Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0007

Gelaedeerde was op 18 maart 2023 betrokken bij een vechtpartij in Oostenrijk. Hij heeft daarbij aangezichtsletsel opgelopen. De twee betrokkenen hebben een schikkingsvoorstel van het Landesgericht Innsbruck geaccepteerd. De gelaedeerde heeft daarna een schadebedrag van € 1.500 ontvangen. De gelaedeerde wil nu aanvullende schadevergoeding van de twee betrokkenen krijgen. In deze deelgeschilprocedure verzoekt de gelaedeerde de kantonrechter te bepalen dat de twee betrokkenen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het voorval op 18 maart 2023. Allereerst constateert de kantonrechter dat ingevolge artikel 4 lid 2 Rome II-verordening Nederlands recht van toepassing is. De kantonrechter wijst het verzoek van de gelaedeerde toe. De twee betrokkenen betwisten namelijk niet dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan mishandeling. De vraag of en zo ja, in welke mate, zij voor de aanvullende schadeposten van de gelaedeerde aansprakelijk zijn behoeft echter nader onderzoek. De precieze toedracht van het geweldsdelict is namelijk niet duidelijk. Daarom kan er voor nu ook niet ingegaan worden op het beroep van de twee betrokkenen op eigen schuld aan de kant van de gelaedeerde. Daarvoor leent een deelgeschilprocedure zich niet. De kantonrechter wijst daarom het tegenverzoek van de twee betrokkenen, dat in rechte wordt vastgesteld dat zij niet aansprakelijk zijn voor een schadebedrag dat uitstijgt boven de al betaalde schadevergoeding, af.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 25-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0006

Deze zaak gaat om de vraag of Schiphol als exploitant aansprakelijk is voor de schade die een medewerker van een grondafhandelingsbedrijf als gevolg van de zware werkomstandigheden heeft geleden. De medewerker voert in hoger beroep vijftien grieven aan tegen het bestreden vonnis. In essentie bestrijden deze grieven het oordeel van de kantonrechter dat er geen grondslag bestaat voor aansprakelijkheid van de luchthavenmaatschappij jegens de medewerker en lenen zij zich (grotendeels) voor een gezamenlijke behandeling. Het hof stelt net als de kantonrechter bij zijn beoordeling voorop dat de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden en het toezicht daarop primair ligt bij respectievelijk de werkgever en de arbeidsinspectie. Het hof is verder (met de kantonrechter) van oordeel dat op de luchthavenmaatschappij geen juridische verplichting rust om de arbeidsomstandigheden van de medewerker, of naleving van de Arbo-voorschriften voor het bagage- en vrachtpersoneel in het algemeen, actief te controleren of daarop toe te zien. De medewerker bestrijdt ook het oordeel van de kantonrechter dat van het bewust onrechtmatig profiteren van een wanprestatie van de grondafhandelaren door de luchthavenmaatschappij geen sprake is. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een handelen van de luchthavenmaatschappij met een partij (een grondafhandelaar) die door dit handelen een door hem met zijn contractspartij (de medewerker) gesloten overeenkomst schendt. Het is namelijk niet de luchthavenmaatschappij die een overeenkomst aangaat met de grondafhandelaren, maar dat doen de luchtvaartmaatschappijen zelf. Dat deze overeenkomst op het luchthaventerrein wordt uitgevoerd maakt nog niet dat luchthavenmaatschappij, rechtstreeks dan wel via een tussenpersoon, handelt met de grondafhandelaren en van hun wanprestatie profiteert. Daarnaast slaagt de grief tegen de toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW ook niet. Dit artikel mist in deze zaak toepassing en naar oordeel van het hof kan dit niet analoog worden toegepast op grond van de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast neemt het hof ook geen aansprakelijkheid aan in verband met een gebrekkig wegdek. Tot slot slaagt de grief met betrekking tot wanprestatie niet. De medewerker was werkzaam met een pas van de luchthavenmaatschappij en stelt dat er daarom regels van toepassing waren. Het hof is van oordeel dat de medewerker onvoldoende concreet heeft gesteld welke verbintenissen uit deze regels voortvloeiden en dat de luchthavenmaatschappij hierin tekortgeschoten zou zijn. Alle grieven falen, het hoger beroep faalt.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0005

