Naar boven ↑
8.838 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0392

Rechtbank. De zaak betreft een al sinds 2020 lopende letselschadezaak. De man is in 2015 een verkeersongeval overkomen. De verzekeraar heeft aansprakelijkheid voor het verkeersongeval erkend. In een eerder tussenvonnis is aangenomen dat er causaal verband bestaat tussen de subjectieve gezondheidsklachten van de man en het ongeval. Om te beoordelen of deze gezondheidsklachten ook tot beperkingen leiden is eerst een verzekeringsgeneeskundige en vervolgens een arbeidsdeskundige benoemd. Dit vonnis betreft het eindvonnis in deze zaak. De rechtbank verwerpt het verweer van de verzekeraar dat (uit het rapport van de arbeidsdeskundige volgt dat) het niet benutten van arbeidsmogelijkheden enkel en alleen aan de man zelf te wijten is. Die conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank niet uit het rapport van de arbeidsdeskundige worden afgeleid. In het kader van die praktische beoordeling heeft de arbeidsdeskundige gewezen op de voorwaarden die de verzekeringsarts aan een functie voor de man heeft verbonden en op de eisen die de verzekeringsarts heeft gesteld aan een werkomgeving voor de man. Dit maakt dat de functies volgens de arbeidsdeskundige na inhoudelijke beoordeling op de passendheid toch niet passend zijn. Dat de vacatures na een praktische beoordeling door de arbeidsdeskundige alsnog afvallen is dus niet het gevolg van de opstelling van de man, maar het gevolg van de eisen en voorwaarden die door de verzekeringsdeskundige op basis van de ongevalgerelateerde klachten van de man zijn vastgesteld. De rechtbank overweegt dat het verweer dat de verzekeraar voor het overige voert kort gezegd betrekking heeft op het onbenut laten van de restverdiencapaciteit door de man. De rechtbank legt echter het rapport van de arbeidsdeskundige zo uit dat de functies die door de arbeidsdeskundige als theoretisch passend zijn aangemerkt, voor de man feitelijk niet passend zijn. Het verweer van de verzekeraar dat de man ook zonder ongeval – de rechtbank begrijpt: blijvend – arbeidsongeschikt zou zijn geraakt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Volgens de rechtbank kan deze stelling niet worden afgeleid uit het rapport van de arbeidsdeskundige. De rechtbank overweegt wel dat het feit dat de arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat het waarschijnlijk is dat de man, het ongeval weggedacht, bepaalde periodes (langdurig) arbeidsongeschikt zou zijn geweest, wel verdisconteerd zal moeten worden in de schadebegroting.
Rechtbank Limburg, 29-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0391

Medewerkers van de werkgever kunnen hun fiets of auto stallen in de parkeergarage die opengaat door het gebruik van een ‘tagscanner’. Een werknemer heeft bij het binnenfietsen van de parkeergarage de naar beneden komende garagedeur tegen zijn hoofd gekregen waardoor hij letsel aan zijn hoofd en aan zijn nek heeft opgelopen. De werknemer stelt dat er sprake was van een onveilige situatie. Ondanks het gebruik van de tagscanner heeft het immers kunnen gebeuren dat de garagedeur naar beneden is gegaan, zonder dat er een beveiligingsmaatregel, zoals een sensor, is aangebracht om dit te voorkomen. De schade is ook ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden. Er is namelijk sprake van een functioneel verband tussen de activiteit waarbij de schade is ontstaan en de dienstbetrekking. Dit betoog kan naar het oordeel van de kantonrechter niet leiden tot aansprakelijkheid. Het inrijden heeft te gelden als woon-werkverkeer. De werknemer heeft niet duidelijk gemaakt dat dit inrijden al gebeurde in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dat zijn werkgever aan zijn medewerkers logistieke aanwijzingen heeft gegeven voor het stallen van een fiets of ander vervoermiddel, betekent nog niet dat daarmee al sprake is van uitoefening van de werkzaamheden. Nu geen sprake is van schade die is ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden, is artikel 7:658 BW niet van toepassing. De kantonrechter volgt de werknemer niet in zijn stelling dat de werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:611 BW. De kantonrechter oordeelt dat er voor de werkgever geen aanleiding was om veiligheidsmaatregelen te nemen. Daarnaast is ook niet gebleken dat het pasjessysteem niet goed werkte. De werkgever is daarom niet aansprakelijk voor de schade van de werknemer als gevolg van het ongeval.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0390

