Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0035

Het geschil gaat over de afwikkeling van schade van een verkeersongeval dat de man in 2008 is overkomen met zijn auto in Polen. De oplegger van een trekker-opleggercombinatie is op (onder andere) de auto van de man terechtgekomen waardoor hij tegen een andere auto is aangebotst. De man woonde ten tijde van het ongeval in Tsjechië. De WAM-verzekeraar van de bestuurder van de trekker-opleggercombinatie, die het ongeval heeft veroorzaakt, heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat het Pools recht van toepassing is op de vorderingen van de man. De rechtbank heeft de vorderingen van de man vervolgens afgewezen omdat de vorderingen naar Pools recht zijn verjaard. De man gaat hiertegen in hoger beroep. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat in dit geval een verjaringstermijn van drie jaar geldt vanaf het moment waarop de man bekend was met de aansprakelijke persoon en de schade. De conclusie luidt dat niet is gebleken van eerdere stuitingshandelingen dan de telefonische mededeling van de man aan de verzekeraar op 2 januari 2012 dat hij een claim zal indienen. De vraag of de man de verjaring daarmee heeft gestuit voor het verstrijken van de termijn van drie jaar, hangt af van het aanvangsmoment van de verjaring waarover het hof na uitlating van partijen verder zal oordelen. Het hof stelt vast dat, uitgaande van het door de verzekeraar gestelde aanvangsmoment, in welk geval de stuiting op 2 januari 2012 ongeveer een half jaar na het verstrijken van de verjaringstermijn heeft plaatsgevonden, er sprake is van een geringe overschrijding van de verjaringstermijn. De man heeft het standpunt ingenomen dat het beroep op verjaring van de verzekeraar in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat de verzekeraar haar recht heeft verwerkt om een beroep op verjaring te mogen doen. In de door beide partijen overgelegde legal opinions is niet ingegaan op de vraag of er naar Pools recht een wettelijke grondslag is om het beroep op verjaring te passeren. Het hof verzoekt partijen om met legal opinions hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de geschetste omstandigheden te (laten) betrekken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van de verzekeraar, gevolgd door een antwoordakte aan de zijde van de man.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-04-2025

Rechtspraak

PS 2026-0033

Deelgeschil. Er heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een scooterrijder en een automobilist. De scooterrijder heeft daarbij letsel aan zijn duim, been, enkel en voet opgelopen. Volgens de scooterrijder is de automobilist aansprakelijk voor het ongeval. Hij reed met een snelheid van ongeveer 15 km per uur rechtdoor op zijn scooter en was voornemens om linksaf het fietspad op te rijden. Voordat hij dit kon doen belandde de automobilist – die vanuit de scooterrijder gezien van rechts kwam – met haar auto op zijn weghelft doordat zij de bocht naar links afsneed. Volgens de automobilist zag de scooterrijder haar niet en is de scooterrijder daarom, met hoge snelheid, tegen haar auto aangereden. De verzekeraar van de automobilist heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De rechtbank stelt vast dat niet is aangetoond dat de automobilist tijdens het nemen van de bocht op de weghelft van de scooterrijder terecht is gekomen. Er was volgens de rechtbank voldoende ruimte voor de scooterrijder om de automobilist te laten passeren en vervolgens zijn eigen weg te vervolgen. Daarnaast acht de rechtbank het scenario dat de scooterrijder te hard heeft gereden en daarom de automobilist niet heeft gezien aannemelijk. Indien de scooterrijder– zoals hij op het aanrijdingsformulier en ter zitting heeft verklaard – maximaal 15 km per uur reed, dan had hij er ongeveer 10 seconden over gedaan om de plek van de aanrijding te bereiken. De rechtbank overweegt dat de automobilist de bocht in dat scenario dan al ruim door zou zijn voordat de scooterrijder daar aan zou zijn gekomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat hij een stuk harder moet hebben gereden dan 15 km per uur. De rechtbank wijst het verzoek van de scooterrijder af en neemt geen aansprakelijkheid van de automobilist aan.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 24-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0031