De man is in 2020 betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Door het ongeval heeft hij lichamelijke en psychische klachten. De psychische klachten hebben zich op enig moment ontwikkeld tot ernstige depressies. Door de klachten lijdt hij schade. Hij was ten tijde van het ongeval werkzaam als vrachtwagenchauffeur en studerend. Het verzoekschrift van de man strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht zal bevelen waarin de verzochte deskundigen tot deskundigen worden benoemd. De verzekeraar verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Het verzoek is prematuur gedaan en daarmee in strijd met de goede procesorde. De verzekeraar heeft een informatieachterstand waardoor niet kan worden beoordeeld of het verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en of het feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Het gaat dan om het huisartsenjournaal over de afgelopen vijf jaar, recente stukken van het UWV, het klachtenbeloop na het ongeval en informatie over alternatieve oorzaken van de klachten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeraar terecht aangevoerd dat de man niet afdoende feitelijke en medische informatie over het klachtenbeloop na mei 2022 aan haar beschikbaar heeft gesteld. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van meerdere (kostbare) deskundigen in dit stadium te prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank in de rede dat eerst de van belang zijnde medische stukken aan de verzekeraar worden verstrekt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 18-04-2025

Rechtspraak

PS 2026-0003

De jongen heeft letsel opgelopen aan zijn linkeroog als gevolg van het afgaan van een zogenoemde ‘party popper’. De klasgenoot had een party popper meegenomen naar het klaslokaal. Na fanatiek geprobeerd de party popper te openen heeft de docent gevraagd deze naast hem neer te leggen. Nadat de klasgenoot de party popper op de tafel heeft neergelegd is deze afgegaan, waarna de jongen is geraakt in zijn linkeroog. Op de party popper staat vermeld deze niet te richten op onder andere mensen. De jongen heeft de klasgenoot aansprakelijk gesteld. De vraag of de klasgenoot in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het opendraaien van een party popper is op zichzelf niet onrechtmatig. Uit het toedrachtonderzoek kan worden afgeleid dat de docent op enig moment aan de klasgenoot heeft gevraagd om de party popper weg te leggen en gebleken is dat de klasgenoot hier gehoor aan heeft gegeven. Uit de weergave van de getuigenverklaring van de docent kan worden opgemaakt dat de party popper bij of tijdens het wegleggen onverwacht alsnog is afgegaan. Daargelaten het antwoord op de vraag of klasgenoot de party popper nog een beetje schuin in de hand had of al links voor hem op tafel had weggelegd, kan uit geen van de verklaringen worden afgeleid dat de klasgenoot de party popper op de jongen had gericht. De rechtbank is van oordeel dat de klasgenoot er geen rekening mee hoefde te houden dat de party popper tijdens het wegleggen alsnog zou afgaan. Ook hoefde hij er bij dat wegleggen niet op bedacht te zijn dat de jongen daardoor oogletsel zou oplopen. De papieren snippers confetti komen weliswaar met kracht uit de party popper, maar de mate van waarschijnlijkheid van ernstig oogletsel was niet dermate groot, dat de klasgenoot zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van die gedraging had moeten onthouden. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank niet tot het oordeel kan komen dat de klasgenoot met zijn gedragingen onrechtmatig heeft gehandeld.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 04-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0002

Deze zaak gaat over de vraag welke schade de man heeft geleden als gevolg van een medische fout van het ziekenhuis. In 2006 heeft de man zich met een mes gesneden in de tweede en derde vinger van zijn linkerhand. Bij de behandeling op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis is diep buigpeesletsel aan deze vingers over het hoofd gezien. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid voor deze medische fout erkend en de verzekeraar van het ziekenhuis heeft een bedrag van in totaal € 20.000 aan de man uitgekeerd. Volgens de man is daarmee niet zijn volledige schade vergoed. Hij stelt zich op het standpunt dat hij door het medisch onzorgvuldig handelen van het ziekenhuis zodanige fysieke beperkingen heeft dat hij geen betaalde baan heeft kunnen krijgen. Daarnaast stelt de man zich op het standpunt dat hij psychische klachten heeft opgelopen als gevolg van de moeizame schadeafwikkeling. Volgens de man belemmeren ook deze klachten hem in zijn herstel en het bekleden van een betaalde functie. Hij vordert kort gezegd dat de rechtbank voor recht verklaart dat een causaal verband bestaat tussen de medische fout van het ziekenhuis en de schade. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat door de medische fout de man geen werkzaamheden kan verrichten. De reden waarom de man niet kan werken is volgens de rechtbank gebaseerd op andere omstandigheden die losstaan van de medische fout. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de psychische klachten ontstaan zijn door de medische fout. Tot slot oordeelt de rechtbank ook dat er geen sprake is van secundaire victimisatie. De vorderingen van de man worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 10-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0001

