Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0027

Deelgeschil. De verzoekende partij stelt dat zij schade heeft geleden door het handelen van de verwerende partij. De verwerende partij is door de strafrechter in 2021 veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur omdat hij met de verzoekende partij handelingen heeft gepleegd die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij wist dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Aan materiële schadevergoeding heeft de verzoekende partij in de strafzaak € 66.715 gevorderd, bestaande uit verlies nettoresultaat als zelfstandig schilder en eigen risico ziektekosten. Aan immateriële schadevergoeding heeft de verzoekende partij € 7.000 gevorderd in de strafzaak. De strafrechter heeft een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verwerende partij. De rechtbank heeft de immateriële schadevergoeding daarbij begroot op € 5.000 en de materiële schadevergoeding op € 6.722. Voor het overige is de verzoekende partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering omdat een nadere berekening van de als gevolg van het strafbare feit gederfde inkomsten een onevenredige belasting van het strafgeding vormde. Daarbij heeft de strafrechter overwogen dat de verzoekende partij dat deel van haar vordering kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De verwerende partij heeft geen hoger beroep aangetekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan het geschilpunt tussen partijen over de aansprakelijkheid in dit deelgeschil worden beslecht. Een oordeel hierover kan bijdragen aan het vlot trekken van de onderhandelingen die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De zaak is daarmee geschikt voor behandeling als deelgeschil. De rechtbank overweegt dat met het strafvonnis dwingend bewijs is geleverd dat de verwerende partij zich aan de seksuele handelingen schuldig heeft gemaakt. Met de seksuele handelingen heeft hij inbreuk gemaakt op een recht van de verzoekende partij als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW en hij heeft daarom jegens haar onrechtmatig gehandeld. Hij is daarmee aansprakelijk voor de schade als gevolg van die handelingen. De verwerende partij heeft aansprakelijkheid betwist voor wat betreft de gestelde (medische) gevolgen en gestelde (psychische) schade van de verzoekende partij, met name het door haar gestelde verlies aan verdienvermogen. Dit verweer ziet niet op de onrechtmatigheid van de door hem verrichte handelingen, maar op het ontbreken van causaal verband tussen zijn onrechtmatig handelen en de klachten van de verzoekende partij, haar schade en de gestelde hoogte van haar schade. De rechtbank acht voorshands voldoende aannemelijk dat de verzoekende partij schade heeft geleden als gevolg van de seksuele handelingen, waarvoor de verwerende partij door de strafrechter is veroordeeld. In welke mate de verzoekende partij schade heeft geleden, kan in dit deelgeschil niet worden vastgesteld.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 27-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0026

Een stel ouders zijn gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire. Bij vonnis heeft de rechtbank eerder voor recht verklaard dat de Staat jegens de ouders aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen met betrekking tot de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011, bestaande uit het op nihil stellen van het recht op kinderopvangtoeslag, het terugvorderen van uitbetaalde voorschotten en de op grond daarvan genomen invorderingsmaatregelen. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen hebben de ouders een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 113.076. In 2024 heeft de advocaat van de ouders de Staat ook namens de kinderen van de ouders aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van door de Staat genomen besluiten. De ouders stellen zich op het standpunt dat zij en hun kinderen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend hebben gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek een psychiater te benoemen voor het verrichten van een onderzoek. De rechtbank beveelt een psychiatrisch onderzoek. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de ouders en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken van de ouders en de kinderen ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen. De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0025

Een moeder, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 93.891. De vrouw stelt dat zij en haar kinderen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend heeft gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen. De Staat erkent aansprakelijkheid voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend maar betwist de aansprakelijkheid jegens de kinderen. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek een psychiater te benoemen voor het verrichten van een onderzoek. De rechtbank beveelt een psychiatrisch onderzoek. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de moeder en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken van de moeder en de kinderen ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen. De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0024

Een moeder, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, heeft samen met haar broer (voormalige toeslagpartner) en haar dochter de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij zouden hebben geleden. De moeder heeft al op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 55.319. Bij brief heeft de Staat aansprakelijkheid erkend voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend in de integrale beoordeling. Aansprakelijkheid jegens het kind wordt nog betwist. De moeder, broer en dochter stellen dat zij als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend hebben gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen. De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het psychiatrisch onderzoek. De rechtbank wijst een psychiatrisch onderzoek toe. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de moeder en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen. De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0023

