Naar boven ↑
8.615 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0179

De man stelt dat hij in de ochtend van 26 september 2023 ten val is gekomen door een uitstekende stoeptegel op de hoek van het trottoir bij de huisartsenpraktijk die hij kort daarvoor had bezocht. Hij stelt als gevolg daarvan onder andere een pijnlijke schouder en een afgebroken tand te hebben opgelopen. Hij meent dat sprake is van een gebrekkige opstal dan wel van onrechtmatig handelen van de gemeente. De gemeente betwist aansprakelijk te zijn. De kantonrechter oordeelt dat de toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan. De man heeft niet de specifieke locatie van de val kunnen aantonen en de gemeente heeft betwist dat de man ten val is gekomen en heeft erop gewezen dat de man ook door bijvoorbeeld een verstapping of verzwikking ten val kan zijn gekomen. Ook als ervan wordt uitgegaan dat de man is gevallen door een uitstekende stoeptegel kan nog niet worden vastgesteld dat sprake is van een gebrekkige opstal of onrechtmatig handelen. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente de beheerder is van het trottoir waarop de man is gevallen. Tussen partijen is niet in geschil dat het hoogteverschil van de stoeptegels op de plek waar de man ongeveer ten val moet zijn gekomen ten tijde van het ongeval twee centimeter, maar in elk geval niet meer dan drie centimeter was. Uit de CROW-richtlijn volgt dat dergelijke oneffenheden in de weg worden aangemerkt als matig. Uit een door de gemeente c.s. overgelegd inspectierapport blijkt onweersproken dat geen sprake is van oneffenheden die nopen tot klein onderhoud. De kantonrechter volgt de gemeente c.s. in haar standpunt dat van trottoir niet verwacht kan worden dat dit altijd volledig egaal is en voetgangers – met name in de buurt van bomen waar wortels omhoog kunnen komen – bedacht moeten zijn op enige hoogteverschillen. Van belang is ook dat uit de overgelegde foto’s blijkt dat sprake is van een breed en overzichtelijk trottoir met een duidelijk zicht op de stoeptegels. De conclusie is dat van een gebrekkige opstal geen sprake is. Van onrechtmatig handelen van de gemeente is ook geen sprake.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 25-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0178

De vrouw heeft zich op 15 mei 2022 bij de spoedeisende hulp van het ziekenhuis gemeld met pijnklachten in haar rechtervoet. Deze klachten had zij na de val van een barkruk. Zij is gezien en behandeld. Vervolgens is zij op 23 mei 2022 gezien op de gipskamer van het ziekenhuis en is het gips vervangen door loopgips. Op 10 juni 2022 is het gips eraf gehaald. Op 14 juni 2022 heeft de vrouw zich opnieuw bij deze gipskamer gemeld, omdat een zwelling onrust veroorzaakte (zonder pijn). De vrouw is daarna in september en oktober 2022 meerdere keren in het ziekenhuis geweest met klachten aan haar rechtervoet. Ook is een CT-scan van haar voet gemaakt op 11 oktober 2022. Op 25 januari 2024 heeft de advocaat van de vrouw het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor schade die het gevolg is van ‘het medisch onzorgvuldig handelen op de huisartsenpost/in het ziekenhuis, zoals dat plaatsvond vanaf 15 mei 2022’. Volgens de vrouw is in het ziekenhuis een breuk in de voet gemist. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. De vrouw verzoekt om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen uitgevoerd door de door haar gestelde deskundige en de door haar geformuleerde vragen voor te leggen. Daarnaast verzoekt zij dat de deskundige beschikking krijgt over het medisch dossier. De partijen hebben overeenstemming bereikt over de benoeming van een traumachirurg. De rechtbank heeft vervolgens na afloop van de mondelinge behandeling de (grotendeels) in gezamenlijk overleg tot stand gekomen vraagstelling in concept vastgesteld. In deze beschikking wordt de deskundige benoemd en de definitieve vraagstelling vastgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 02-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0177