Op een gelijkwaardige kruising zijn de automobilist en de bromfietser met elkaar in botsing gekomen. De bromfietser kwam voor de automobilist van rechts. De bromfietser had daar echter niet in die richting mogen rijden op zijn bromfiets. De straat is een eenrichtingsweg. Daarop mag niet in zuidelijke richting worden gereden, behalve door fietsers. De automobilist heeft pijnklachten in de nek aan het ongeval overgehouden. De WAM-verzekeraar van de bromfietser heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Buiten rechte hebben partijen onderhandeld over de vraag of de automobilist eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Daarover kon geen overeenstemming worden bereikt, de automobilist eist daarom in deze zaak volledige aansprakelijkheid aan de kant van de bromfietser. Van de uitzonderingen uit artikel 15 lid 2 RVV 1990 is in deze zaak geen sprake. Omdat de bromfietser van rechts kwam had de automobilist hem de ruimte moeten laten om voorlangs te rijden. Uit de bewegende beelden van de aanrijding volgt dat de automobilist dat niet heeft gedaan. Hij is te ver de kruising opgereden. Dat de bromfietser niet uit die richting mocht komen doet er niet aan af dat de automobilist hem voorrang had moeten verlenen. Dit volgt uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1384, waarin eigen schuld werd aangenomen van een bestuurder die geen voorrang verleende aan een bestelbus die in de verboden rijrichting reed. De schade van de automobilist is het gevolg van drie verkeersfouten, waarvan er twee aan de bromfietser zijn toe te rekenen en een aan de automobilist. Evenredige vermindering van de vergoedingsplicht brengt dan mee dat deze tot twee derde wordt verminderd, echter acht de kantonrechter door de ernst van de fouten van de bromfietser een vergoedingsplicht van drie vierde billijk. De kantonrechter oordeelt dat de bromfietser en zijn WAM-verzekeraar aansprakelijk zijn en dat zij 75% van de schade moeten vergoeden.
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 03-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0030

In 2023 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden als gevolg waarvan een man is overleden. De dochter van de overleden man heeft een aansprakelijkstelling gezonden aan de verzekeraars van de bij het verkeersongeval betrokken twee voertuigen. De regelende verzekeraar heeft laten weten dat zij bereid is om de affectieschade aan de nabestaanden te betalen. Hierbij heeft de regelende verzekeraar verzocht om de complete bankgegevens en een kopie van de bankpassen van de rekeningen van de nabestaanden. Het schadebureau heeft laten weten dat de regelende verzekeraar conform de Gedragscode de uitkeringen kan overboeken naar de derdenrekening van het schadebureau. Het schadebureau vordert nu op grond van artikel 7:954 lid 1 BW betaling door de verzekeraar. De verzekeraar heeft erkend dat de dochter aanspraak heeft op een vergoeding wegens affectieschade van € 15.000. De dochter heeft haar aanspraak gecedeerd aan het schadebureau. De verzekeraar voert aan dat zij het bedrag niet wil betalen aan het schadebureau omdat zij zich afvraagt of het bedrag dan ook echt bij de dochter terechtkomt. Zij wijst erop dat zij het recht van de dochter al geruime tijd geleden (al voor de ontvangst van de akte van cessie) heeft erkend. Als de verzekeraar de door haar gevraagde gegevens omtrent de bankrekening van de dochter had ontvangen, dan had zij de vergoeding al aan de dochter betaald. Omdat de verzekeraar steeds heeft willen betalen, is er geen goede reden voor de cessie. De verzekeraar heeft ook twijfels over de akte van cessie; zij wijst erop dat deze geen titel of koopprijs bevat en dat de handtekening van de dochter op die akte er anders uitziet dan haar handtekening op haar identiteitsbewijs. Ook vraagt het schadebureau de verzekeraar te betalen op een rekening die geen derdengeldenrekening is. De kantonrechter overweegt dat het schadebureau voldoende heeft onderbouwd dat de dochter haar rechten aan het bureau heeft gecedeerd. De overige door de verzekeraar genoemde omstandigheden, kunnen wellicht leiden tot vragen over nut en noodzaak van deze cessie maar staan er niet aan in de weg dat sprake is van een rechtsgeldige akte van cessie en is voldaan aan het eerste vereiste van artikel 3:94 BW. Met de door het bureau voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geding gebrachte stukken is vast komen te staan dat aan beide vereisten van artikel 3:94 BW is voldaan (akte van cessie en mededeling) en er een rechtsgeldige overdracht van de vordering van dochter op de verzekeraar heeft plaatsgevonden aan het schadebureau. Het gevolg daarvan is dat de verzekeraar aan het schadebureau een bedrag van € 15.000 dient te betalen zijnde de aan de dochter toekomende vergoeding wegens affectieschade.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0029

