Naar boven ↑
8.686 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0251

Verzekerde van de eisende zorgverzekeraar (ASR) is een ernstig ongeval overkomen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. De zorgverzekeraar tracht in deze procedure de door haar in het kader van de door de verzekerde bij haar gesloten zorgverzekering gedane uitkeringen te verhalen op Equans Refrigiration B.V. In de arbeidsovereenkomst tussen de verzekerde en Equans Nederland N.V. (destijds anders geheten) stond dat de formele werkgever Equans Nederland N.V. (destijds anders geheten) is en dat de verzekerde feitelijk werkzaam is bij Equans Refrigeration B.V. (destijds anders geheten). De zorgverzekeraar heeft Equans Refrigeration B.V. in deze procedure gedagvaard. Equans Refrigeration B.V. beroept zich in deze procedure op het subrogatieverbod uit artikel 7:962 lid 3 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemer een arbeidsovereenkomst sloot met de nv en niet met de bv. Equans Refrigeration B.V. betoogt dat zij niettemin heeft te gelden als werkgever in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW omdat de werkgever feitelijk permanent en exclusief bij haar was tewerkgesteld. Volgens de verzekeraar kan alleen de formeel juridische werkgever zich beroepen op het subrogatieverbod en gaat het verweer van de bv niet op. De rechtbank volgt Equans niet in haar betoog. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:962 lid 3 BW komt, zoals door de Hoge Raad in het Anderzorg-arrest is beschreven, naar voren dat de wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende uitzonderingscategorieën boven een meer open geformuleerde maatstaf aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of het aan de orde zijnde concrete geval beantwoordt aan de motieven voor het opnemen van de regeling in de wet. Er is dus geen ruimte om aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval – in dit geval de aard en duur van de tewerkstelling van de verzekerde bij de bv – te beoordelen of sprake is van een arbeidsrelatie waarvoor het subrogatieverbod geldt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door Equans Refrigeration B.V. voorgestelde prejudiciële vragen te stellen over de reikwijdte van het subrogatieverbod. De conclusie is dan ook dat Equans kan worden aangesproken door ASR tot betaling van de door haar vergoede en door het ongeval veroorzaakte medische kosten van de verzekerde.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 29-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0250

Vader van de verzoeker was opgenomen in het ziekenhuis in verband met een bacteriële infectie in de rug. Hij kreeg medicatie toegediend via een infuus en zuurstof toegediend via een neusbril. Vader is in het ziekenhuis overleden door een aansluiting van de zuurstoftoevoer op het infuus, waardoor een fatale hoeveelheid lucht in het bloed van de vader terecht is gekomen. Ten tijde van de mondelinge behandeling in deze zaak was nog niet bekend of het OM strafrechtelijke vervolging in zal stellen en zo ja, tegen wie. Het strafrechtelijk dossier bevat verklaringen van betrokken zorgmedewerkers. In deze procedure wordt de rechtbank verzocht om een getuigenverhoor te bevelen. Volgens de rechtbank heeft verzoeker op dit moment (nog) geen wettelijk afdwingbaar recht op inzage en is hij afhankelijk van de welwillendheid van de officier van justitie. Wanneer de verzoeker geen inzage krijgt in de verklaringen die de betrokken zorgmedewerkers ten overstaan van de politie hebben afgelegd dan ligt zijn verzoek in beginsel voor toewijzing gereed. De rechtbank oordeelt dat de verzoeker voldoende belang heeft bij zijn verzoek en dat hij geen misbruik maakt van zijn bevoegdheid. De rechtbank zal het verzoek om leden van de onderzoekscommissie te horen afwijzen, omdat gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Deze personen beschikken uit hoofde van hun rol over informatie die in het incidentenregister staat. Op die informatie heeft de verzoeker geen recht. De conclusie luidt dat het verzoek van de verzoeker om een getuigenverhoor te bevelen in beginsel toewijsbaar is, in het geval dat hij geen inzage krijgt in het strafrechtelijk dossier. Wel behoeft de getuigenlijst naar het oordeel van de rechtbank herziening. De procedure wordt zes weken aangehouden. In die periode heeft de verzoeker de gelegenheid om inzage in het strafdossier te verzoeken en de rechtbank over de uitkomst daarvan te berichten.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 28-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0249

Strafrecht. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan doodslag op het 22-jarige slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer in haar woning en in aanwezigheid van hun 13 dagen oude baby een zeer groot aantal steek- en snijletsels toegebracht. Ook heeft de verdachte een video van het slachtoffer gemaakt terwijl hij nog een aantal geweldshandelingen toebracht. Het hof komt tot het oordeel dat de door de zoon gevorderde schadeposten affectieschade (€ 20.000) en shockschade (€ 25.000) zich lenen voor toewijzing. Met betrekking tot het gevorderde bedrag ter zake van aantasting in de persoon overweegt het hof dat op grond van hetgeen is aangevoerd thans niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, behoudens waarop de hiervoor toegewezen vergoedingen zien, overigens nog geestelijk letsel heeft ondervonden of op andere wijze is aangetast in de persoon. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 5.000 aan nader te onderbouwen schade. Uit een overgelegd behandelplan volgt dat onder andere sprake is van (trekken van) een PTSS mede als gevolg van de moord op haar zus. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Het hof is van oordeel dat de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – leent voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000. Voor het overige is het hof van oordeel dat de behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De moeder van het slachtoffer vordert € 40.000 aan shockschade, € 17.500 aan affectieschade en € 5.000 nader te onderbouwen schade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen. Voor wat betreft de posten schokschade en nader te onderbouwen schade overweegt het hof dat uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partij en uit de daarbij overgelegde stukken niet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden afgeleid. Er dient nader onderzoek te worden gedaan, het hof is gelet daarop van oordeel dat behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 02-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0245