Deelgeschil. Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een fietser en een scooter. De verzekeraar van de scooterrijder heeft laten weten 50% aansprakelijk te zijn voor de schade die is geleden als gevolg van de aanrijding. De fietser verzoekt de rechtbank om te verklaren dat de verzekeraar 100% van de schade dient te vergoeden. De fietser stelt dat hij geen voorrang behoefde te verlenen aan de scooter, ondanks de haaientanden en het voorrangsbord. Dit omdat er geen verkeer aan kwam. De scooterrijder zou volgens de fietser (dus) veel te hard hebben gereden. De verzekeraar van de scooterrijder is in beginsel op grond van artikel 165 WVW aansprakelijk, maar gekeken moet worden of deze aansprakelijkheid kan worden verminderd wegens eigen schuld aan de kant van de fietser. De rechtbank is van oordeel dat de fietser voorrang had moeten verlenen en dat dit moet worden aangemerkt als een ernstige verkeersfout. De rechtbank oordeelt tevens dat er geen objectieve aanknopingspunten zijn gesteld om aan te nemen dat de scooterbestuurder te hard zou hebben gereden, dat de scooterbestuurder uit een zijstraat zou zijn gekomen waardoor hij niet zichtbaar was voor fietser of dat de remmen van de scooter van de scooterbestuurder niet goed zouden hebben gewerkt. De scooterbestuurder kan hoogstens worden verweten dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de fietser een verkeersfout zou maken. De verplichting van de fietser om voorrang te verlenen, weegt in de causale verdeling echter zwaarder dan hetgeen de scooterbestuurder verweten kan worden. De bijdrage van de fietser aan het ongeval is daarom aanzienlijk groter, zodat de schadevergoedingsplicht van de verzekeraar niet hoger is dan 50%.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30-10-2025

Rechtspraak

PS 2025-0654

Strafrecht. Verdachte wordt schuldig bevonden van tweemaal verkrachting, ontucht met personen beneden 16 jaar (meermaals gepleegd) en een poging daartoe, kinderpornografie vervaardigen en in bezit hebben, wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging tot afpersing/diefstal met geweld en diefstal. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat een van de slachtoffers die zich als benadeelde partij heeft gevoegd immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Er is sprake geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving, verkrachting en poging tot afpersing/diefstal met geweld. De destijds minderjarige benadeelde werd gedwongen tot het verrichten van onbeschermde seksuele handelingen bij een willekeurig persoon. Ook werd zij hiervoor geconfronteerd met ernstig geweld. Dit alles gebeurde middenin de nacht op een desolate plek. Vanwege posttraumatische stressklachten heeft benadeelde een traumabehandeling gevolgd, die in eerste instantie na vijf maanden werd afgerond wegens de afname van klachten. Echter door een terugval in klachten is benadeelde hierna opnieuw aangemeld bij een psycholoog en zijn de therapieën en gesprekken weer hervat. Voor de bepaling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij vergelijkbare uitspraken in soortgelijke zaken en bij de zogenoemde Rotterdamse Schaal waarin smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen zijn geordend. De rechtbank acht de toewijzing van een bedrag van € 20.000 redelijk en billijk. Het overige gevorderde immateriële bedrag wordt afgewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 17-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0653

Een minderjarige jongen heeft een bedrag van € 56.250 ontvangen als schadevergoeding van het Erasmus MC met een BEM-clausule. De ouders van de minderjarige vragen de kantonrechter om een machtiging te verlenen om het volledige saldo van de bankrekening van betrokkene te mogen lenen en dit geld te gebruiken als lening voor de financiering van twee winkels en drie woningen. De ouders stellen dat zij succesvolle ondernemers zijn en dat de aankoop van de panden – die is inmiddels is gedaan – hun volgende project is. Zij menen dat het investeren van het vermogen van de minderjarige in deze panden een veel hoger rendement gaat opleveren dan het geld op de bank, vanwege de huurinkomsten enerzijds en de te verwachten waardestijging van de panden anderzijds. De kantonrechter is van oordeel dat het risico dat de minderjarige zijn investering kwijtraakt als het financieel niet goed gaat met de ouders, onvoldoende is afgedekt. Er is te weinig informatie verstrekt om voldoende inzicht te krijgen in de verplichtingen en inkomsten van de holding, maar uit wat vader heeft verklaard blijkt dat de holding het geld van de minderjarige nodig heeft om haar financiële verplichtingen na te komen in verband met de financiering van de panden. De ouders hebben het geld van de minderjarige nodig om een deel van de lening die zij hebben afgesloten om de panden aan te kopen te kunnen aflossen. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de holding een liquiditeitstekort heeft, aangezien de holding de verplichtingen kennelijk niet kan nakomen met haar eigen kasstromen. Er is dus een risico op default (wanprestatie) door de holding jegens de financier van de panden. Na default dreigt opeising van de financiering en vervolgens uitwinning (gedwongen verkoop). Bij gedwongen verkoop verhalen de (eerste) hypotheekhouders zich als eerste op de opbrengst. Hiernaast is er ook een risico dat als de (ondernemingen van de) ouders zouden failleren, hun inkomsten kunnen opdrogen, in welke situatie wederom sprake zou kunnen zijn van default. Ook in deze situatie zal naar verwachting sprake zijn van uitwinning door de financiers. De minderjarige heeft geen hypotheek, maar een simpel ‘leencontract’, waardoor voornoemde risico’s voor de minderjarige naar het oordeel van de kantonrechter te groot zijn. Dit maakt dat het niet in zijn belang is om de machtiging te verlenen. Een en ander zou mogelijk anders kunnen liggen als de minderjarige een recht van eerste hypotheek op de panden zou verkrijgen, maar dat is nu niet aan de orde. Daarmee zouden overigens de andere financiers ook akkoord moeten gaan.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 04-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0652

