Deelgeschil. Een man is overleden door een eenzijdig ongeval waarbij de auto frontaal op een boom is gereden. De man was in dienst als directiechauffeur en is op de terugreis na het afzetten van een directielid verongelukt. De dochter van de man heeft hem na het ongeval bezocht in het uitvaartcentrum. De dochter heeft door het ongeval materiële en immateriële schade, althans affectieschade, geleden en stelt dat de werkgever van haar vader aansprakelijk is. De dochter voert aan dat sprake is geweest van een nachtdienst en dat nachtdiensten maximaal tien uur mogen duren. Zij stelt dat uit de rittenregistratie van de werkgever blijkt dat niet is voldaan aan de Arbeidstijdenwet. De kantonrechter overweegt dat deze stelling, gelet op de rittenregistratie en het ontbreken van andere aanwijzingen, niet voor de hand ligt. Andere gronden die moeten leiden tot schending van de zorgplicht door de werkgever zijn niet aangevoerd zodat aansprakelijkheid op deze grond moet worden afgewezen. De werkgever heeft een first party-verzekering, een zogeheten Goed Werkgeverschap-verzekering. De dochter voert aan dat het feit dat affectieschade voor nabestaanden niet verzekerd is, ertoe leidt dat de verzekering niet behoorlijk is. De kantonrechter is van oordeel dat affectieschade anders van aard is dan schade bij een ongeval van de werknemer zelf en dat niet kan worden geconcludeerd dat naar maatschappelijke opvattingen dekking voor affectieschade in kwestie inmiddels de norm is geworden. Het enkele feit dat die affectieschade niet gedekt is, rechtvaardigt niet om de verzekering als niet behoorlijk te kwalificeren. Als elk onderdeel van een verzekering als deze wordt beoordeeld los van de verdere inhoud van die verzekering, zou dat al snel leiden tot de conclusie dat elke verzekering die niet voor alle risico’s volledige dekking verleent geen behoorlijke verzekering is. De werkgever is met zijn Goed Werkgeverschap-verzekering dus niet tekortgeschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering. Bij dit oordeel acht de kantonrechter ook van belang dat in dit geval, waar de werkgever ten aanzien van het ongeval geen verwijt treft, de doelen van erkenning en genoegdoening een minder prominente rol spelen. De kantonrechter wijst het verzoek van de dochter af.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 11-08-2026