De motorrijder is op 22 juni 2019 aangereden door de bestuurder van een personenauto. De motorrijder is hierbij ten val gekomen en heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen. Eerder is de motorrijder al een verkeersongeval overkomen op 30 september 2011. Ten aanzien van dit ongeval heeft de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke partij, in 2018 een (slot)uitkering aan de motorrijder betaald van € 300.000. Op 15 oktober 2020 is de motorrijder, als inzittende van een auto, opnieuw een verkeersongeval overkomen. Tussen de motorrijder en de WAM-verzekeraar van de personenauto is een procedure gevoerd over de aansprakelijkheidsvraag met betrekking tot het ongeval. Het hof Den Haag heeft bij arrest van 2 mei 2023 voor recht verklaard dat de bestuurder voor 50% aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en dat de WAM-verzekeraar gehouden is tot vergoeding van 50% van de geleden en nog te lijden schade. Partijen hebben na de uitspraak van het hof afgesproken een neurologische expertise te laten verrichten op basis van de IWMD-vraagstelling. Bij brief heeft de WAM-verzekeraar aan de motorrijder gemeld dat er zwaarwegende bezwaren bestaan tegen het rapport en dat, op basis van de (alsnog aan te leveren) volledige gegevens, de neurologische expertise opnieuw zal moeten worden verricht. Verder neemt de WAM-verzekeraar in deze brief het standpunt in dat zij niet gehouden kan worden tot vergoeding van enig verlies aan verdienvermogen van de motorrijder. Op basis van de wel aan de deskundige voorgelegde informatie is de rechtbank van oordeel dat hij onvoldoende op de situatie vóór het ongeval (wat betreft het al dan niet aanwezig zijn van klachten) is ingegaan. Het voorgaande betekent, anders dan de WAM-verzekeraar stelt, niet dat het rapport van de deskundige tussen partijen niet als bindend kan worden beschouwd. Wel moeten partijen dit nader laten onderzoeken, waarbij dan de eventueel nog ontbrekende stukken moeten worden meegenomen. Of bij de bepaling van het (eventuele) verlies aan verdienvermogen van de motorrijder acht moet worden geslagen op de schadevergoeding die de motorrijder in 2018 van de toenmalige WAM-verzekeraar heeft ontvangen, is afhankelijk van de uitkomst van het nadere onderzoek door partijen. Als uit dat nadere onderzoek blijkt dat de motorrijder voor het ongeval al klachten (en beperkingen) had en dat er toen geen, of verminderd, reëel arbeidsvermogen was, dan is aannemelijk dat de motorrijder dit (in zoverre) ook niet is kwijtgeraakt als gevolg van het ongeval (en heeft hij in dat geval ook geen (extra) schade wegens verlies aan verdienvermogen geleden) of dat er sprake is van mengschade (waarbij de thans aanwezige schade zijn oorzaak heeft in beide ongevallen). Als geen sprake meer was van klachten (en beperkingen) en er wel een (gedeeltelijk) reëel arbeidsvermogen was, dan is het mogelijk dat hij dit door het ongeval is kwijtgeraakt. Dat in de in 2018 betaalde schadevergoeding mogelijk al een verlies aan verdienvermogen was verdisconteerd doet hier niet zonder meer aan af. Een eventueel herstel nadien (in die zin dat motorrijder weer kon werken) maakt dat er, als hij door het ongeval van 2019 niet meer kan werken, een nieuwe schade is ontstaan die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Het voorgaande leidt tot het volgende ten aanzien van de voorliggende verzoeken. De rechtbank ziet geen aanleiding om het rapport terzijde te schuiven voor zover dat rapport betrekking heeft op de situatie van verzoeker na het ongeval, deze heeft te gelden als basis voor de verdere schaderegeling tussen partijen. Dat geldt niet voor zover het rapport ziet op de situatie van verzoeker vóór het ongeval.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 07-05-2026