In 2024 heeft de moeder van de eisende partij de auto van de eisende partij geleend, waarna een aanrijding met een bestelbus heeft plaatsgevonden. Volgens de eisende partij heeft de WAM-verzekeraar ten onrechte de aansprakelijkheid erkend en de schade aan de wederpartij vergoed. Volgens de eisende partij is niet zij, maar de wederpartij aansprakelijk voor de aanrijding. Daarnaast stelt zij dat de door de wederpartij geclaimde schade geen verband houdt met de aanrijding. Zij verwijst daarbij naar een verklaring van haar garagemonteur en de uitlating van de wederpartij zelf dat hij kort voor deze aanrijding ook al een aanrijding heeft gehad. De eisende partij is niet in de gelegenheid gesteld een contra-expertise uit te voeren zodat haar de kans op het leveren van tegenbewijs is ontnomen en haar rechtspositie is geschaad. Om die reden kan de omvang van de schade zoals gesteld door de WAM-verzekeraar volgens haar niet als vaststaand worden aangenomen en daarom niet via premieverhoging op haar worden verhaald. De rechtbank overweegt dat een WAM-verzekeraar op grond van artikel 6 WAM de schade zelfstandig en actief met de wederpartij moet regelen. De verzekeraar heeft daarbij een behoorlijke mate van vrijheid om de schade te regelen. De WAM-verzekeraar heeft op basis van het schadeaangifteformulier (SAF) de aansprakelijkheid erkend. Een door beide partijen ondertekend SAF levert grond van artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op, wat betekent dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens op het formulier. Tegen dit dwingend bewijs staat tegenbewijs open. De moeder van de eisende partij heeft op het door haar ondertekende SAF zelf een verklaring geschreven bij de vraag ‘wie is naar uw mening aansprakelijk’. Met die verklaring geeft zij aan dat zij meent zelf aansprakelijk te zijn voor de aanrijding. Met de daarna door de eisende partij ingenomen, gewijzigde stelling dat haar moeder nog voor de haaientanden stilstond en dat de wederpartij de bocht met flinke snelheid te kort nam, heeft de eisende partij haar eerdere verklaring getracht te nuanceren, maar niet het tegenbewijs geleverd tegen het dwingend bewijs van de waarheid van de eerdere, ondertekende verklaring op het SAF. Onderbouwing voor de gewijzigde toedracht ontbreekt. De WAM-verzekeraar heeft dan ook terecht en op juiste gronden aansprakelijkheid van de eisende partij jegens de wederpartij erkend. De WAM-verzekeraar heeft de schadevergoeding gebaseerd op een expertiserapport. Over het expertiserapport moet vooropgesteld worden dat een verzekeraar in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de bevindingen van een expert, tenzij blijkt dat de inhoud van het rapport evident onjuist is. De verklaring van de automonteur en de verder niet onderbouwde stelling dat de bestelbus van de wederpartij al oude schade had, zijn onvoldoende om aan te nemen dat het aangeleverde expertiserapport evident onjuist is. Het ging in casu om de schadevaststelling aan de bestelbus en niet de auto van de eisende partij zelf. Uit de verzekeringsvoorwaarden volgt in dat geval geen verplichting voor de WAM-verzekeraar tot het aanbieden van een contra-expertise. Evenmin volgt een verplichting daartoe uit artikel 7:959 lid 1 BW, waarin staat dat de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, ten laste van de verzekeraar komen. De vorderingen van de eisende partij worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 15-10-2025