Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot moord door een vrachtwagen van een transportbedrijf in brand te steken. In de vrachtwagen lag op dat moment de chauffeur te slapen. Hij heeft de brand ternauwernood overleefd, maar liep zeer ernstig en blijvend lichamelijk letsel op. Ongeveer 65% van zijn lichaam raakte verbrand. Hij verbleef langdurig op de intensive care, deels in coma, en zal door blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in armen en benen zijn leven lang ernstige beperkingen ondervinden in zijn dagelijks functioneren en kwaliteit van leven. De brand heeft niet alleen voor de vrachtwagenchauffeur zelf immense gevolgen (gehad) maar ook voor zijn naasten, die geconfronteerd werden met zijn grotendeels verbrande lichaam, er op enig moment zelfs rekening mee moesten houden afscheid van hem te moeten nemen en zich ook nu nog dagelijks moeten verhouden tot de nieuwe situatie van hun dierbare. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen poging moord, medeplegen van opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Het slachtoffer, zijn partner, dochter, vader en zus hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Er is bij het slachtoffer sprake van blijvende zenuw- en spierbeschadigingen in zijn armen en benen waardoor zijn ledematen zijn verzwakt. Hierdoor zal hij blijvend ernstige beperkingen ondervinden in het dagelijks leven en is hij aangewezen op intensieve verzorging en hulpmiddelen. Ook leeft het slachtoffer met chronische pijn. Er is sprake van een medische eindtoestand en er is geen verbetering meer te verwachten. Het hof twijfelt er dan ook niet aan dat de feiten naast het lichamelijk letsel ook grote invloed hebben op de psychische gesteldheid van benadeelde. Naar het oordeel van het hof liggen de nadelige gevolgen van deze feiten voor benadeelde zó voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Alles overziend begroot het hof, gelet op de meervoudigheid van letsels en de samenloop van lichamelijk letsel en geobjectiveerd geestelijk letsel, de omvang van de immateriële schade net als de rechtbank op een bedrag van € 200.000. Aan de partner met wie het slachtoffer samenwoont en de dochter van het slachtoffer wordt het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toegewezen, mede gelet op het ernstige en blijvende letsel bij het slachtoffer. Voor de vader van het slachtoffer oordeelt het hof dat hij ook onder ‘naasten’ valt in de zin van artikel 6:107 lid 2 BW en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk. Tot slot oordeelt het hof dat de zus als secundair slachtoffer dient te worden aangemerkt. Het hof overweegt dat de zus kort na de brand door haar vader is geïnformeerd over wat haar broer was overkomen en hem vervolgens in het ziekenhuis heeft bezocht. Daar zag zij haar broer ernstig verbrand en beademd liggen, met zware verminkingen aan zijn lichaam en gezicht. Deze confrontatie heeft bij haar geleid tot hevige emotionele schokken, dagelijkse flashbacks en een duidelijke verslechtering van haar functioneren. Haar angststoornis en posttraumatische stressklachten zijn hierdoor toegenomen, hetgeen wordt ondersteund door een verklaring van haar psycholoog. Het hof stelt vast dat sprake is van shockschade en acht het gevorderde bedrag van € 15.000 billijk; € 5.000 meer dan door de rechtbank was toegewezen. Het hof beoordeelt voorts nog vorderingen (meestal van materiële aard) van een groot aantal andere benadeelde partijen, waarbij het hof soms tot een ander oordeel komt dan de rechtbank.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 20-01-2026