Deelgeschil. De werknemer is op 17-jarige leeftijd als maaltijdbezorger op een elektrische fiets aangereden door een bestelauto. Hij heeft daarbij letsel aan zijn arm en been opgelopen. De WAM-verzekeraar van de bestelauto heeft de aansprakelijkheid voor 50% erkend. De verzekering van de werkgever biedt geen dekking voor de (overige) schade. In dit deelgeschil verzoekt de werknemer de kantonrechter onder meer om voor recht te verklaren dat de aangesproken ondernemingen en de bestuurders van de werkgever aansprakelijk zijn voor zijn schade door het ongeval. Vast staat dat de werkgever aan de werknemer geen helm en/of fluorescerend hesje heeft verstrekt, terwijl (nog) niet vaststaat of de werkgever een telefoonhouder aan de werknemer heeft verstrekt. De vraag of deze of andere preventieve maatregelen zijn genomen of moesten worden genomen kan in het midden blijven, nu de werkgever niet heeft aangetoond dat hij op het punt van de verkeersveiligheidsinstructies aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter oordeelt daarnaast dat er geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Het verzoek wordt daarom toegewezen op de eerste grondslag (art. 7:658 lid 2 BW), de tweede grondslag (art. 7:611 BW) kan daarom onbesproken blijven. Zijn verzoeken op grond van werkgeversaansprakelijkheid tegen de andere vennootschappen worden afgewezen omdat zij geen werkgever van hem zijn. Een deelgeschil leent zich niet voor de beoordeling van werkgeversaansprakelijkheid nu de door de bestuurders eventueel veroorzaakte schade niet ziet op letsel- of overlijdensschade. Het verzoek om een voorschot op de schadevergoeding wordt afgewezen omdat hij deze, gelet op de betwisting door de werkgever, onvoldoende heeft onderbouwd en voor bewijslevering in deelgeschil geen ruimte is.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 06-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0387

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van zijn destijds 13-jarige dochter, waardoor zij zwanger is geraakt, een zware bevalling met een keizersnee heeft moeten ondergaan en is bevallen van een zoon. Mede door het enkele bestaan van de zoon, maar ook door het litteken dat de keizersnee op haar lichaam heeft achtergelaten, wordt het slachtoffer nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het seksueel misbruik en dat zal ook zo blijven. Het slachtoffer en haar moeder hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De moeder vordert € 15.000 aan immateriële schade vanwege aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Het hof overweegt dat, alhoewel het zeer invoelbaar is dat het bewezen verklaarde feit voor de moeder in emotioneel opzicht zeer belastend is en ook haar leven ingrijpend is veranderd (onder andere doordat zij de zorg voor het zoontje op zich neemt), een onrechtmatige daad gepleegd tegen een kind niet zonder meer met zich brengt dat ook onrechtmatig is gehandeld tegen de ouder van dat kind. Een afdoende wettelijke grondslag voor toewijzing van schade is er in dit concrete geval niet. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de benadeelde partij niet kan worden gesproken van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Ook is geen sprake van een situatie waarin shockschade of affectieschade gevorderd kan worden. Haar vordering wordt afgewezen. Het slachtoffer zelf vordert € 75.000 aan vergoeding van immateriële schade. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte in haar persoon is aangetast. Het hof heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. In hoofdstuk 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’ kunnen onder de categorie ‘ernstig’ bedragen tot € 61.000 worden toegekend. Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezen verklaarde misbruik slechts 13 jaar oud was, waardoor het de aanbeveling heeft het toegewezen bedrag aan immateriële schade met 25% te verhogen. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom vast op de gevorderde € 75.000. Verder krijgt zij € 69.104,42 toegekend voor het aandeel in de kosten van het kind t/m 23 jaar.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0385