In deze zaak voert de man aan dat hij schade heeft geleden omdat de dienstdoende huisarts, werkzaam voor de huisartsenpraktijk, jegens hem onzorgvuldig heeft gehandeld op het moment dat hij zich in de nacht van 8 april 2023 meldde met klachten in de vorm van moeite hebben met lucht krijgen en pijn in de linkerarm en op de borst. Achteraf is vastgesteld dat de man een hartinfarct had. Doordat de huisarts eerst heeft afgewacht en niet meteen een ambulance heeft gestuurd is de man later gedotterd dan in het geval meteen actie was ondernomen, waardoor de schade aan zijn hart – volgens de man – groter is dan dat hij zou hebben gehad indien meteen een ambulance was gestuurd. De huisartsenpraktijk heeft aansprakelijkheid voor een vermijdbare vertraging erkend, maar betoogt dat de schade aan het hart daardoor niet groter is dan de schade die hij zou hebben gehad zonder vermijdbare vertraging. In dit deelgeschil gaat het om de vaststelling van het verschil in het functieverlies van de linkerhartkamer in de situatie met en zonder ongeval. Over dit verschil heeft een cardioloog gerapporteerd. Partijen verschillen van mening over de interpretatie van het rapport. De rechtbank is het met de man eens dat uit het rapport en alle overige stukken voldoende blijkt dat de man door de vermijdbare vertraging wel meer schade heeft geleden dan de schade die hij zou hebben gehad zonder vermijdbare vertraging. De rechtbank gaat ervan uit dat het LVEF van de man 25-30% is en gaat overeenkomstig de conclusie van de cardioloog ervan uit dat zonder vermijdbare vertraging de LVEF 40-45% zou zijn geweest.
Rechtbank Limburg, 19-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0176

De man is op 4 maart 2023 en op 6 maart 2023 als patiënt behandeld bij de zorgverlener vanwege onder meer hoofdpijnklachten, duizeligheid en visusklachten. De klachten waren op 6 maart 2023 toegenomen ten opzichte van 4 maart 2023. De man is op beide dagen niet doorverwezen naar een neuroloog. De man heeft daarna op 7 maart 2023 telefonisch contact gehad met zijn eigen huisarts maar is niet gezien of doorverwezen. Op 8 maart 2023 is de man wel gezien door de eigen huisarts en toen voor een spoedbeoordeling doorgestuurd naar de afdeling neurologie van het ziekenhuis. Daar is de man op 9 maart 2023 opgenomen en is na verschillende onderzoeken de diagnose virale meningo-encefalitis gesteld. De man kampt sindsdien met cognitieve beperkingen, lichtschuwheid, vermoeidheid, evenwichts- en balansproblemen. Op 4 februari 2025 heeft hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend gekregen. De man stelt zich op het standpunt dat de zorgverleners die bij zijn behandeling van 4 maart 2023 en 6 maart 2023 betrokken zijn geweest toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst, althans onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. De verzekeraar van de huisarts heeft de aansprakelijkheid erkend voor het niet op 6 maart 2023 verwijzen naar de neuroloog door de zorgverlener. Zij betwist echter dat sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen op 4 maart 2023. Ook betwist zij dat sprake zou zijn van een delay van minimaal vijf dagen bij het stellen van de diagnose. Het geschil betreft in de eerste plaats de vraag of de zorgverlener bij de beoordeling van de man op 4 maart 2023 onzorgvuldig heeft gehandeld. De man wil dat een deskundige onderzoek doet naar die vraag. De man wil verder dat een neuroloog en een neuropsycholoog tot deskundigen worden benoemd om de gevolgen van het handelen van de zorgverlener op 4 en 6 maart 2023 vast te stellen. De zorgverlener wil in het deskundigenonderzoek ook het handelen van de eigen huisarts van de man op 7 maart 2023 betrekken. De rechtbank wijst de verzoeken tot benoeming van de deskundigen toe. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de eigen huisarts op 7 maart 2023 niet in de vraagstelling aan de huisartsgeneeskundige moet worden betrokken.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0175