Kort geding. In augustus 2019 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een motorfiets en een personenauto. De motorrijder heeft als gevolg van de aanrijding letsel aan zijn rechterarm opgelopen. Hij is meer dan twintig keer geopereerd, maar zijn rechterarm/hand functioneert tot op heden niet volledig. Voor het ongeval was hij APK-keurmeester en eigenaar van een garage. Sinds 3 augustus 2015 had hij een eenmanszaak. Hij handelde in tweedehands (schade)voertuigen, waarbij zijn verdienmodel erop was gericht om schadevoertuigen in te kopen om die na reparatie (die hij zelf uitvoerde) met winst te verkopen. Na het ongeval heeft hij niet meer voor zijn eigen onderneming kunnen werken. In november 2019 is de onderneming opgeheven. De man heeft de WAM-verzekeraar van de personenauto aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade. In 2023 heeft de rechtbank een beschikking gewezen in de deelgeschilprocedure. Hierin is geoordeeld dat de motorrijder voor 75% aansprakelijk is voor het ongeval en dat de WAM-verzekeraar op haar beurt 25% aansprakelijk is voor het ongeval. Na de beschikking hebben partijen geprobeerd om de kwestie in der minne te regelen. In februari 2024 is door de WAM-verzekeraar een voorschot van € 10.000 aan de motorrijder ter beschikking gesteld. Er is daarna nog gecorrespondeerd over aanvullende voorschotten, een huisbezoek en een minnelijke regeling. Een nader voorschot en/of een toezegging over het betalen van het volledige bedrag voor een nadere expertise van de WAM-verzekeraar bleven uit, waardoor de motorrijder een kort geding is gestart. Voor de zitting heeft de WAM-verzekeraar vervolgens alsnog een voorschot van € 20.000 aan de motorrijder toegekend. In de periode daarna hebben partijen wederom getracht een schikking te bereiken en is ook een concreet voorstel besproken, maar de WAM-verzekeraar is uiteindelijk niet akkoord gegaan. De motorrijder heeft een bodemprocedure tegen de WAM-verzekeraar aanhangig gemaakt. Daarin heeft hij onder andere gevorderd dat aan hem verlof wordt verleend om in hoger beroep te gaan tegen de deelgeschilbeschikking. Dit is toegestaan en de bodemprocedure in afwachting daarvan is verwezen naar de parkeerrol. In de tussentijd heeft de motorrijder bij verzoekschrift aan de rechtbank Den Haag verzocht om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. In die zaak vond in december 2025 een mondelinge behandeling plaats. Verder is de motorrijder dit kort geding gestart waarin hij een aanvullend voorschot vordert. Om de zaak uit de impasse waarin deze zich bevindt te halen, zal de voorzieningenrechter een voorschot van € 20.000 aan de motorrijder toewijzen waarbij de motorrijder geacht wordt vooralsnog (minimaal) € 10.000 beschikbaar te houden om zo nodig bij te dragen aan de kosten van een nadere (medische) expertise, waar hij in de verzoekschriftprocedure bij deze rechtbank zelf ook om verzoekt, om zijn schade nader in kaart te brengen en ter bevordering van afwikkeling van de letselschadezaak. De voorzieningenrechter kan dit uiteraard niet bindend aan de motorrijder opleggen maar geeft het mee als een klemmend advies teneinde eraan bij te dragen dat de schaderegeling nu op afzienbare termijn gestalte kan krijgen. De voorzieningenrechter acht, op basis van het vooralsnog geldende uitgangspunt dat de WAM-verzekeraar voor 25% aansprakelijk is, in dit kader voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de totale schade meer beloopt dan het straks in totaal door de WAM-verzekeraar betaalde bedrag aan voorschotten. Het door de WAM-verzekeraar aangevoerde restitutierisico acht de voorzieningenrechter – bij deze stand van zaken – dan ook verwaarloosbaar.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0028

