en op grond van de wet behoren zij tot de kring van gerechtigden. Het gevorderde bedrag is ook in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank stelt vast dat het gedeelte van de vorderingen dat ziet op het gederfd levensonderhoud in geld en natura omvangrijk en complex van aard is. Hoewel voor de rechtbank vaststaat dat de benadeelde partijen als gevolg van het strafbare handelen van verdachte rechtstreekse schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar het burgerlijk recht aansprakelijk is, acht de rechtbank zich er niet van verzekerd dat de verdediging in dit strafproces in de gelegenheid is geweest al datgene aan te voeren wat zij ter verweer tegen de vorderingen kon aanvoeren. Voor dit (civielrechtelijke) partijdebat is in het strafgeding geen plaats. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de schadevergoedingen om die reden moet worden overgelaten aan de beoordeling van de burgerlijke rechter.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 16-07-2025