Strafrecht. In de avond van 22 mei 2022 hebben de verdachte en zijn mededader zich schuldig gemaakt aan de koelbloedige moord op het slachtoffer. In het strafproces hebben de moeder, de vriendin, de twee zonen en een familievriend zich gevoegd als benadeelde partij. De moeder vordert naast de materiële schade een bedrag van € 87.500 aan immateriële schade, bestaande uit € 17.500 aan affectieschade en € 70.000 aan shockschade. Het hof kent het bedrag aan affectieschade toe en oordeelt over de shockschade dat deze naar maatstaven zich leent voor toewijzing van een bedrag van € 35.000. De moeder is enkele minuten na het incident op het plaats delict geweest en is geconfronteerd met de schoenen van haar zoon, vervolgens wilde de moeder naar de zoon toe maar werd daarin tegengehouden. Bij haar heeft dit geleid tot een emotionele shock en na de gebeurtenis is er bij de moeder PTSS vastgesteld. De vriendin van het slachtoffer vordert € 55.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000,aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De vriendin kan volgens het hof niet als levensgezel worden gezien maar er kan wel worden vastgesteld dat zij een hechte latrelatie hadden, zij droegen samen de zorg voor hun zoon en de vriendin was ten tijde van het overlijden ook in verwachting van hun tweede zoon. De vriendin kan worden aangemerkt als slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW en het hof acht een bedrag van € 17.500 toewijsbaar. Met betrekking tot de gevorderde shockschade overweegt het hof dat uit het dossier en de door de benadeelde partij overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is geweest van een (directe) confrontatie met de gevolgen van het bewezen verklaarde, het hof verklaart dit deel niet-ontvankelijk. De zoon van het slachtoffer vordert € 80.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade, € 30.000 aan shockschade en € 30.000 wegens aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof acht het gevorderde bedrag aan affectieschade toewijsbaar en verklaart de zoon niet-ontvankelijk in het deel van de vordering die ziet op de shockschade. Omtrent de aantasting in de persoon op andere wijze oordeelt het hof dat deze behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De vorderingen van de andere zoon worden op dezelfde manier afgedaan. Tot slot heeft een familievriend zich gevoegd en vordert, naast de materiële schade, een bedrag van € 25.000,- aan shockschade. Het hof verklaart de familievriend in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2025