Naar boven ↑
8.767 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0322

In 2016 heeft op een onbewaakte spoorwegovergang te Winsum een aanrijding tussen een Arriva-trein en een melkwagen plaatsgevonden. De WAM- en cascoverzekeraar van de eigenaar van de melkwagen heeft de schaderegeling met Arriva en haar verzekeraar op zich genomen. De WAM- en cascoverzekeraar heeft ProRail aansprakelijk gesteld voor de schade, zowel voor haar verzekerde als voor Arriva (in subrogatie). De rechtbank heeft ProRail voor 40% van de gevorderde schade aansprakelijk geoordeeld en de eigenaar van de melkwagen en Arriva ieder voor 30%. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank. Het hof overweegt dat het enkele feit dat de spoorwegovergang onbewaakt was niet maakt dat er sprake was van gevaarzetting en daarmee onrechtmatig handelen door ProRail. De voornaamste feitelijke oorzaak van de schade is de gedraging van de chauffeur van de melkwagen, die op een hem bekende overgang, terwijl hij handsfree met een collega-chauffeur aan het bellen was via de telefooninstallatie, tegen de zijkant van de trein van Arriva is aangereden. ProRail heeft echter eerder toegezegd de status van de niet-beveiligde overweg uiterlijk in januari 2016 aan te pakken. Dit weegt mee in de Kelderluik-toets: het verandert als het ware het kantelpunt in de noodzaak en urgentie om maatregelen te nemen. Vertraging door andere partijen levert geen overmacht op. Het hof komt uiteindelijk tot een ander oordeel over de aansprakelijkheid voor de schade. De eigenaar van de melkwagen (en daarmee haar verzekeraar) wordt in dit geval uit oogpunt van causaliteit en billijkheid voor 80% aansprakelijk geacht. ProRail is aansprakelijk voor 20%. Een aansprakelijkheid van ProRail voor de schade van Arriva is niet aan de orde.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 30-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0318

Conclusie advocaat-generaal De Bock. In 2016 heeft een geweldsincident in een ggz-kliniek plaatsgevonden. Een patiënt heeft een werknemer aangevallen met een metalen vork. De werknemer heeft een deelgeschil aanhangig gemaakt. De kantonrechter heeft de gevorderde verklaring voor recht dat de werkgever aansprakelijk is ex artikel 7:658 BW afgewezen. Ook het hof kwam tot de conclusie dat de vorderingen van de werknemer niet toewijsbaar zijn, omdat de zorgplichtschending van de werkgever niet in causaal verband staat tot de ondervonden schade. Volgens het hof is de werkgever ook niet aansprakelijk op grond van artikel 7:611 BW. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk overwogen dat de uit goed werkgeverschap voortvloeiende verzekeringsverplichting beperkt is tot verkeersongevallen, dat een meer algemene verzekeringsplicht in strijd is met de strekking van artikel 7:658 BW, dat het de taak van de wetgever is daarin te voorzien en dat het – mede met het oog op rechtszekerheid en hanteerbaarheid van het recht – de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat hier anders over te oordelen. Het hof ziet geen aanleiding van dit oordeel van de Hoge Raad af te wijken. De werknemer is hiertegen in cassatie gegaan. De advocaat-generaal is van oordeel dat het cassatieberoep kans van slagen heeft. De advocaat-generaal vindt het oordeel van het hof onbegrijpelijk. Het feit dat het ging om een onverwachte en plotselinge aanval maakt volgens de advocaat-generaal niet dat causaal verband dan ontbreekt. De advocaat-generaal gaat ook in op goed werkgeverschap en specifiek de verplichting om een verzekering af te sluiten. De advocaat-generaal overweegt dat de Hoge Raad zou kunnen overwegen of er aanleiding is om het recht op het punt verder te ontwikkelen, dan wel te herhalen dat dit moet worden overgelaten aan de wetgever. Het voordeel van dat laatste zou zijn dat de problematiek van ‘de lappendeken van werkgeversaansprakelijkheid’ opnieuw onder de aandacht van de wetgever wordt gebracht en wellicht door de minister kan worden geagendeerd. Hierbij wordt ook verwezen naar het Afzinkkelder-arrest van de Hoge Raad.
Parket bij de Hoge Raad, 03-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0317

Strafrecht. Beslissing na terugwijzing Hoge Raad. De Hoge Raad ging eerder (PS 2025-0590) in op de vraag of een persoon die een latrelatie met het overleden slachtoffer had kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder b BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een latrelatie stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende mate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW kan worden aangemerkt. Dit oordeel is volgens de Hoge Raad niet toereikend gemotiveerd. In dit geval had het hof aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden – in het bijzonder de onderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en hechtheid van de relatie – in voldoende mate zijn komen vast te staan. Het cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in stand kan blijven. In de omstandigheid dat het hof bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van vergoeding van affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over vergoeding van de schokschade. Na terugverwijzing oordeelt het hof dat sprake is van een langdurige hechte latrelatie, zodat benadeelde partij als naaste wordt aangemerkt (in de zin van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW). Ter onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode van zo’n 3,5 jaar alsmede een aantal foto’s van haar met het slachtoffer overgelegd. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks – al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime – contact tussen de benadeelde en het slachtoffer; zij onderhielden (vrijwel) dagelijks contact met elkaar. Met betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over ten minste een periode van drieënhalf jaar. Voorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], mede namens [naam psychiater], waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 08-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0314

De vrouw heeft voor de eerste keer bloed gedoneerd op de afnamelocatie van Sanquin. Zij is na afloop naar het donorcafé gegaan samen met een vrijwilligster. De vrouw is flauwgevallen op enig moment nadat zij is gaan zitten in het café. Zij is vervolgens met stoel en al omgevallen. Hierbij heeft zij een incomplete dwarslaesie opgelopen. Aan het verzoek heeft de vrouw – samengevat – ten grondslag gelegd dat Sanquin niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, namelijk de plicht om het risico voor donoren zo klein mogelijk te maken. Volgens Sanquin c.s. is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat van Sanquin mag worden verwacht dat zij voldoende toezicht houdt op de donoren nadat de donatie heeft plaatsgevonden en dat zij voldoende maatregelen neemt om ongevallen te voorkomen, ondanks het feit dat het flauwvallen in de donorruimte minder vaak voorkomt dan direct na de donatie en de gevolgen van het flauwvallen over het algemeen niet zo ernstig zijn als in deze zaak. Partijen zijn het erover eens dat de vrijwilligster de taak heeft om ‘op te letten’, maar het is de vraag of dat in voldoende mate is gedaan. Beoordeeld moet worden of Sanquin meer had kunnen en moeten doen dan ze nu gedaan heeft, zodat het ongeval dat heeft plaatsgevonden mogelijk voorkomen had kunnen worden. De rechtbank komt tot het oordeel dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens de vrouw. Zij is aansprakelijk op grond van artikel 6:74 BW, omdat geen sprake is van een behandelrelatie.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 07-07-2026