Een vrouw is al fietsend aangereden door een scooter, waardoor zij ten val is gekomen. Zij heeft last van fysieke en psychiatrische klachten. Zij wil dat deskundigen onderzoek doen naar het bestaan van de klachten en dat zij vaststellen in hoeverre de klachten aan het ongeval zijn toe te rekenen. Uit de processtukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling komt volgens de rechtbank naar voren dat de vrouw bewust niet heeft voldaan aan het verzoek van de medisch adviseur van de verzekeraar, om stukken aan te leveren die betrekking hebben op ingrijpende (andere) gebeurtenissen die de vrouw heeft meegemaakt en die volgens de verzekeraar haar klachten zouden kunnen verklaren. Volgens de vrouw heeft de verzekeraar geen recht op overlegging van de opgevraagde nadere informatie. Zij is pas bereid om de extra informatie te delen op het moment dat de aan te wijzen deskundigen dit noodzakelijk achten. De rechtbank wijst het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht af. De rechtbank is van oordeel dat de door de verzekeraar gevraagde gegevens relevant zijn voor de beoordeling van de causaliteit en daarmee aan de verzekeraar verstrekt moeten worden. Het verzoek van de vrouw is volgens de rechtbank prematuur en in strijd met de eisen van een goede procesorde en het verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen. Voordat meerdere, kostbare deskundigenonderzoeken worden uitgevoerd, acht de rechtbank het onder de gegeven omstandigheden van belang dat de vrouw de opgevraagde stukken en nadere informatie aan de verzekeraar verstrekt. Pas daarna kan worden beoordeeld of het verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en welke feiten met de verschillende deskundigenonderzoeken bewezen kunnen worden.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 21-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0384

Deelgeschil. Een man is overleden door een eenzijdig ongeval waarbij de auto frontaal op een boom is gereden. De man was in dienst als directiechauffeur en is op de terugreis na het afzetten van een directielid verongelukt. De dochter van de man heeft hem na het ongeval bezocht in het uitvaartcentrum. De dochter heeft door het ongeval materiële en immateriële schade, althans affectieschade, geleden en stelt dat de werkgever van haar vader aansprakelijk is. De dochter voert aan dat sprake is geweest van een nachtdienst en dat nachtdiensten maximaal tien uur mogen duren. Zij stelt dat uit de rittenregistratie van de werkgever blijkt dat niet is voldaan aan de Arbeidstijdenwet. De kantonrechter overweegt dat deze stelling, gelet op de rittenregistratie en het ontbreken van andere aanwijzingen, niet voor de hand ligt. Andere gronden die moeten leiden tot schending van de zorgplicht door de werkgever zijn niet aangevoerd zodat aansprakelijkheid op deze grond moet worden afgewezen. De werkgever heeft een first party-verzekering, een zogeheten Goed Werkgeverschap-verzekering. De dochter voert aan dat het feit dat affectieschade voor nabestaanden niet verzekerd is, ertoe leidt dat de verzekering niet behoorlijk is. De kantonrechter is van oordeel dat affectieschade anders van aard is dan schade bij een ongeval van de werknemer zelf en dat niet kan worden geconcludeerd dat naar maatschappelijke opvattingen dekking voor affectieschade in kwestie inmiddels de norm is geworden. Het enkele feit dat die affectieschade niet gedekt is, rechtvaardigt niet om de verzekering als niet behoorlijk te kwalificeren. Als elk onderdeel van een verzekering als deze wordt beoordeeld los van de verdere inhoud van die verzekering, zou dat al snel leiden tot de conclusie dat elke verzekering die niet voor alle risico’s volledige dekking verleent geen behoorlijke verzekering is. De werkgever is met zijn Goed Werkgeverschap-verzekering dus niet tekortgeschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering. Bij dit oordeel acht de kantonrechter ook van belang dat in dit geval, waar de werkgever ten aanzien van het ongeval geen verwijt treft, de doelen van erkenning en genoegdoening een minder prominente rol spelen. De kantonrechter wijst het verzoek van de dochter af.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 11-08-2026