Een werknemer is in 2018 een bedrijfsongeval overkomen. De werkgever heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. In deze procedure vordert de werknemer vergoeding van zijn schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het ongeval. De werknemer stelt dat hij door het bedrijfsongeval niet meer kan werken. Hij ontvangt een WIA-uitkering en stelt dat de werkgever aansprakelijk is voor het verlies aan verdienvermogen. Daarnaast stelt hij dat hij intensief verzorgd moet worden door familie en daarvoor kosten moet maken. De kantonrechter wijst de vordering af. De kantonrechter overweegt dat de vraag of de na het ongeval opgetreden medische klachten het gevolg zijn van het ongeval alleen kan worden beantwoord na onderzoek door een of meer medische deskundigen. In het licht van het gemotiveerde verweer van de werkgever had het op de weg gelegen van de man om zijn stellingen gemotiveerd te onderbouwen. Dit heeft hij onvoldoende gedaan. De werknemer was als sinds het medisch advies van 21 mei 2021 op de hoogte van de vragen die de werkgever had over de oorzaak van de medische klachten. Tot op heden heeft hij nagelaten de gevraagde informatie te overleggen, terwijl hij daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Dat betekent dat hij niet zal worden toegelaten om de gevraagde stukken alsnog te overleggen. Nu de gevraagde stukken ontbreken kan niet worden beoordeeld of de gestelde medische klachten zijn veroorzaakt door het ongeval. Een causaal verband tussen de gestelde schade en het ongeval komt daarom niet vast te staan.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 23-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0022

Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlemmermeer), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0021

Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlemmermeer), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0020

Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlemmermeer), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0019

Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk.
Rechtbank Noord-Holland, 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0018

Strafrecht. In de avond van 22 mei 2022 hebben de verdachte en zijn mededader zich schuldig gemaakt aan de koelbloedige moord op het slachtoffer. In het strafproces hebben de moeder, de vriendin, de twee zonen en een familievriend zich gevoegd als benadeelde partij. De moeder vordert naast de materiële schade een bedrag van € 87.500 aan immateriële schade, bestaande uit € 17.500 aan affectieschade en € 70.000 aan shockschade. Het hof kent het bedrag aan affectieschade toe en oordeelt over de shockschade dat deze naar maatstaven zich leent voor toewijzing van een bedrag van € 35.000. De moeder is enkele minuten na het incident op het plaats delict geweest en is geconfronteerd met de schoenen van haar zoon, vervolgens wilde de moeder naar de zoon toe maar werd daarin tegengehouden. Bij haar heeft dit geleid tot een emotionele shock en na de gebeurtenis is er bij de moeder PTSS vastgesteld. De vriendin van het slachtoffer vordert € 55.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000,aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De vriendin kan volgens het hof niet als levensgezel worden gezien maar er kan wel worden vastgesteld dat zij een hechte latrelatie hadden, zij droegen samen de zorg voor hun zoon en de vriendin was ten tijde van het overlijden ook in verwachting van hun tweede zoon. De vriendin kan worden aangemerkt als slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW en het hof acht een bedrag van € 17.500 toewijsbaar. Met betrekking tot de gevorderde shockschade overweegt het hof dat uit het dossier en de door de benadeelde partij overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is geweest van een (directe) confrontatie met de gevolgen van het bewezen verklaarde, het hof verklaart dit deel niet-ontvankelijk. De zoon van het slachtoffer vordert € 80.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade, € 30.000 aan shockschade en € 30.000 wegens aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof acht het gevorderde bedrag aan affectieschade toewijsbaar en verklaart de zoon niet-ontvankelijk in het deel van de vordering die ziet op de shockschade. Omtrent de aantasting in de persoon op andere wijze oordeelt het hof dat deze behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De vorderingen van de andere zoon worden op dezelfde manier afgedaan. Tot slot heeft een familievriend zich gevoegd en vordert, naast de materiële schade, een bedrag van € 25.000,- aan shockschade. Het hof verklaart de familievriend in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2025