Op 1 oktober 2010 is de vrouw (toentertijd 8 jaar oud) een zeer ernstig verkeersongeval overkomen. Zij heeft bij dit ongeval zeer ernstig letsel opgelopen. In de jaren na het ongeval is de vrouw intensief en langdurig behandeld voor het letsel. De WAM-verzekeraar heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Inmiddels zijn er diverse medische expertises uitgevoerd waaruit blijkt dat de vrouw als gevolg van dit ongeluk blijvende gezondheidsklachten heeft, waaronder traumatisch schedel/hersenletsel, cognitieve klachten en visusklachten. In deze procedure wordt beoordeeld of door de verzekeraar een nader voorschot aan de vrouw moet worden verstrekt van € 83.295,73. Daarbij komen meerdere schadeposten aan de orde, waaronder het verlies van verdienvermogen, zorgschade, immateriële schade en overige schade. Ondanks haar gezondheidsklachten heeft de vrouw in 2022 een mbo-(dans)opleiding weten af te ronden. Zij heeft daarna geen betalend werk kunnen verrichten. De rechtbank oordeelt dat sprake is van verlies van verdienvermogen tot een bedrag van minimaal € 25.765. De rechtbank merkt op dat het hier gaat om een minimale, terughoudende benadering die zoveel mogelijk zonder voorbehoud is vastgesteld. Niet is uitgesloten dat de vrouw, gelet op haar opleiding en persoonlijke omstandigheden, in de hypothetische situatie een hoger inkomen had kunnen verwerven. Met gebruikelijke loonontwikkeling, carrièregroei of andere inkomensverhogende factoren is in deze berekening geen rekening gehouden. Een arbeidsdeskundige zou tot een hogere hypothetische verdiencapaciteit kunnen komen en daarmee vaststellen dat de schade wegens verlies van verdienvermogen over deze periode hoger is dan in deze beschikking wordt aangenomen. De rechtbank oordeelt dat over de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 de schade wegens mantelzorg en begeleiding uitkomt op € 20.280. Het beroep op de schadebeperkingsplicht door het niet aanvragen van een pgb wordt afgewezen. Voor de vraag in hoeverre er ruimte is voor nadere bevoorschotting van smartengeld beoordeelt de rechtbank aan de hand van de Rotterdamse schaal voor hoeveel smartengeld de vrouw op dit moment minimaal in aanmerking zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat de vrouw, zelfs indien wordt uitgegaan van een indeling in de categorie middelzwaar hersenletsel subcategorie II, dus de lagere categorie waarvan de verzekeraar uitgaat, ook dan in aanmerking zal komen voor een bedrag dat de € 50.000 (het thans uitgekeerde voorschot op deze schade) ruimschoots zal overstijgen. Ook slaat de rechtbank acht op de cumulatie van letsels. Naast het primaire hersenletsel heeft de vrouw haar zicht aan een oog verloren. Dat weegt de rechtbank mee onder verwijzing naar de LOVCK-, LOVCH- en LOVS-aanbevelingen. De rechtbank acht het door de vrouw gestelde totaalbedrag van € 100.000 (bepaald) niet onredelijk. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het uiteindelijke smartengeld ruimschoots hoger zal zijn dan het reeds betaalde bedrag, zodat het verzochte aanvullende voorschot van € 50.000 niet bovenmatig voorkomt. De vervoerskosten en de opgenomen kosten vakantiedagen en overige kosten zijn onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd, de rechtbank zal deze niet meenemen in de optelsom ter bepaling van het voorschot. De totale schade van de vrouw tot en met 2025 bedraagt minimaal € 319.263,90. Op dit bedrag strekt in mindering het reeds door de verzekeraar betaalde voorschot van € 256.000. Het nog openstaande bedrag aan schade komt daarmee uit op € 63.263,90. Dat bedrag wijst de rechtbank toe.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0174

Geschil over aansprakelijkheid voor letselschade van Zonnestudio na ernstig verbrandingsletsel bij eiseres na gebruik zonnebank. De Zonnestudio is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. De vraag die voorligt is of dit bewijsvermoeden is ontzenuwd met het door de Zonnestudio overgelegde rapport. De medisch adviseur van de Zonnestudio acht, gezien de buitengewone ernst van de huidbeschadiging (blaarvorming en diepteschade), de oorzaak niet alleen door uv-blootstelling in de zonnebank te verklaren. Het klinische beeld in combinatie met de lang aanhoudende symptomen wijst sterk op een fototoxische reactie, zoals die kan optreden bij gelijktijdige blootstelling aan uva-straling en fotosensibiliserende stoffen. Dat de vrouw twintig minuten onder de zonnebank lag waar zes minuten was toegestaan en dat de straling van de lampen de norm (met 0,019 tot 0,068 W/m2) overschreed, kan volgens de adviseur niet de enige oorzaak zijn van de bij de eiseres opgetreden tweede- en derdegraadsbrandwonden over 30% van haar lichaam. De schade kan niet (alleen) door uv-straling zijn veroorzaakt, omdat die straling ophoudt zodra de bron is weggenomen en nog enige dagen kan doorwerken, maar daarna zou genezing moeten optreden. In dit geval ontstonden na ruim tien dagen nog nieuwe blaren. Verder meldt hij onder meer dat ook de behandelend artsen van de vrouw in het brandwondencentrum twijfels hadden bij alleen blootstelling aan uv-straling in een zonnebank en hebben zij geprobeerd te achterhalen wat er is gebruikt. Aldus is het tegenbewijs geleverd. Bij deze stand van zaken is de gevorderde verklaring voor recht dat de Zonnestudio aansprakelijk is voor de schade van de vrouw, niet toewijsbaar. Dat betekent dat de vordering zal worden afgewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 28-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0173