Deelgeschil. De vrouw is in het restaurant van een afstapje gevallen en heeft toen haar rechterarm gebroken. Zij heeft het restaurant aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van haar val. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het restaurant heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De vrouw vraagt in dit deelgeschil om te beslissen dat het restaurant aansprakelijk is voor de gevolgen van haar val en dat het restaurant hoofdelijk gehouden is haar materiële en immateriële schade te vergoeden. De vrouw beroept zich primair op artikel 6:174 BW in samenhang met artikel 6:181 BW. Subsidiair beroept zij zich op artikel 6:162 BW. Het gaat in de procedure om een Rijksmonument met binnen meerdere niveauverschillen. Dat is ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank zijn niveauverschillen in een pand als dit ook te verwachten. Van een bezoeker mag daarom de nodige oplettendheid worden verwacht en worden verwacht dat deze met niveauverschillen rekening houdt. De kans om bij de ingang over het afstapje te vallen, is naar het oordeel van de rechtbank klein. Het gaat om een afstapje van 11 centimeter dat duidelijk zichtbaar is, ook omdat het om verschillende materialen gaat. Het hogere gedeelte is van hout en het lagere van beton en daar tussenin zit een ijzeren strip. De vrouw is ongelukkig ten val gekomen met naar letsel en ook nog een vervelende nasleep na (complicaties bij) de tweede operatie, maar de kans dat het opstapje ernstig letsel kan veroorzaken, acht de rechtbank klein. Naar het oordeel van de rechtbank had het restaurant de door de vrouw genoemde veiligheidsmaatregelen niet hoeven te treffen omdat het afstapje duidelijk genoeg te zien is, onder meer door de verschillende materialen (beton, ijzer, hout). De conclusie is dat het restaurant niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van de vrouw, niet op grond van artikel 6:174 BW (gebrekkige opstal) en niet op grond van artikel 6:162 BW (gevaarzetting).
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 19-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0243

Werknemer is in dienst getreden bij de werkgever onder andere als arts in opleiding. De werknemer en collega-artsen hebben meerdere meldingen gemaakt over de werkdruk. De werknemer is meerdere malen uitgevallen. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat de reden voor uitval werkgerelateerd is en gelegen in knelpunten in de arbeidsrelatie. De werknemer is een aantal maanden vrijwillig opgenomen op de crisisdienst van het ziekenhuis. De psychiater heeft op 27 november 2015 geconstateerd dat overbelasting in de werksfeer in etiologische zin een rol speelt, dat de mediationafspraak hem onder de huidige omstandigheden niet geschikt lijkt en een afspraak met de leidinggevende/werkgever door de werknemer alleen te ontraden is. Het UWV heeft in het deskundigenoordeel geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren. De partijen zijn in mediation gegaan waarna de werknemer bij een andere zorginstelling werkzaamheden heeft verricht in verband met de re-intergratieverplichtingen. De werkgever heeft bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, deze is verleend. De werknemer ontvangt sinds 25 januari 2017 een WIA-uitkering en sinds 17 augustus 2018 een IVA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. De werknemer vordert in deze procedure dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van de arbeidsomstandigheden heeft geleden en nog lijdt. De werknemer legt hieraan ten grondslag dat bij de werkgever sprake was van een verhoogde psychosociale arbeidsbelasting. De werkgever stelt primair dat de vordering van de werknemer is verjaard. Subsidiair betwist de werkgever dat sprake was van schadelijke werkomstandigheden of schending van de zorgplicht. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering op verjaring niet slaagt. De kantonrechter oordeelt voorts dat de werknemer onvoldoende heeft onderbouwd dat het beleid van de werkgever heeft gezorgd voor schadelijke werkomstandigheden. Hetzelfde geldt voor de door de werknemer ervaren problemen rondom verlofaanvragen, declaraties en salaris. Verder kan de kantonrechter het zich voorstellen dat de werknemer veel stress heeft ervaren vanwege de herregistratie, maar onvoldoende is gebleken dat het niet kunnen herregistreren te wijten is aan de werkgever. Verder is niet gebleken dat de werkgever haar re-integratie-inspanningen heeft veronachtzaamd. Weliswaar heeft het UWV op 8 december 2015 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, maar het UWV heeft de werkgever verder nooit maatregelen of sancties opgelegd. De werkgever heeft steeds de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat de werkdruk van de werknemer weliswaar hoog was, maar dat de werkgever daarvoor voldoende oog heeft gehad en maatregelen heeft genomen. Van gevaarlijke of schadelijke werkomstandigheden in de zin van artikel 7:658 BW is daarom binnen de gegeven omstandigheden geen sprake geweest. De vorderingen van de werknemer worden daarom afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28-05-2026