Deelgeschil. Een vrouw is in 2023 op een industrieterrein rijdend op haar fiets in botsing gekomen met een vrachtwagen. De vrouw heeft als gevolg van het ongeval zwaar letsel aan haar linkerbeen opgelopen, namelijk drie complexe beenbeuken, die gepaard gingen met grote wonden. De vrouw vraagt in dit deelgeschil onder andere om voor recht te verklaren dat de WAM-verzekeraar van de vrachtwagen aansprakelijk is voor haar schade als gevolg van het ongeval. De WAM-verzekeraar doet een beroep op overmacht. De rechtbank overweegt dat het heel verdrietig is dat het ongeval de vrouw is overkomen. Zij stond samen met haar echtgenoot en kinderen aan de vooravond van een nieuwe toekomst. Ze waren op weg naar de Gamma om vloerbedekking uit te zoeken voor hun nieuwe woning. Het ongeval had nog slechter kunnen aflopen en is dat gelukkig niet gebeurd maar door het ongeval moeten zij hun toekomst nu heel anders tegemoetzien. De verzoeken van de vrouw moeten echter worden afgewezen. De vrachtwagenchauffeur kan namelijk geen enkel verwijt van het ongeval worden gemaakt. De rechtbank volgt de verkeersongevallendeskundige dat de chauffeur ervan uit mocht gaan dat hij in principe voorrang zou gaan krijgen van de naderende fietsers en dat er op ongeveer 2,9 seconden vóór het botsmoment geen ongevalsdreiging was. In die situatie was het zo onwaarschijnlijk dat de vrouw niet op tijd zou remmen dat de chauffeur bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Hij hoefde er daarom niet op te anticiperen dat de vrouw niet (op tijd) kon remmen, of met de mogelijkheid rekening te houden dat zij niet tijdig zou remmen. Bovendien kon de chauffeur, zoals uit de ongevallenanalyse blijkt, toen al niet meer met het front van de trekker tot stilstand komen vóór de botsplaats. Immers, als hij eerder was gaan remmen dan zou zij tegen een ander deel van de vrachtwagenflank zijn gebotst. De rechtbank laat in het midden of de vrouw niet adequaat heeft geremd doordat de rem van de fiets van de vrouw kapot was. Dit kan de rechtbank niet vaststellen. De politie heeft dat weliswaar vastgesteld, maar heeft niet onderzocht of de rem al vóór het ongeval kapot was. De rechtbank laat ook in het midden of de zwaailichten van de vrachtwagencombinatie in werking waren. De deskundige heeft dat ook niet kunnen vaststellen. Het doet er ook niet toe, omdat dit niet aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen. De rechtbank beseft dat deze beslissing voor de vrouw een hard gelag is. Haar letsel is immers zeer ernstig en het is niet voorspelbaar of zij hiervan volledig zal herstellen. Dit gegeven kan echter op zichzelf niet bijdragen aan de eventuele aansprakelijkheid van de WAM-verzekeraar, omdat uit de beslissing volgt dat haar verzekerde een terecht beroep op overmacht toekomt. Aan de vrachtwagenchauffeur kan naar het oordeel van de rechtbank immers niet het kleinste verwijt worden gemaakt, ook al is het letsel van de vrouw ernstig.
Rechtbank Midden-Nederland, 21-11-2025