De werknemer was tot 1 februari 2020 in dienst van de werkgever als monteur buitendienst. In mei 2017 heeft de werknemer zich arbeidsongeschikt gemeld vanwege hand-, pols- en elleboogklachten. De klachten zijn gediagnosticeerd als artrose, carpaletunnelsyndroom (CTS) aan beide zijden en tennisarmen. Partijen verschillen van mening over de vraag of de werknemer gezondheidsschade heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden en of de werkgever daarvoor aansprakelijk is. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer is blootgesteld aan voor de gezondheid schadelijke omstandigheden. Hij moest voor zijn werk bij de werkgever golfplaten plaatsen, waarvoor hij veel knijp- en grijpkracht moest uitoefenen met zijn handen en zwaar moest tillen, hij werd blootgesteld aan trillingsbelasting voor zijn handen en armen door elektrisch aangedreven handgereedschap en hij werkte in ongunstige lichaamshoudingen. De werkgever heeft onvoldoende verweer geleverd waardoor de kantonrechter oordeelt dat aan het eerste vereiste van de (arbeidsrechtelijke) omkeringsregel is voldaan. Op basis van het rapport van Bureau Beroepsziekten FNV en de medische adviezen kan worden geconcludeerd dat de artrose, het CTS en de tennisarmen klachten zijn die kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden van de werknemer bij de werkgever. De kantonrechter oordeelt dat voor deze klachten ook aan het tweede vereiste van de omkeringsregel is voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever haar zorgplicht niet heeft nageleefd en dat zij de stelling van de werknemer dat de werkgever in strijd heeft gehandeld met artikel 3 lid 1 Arbowet en artikel 5.2 en 5.3 Arbobesluit onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. De werkgever voert nog aan dat zij een risico-inventarisatie en evaluatie tijdig aan de werknemer heeft verstrekt maar de kantonrechter oordeelt dat de schendingen van de Arbowet en het Arbobesluit al voldoende zijn om te kunnen concluderen dat de werkgever niet, althans onvoldoende, aan haar zorgplicht heeft voldaan. De conclusie is dan ook dat de werkgever aansprakelijk is voor alle door de werknemer geleden en nog te lijden schade die het gevolg is van de bovengenoemde werkgerelateerde klachten. De psychische klachten en de gehoorschade kunnen daar niet onder gerekend worden omdat deze klachten niet (voldoende) onderbouwd worden door de rapporten.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 18-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0171

Deelgeschil. In 2011 is een bijrijder gewond geraakt bij een verkeersongeval. De WAM-verzekeraar van de auto waar de bijrijder in zat heeft de aansprakelijkheid richting de bijrijder aanvaard. Hierna is langdurig onderhandeld in het kader van de afwikkeling van de letselschade en zijn er in de tussentijd voorschotten aan de man beschikbaar gesteld. In 2017 is door de verzekeraar een namens haar ondertekende vaststellingsovereenkomst (VSO) aan de bijrijder voorgelegd waarbij de schade werd vastgesteld op € 393.000. Na een second opinion heeft de opvolgend belangenbehartiger aan de verzekeraar laten weten dat de bijrijder niet akkoord gaat. Tot 2021 is opnieuw onderhandeld en zijn onafhankelijke onderzoeken verricht. Na een mediationtraject is door beide partijen een VSO gesloten (door beide partijen getekend) waarbij de schade is vastgesteld op € 322.500, vermeerderd met € 86.058,17 buitengerechtelijke kosten. In deze procedure, bijgestaan door een nieuwe belangenbehartiger, stelt de bijrijder dat er in 2017 rechtsgeldig een VSO tot stand is gekomen. De rechtbank begrijpt uit het verzoekschrift dat de bijrijder van mening is dat de VSO uit 2021 vernietigbaar is wegens (al dan niet wederzijdse) dwaling dan wel misbruik van omstandigheden: hij zou de VSO 2021 nooit zijn aangegaan als de verzekeraar hem niet in de onjuiste veronderstelling zou hebben gebracht dat de VSO 2017 niet tot stand was gekomen en hem niet onder druk zou hebben gezet een nieuwe vaststellingsovereenkomst te sluiten. De rechtbank wijst het verzoek tot een mondelinge behandeling af. Deze zaak leent zich niet voor behandeling in deelgeschil: een beslissing op het verzochte kan niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Tussen partijen staat immers vast dat er al een vaststellingsovereenkomst is gesloten, namelijk de VSO 2021. In het geval toewijzend zou worden beslist op het primaire verzoek, wordt teruggevallen op de VSO 2017. Een beslissing op het primaire verzoek kan dus (evident) niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, maar zou slechts uitsluitsel geven over welke vaststellingsovereenkomst partijen bindt. Indien toewijzend zou worden beslist op het subsidiaire verzoek, betekent dit dat daaraan voorafgaand is geoordeeld dat de VSO 2017 niet tot stand is gekomen, en dat er – door vernietiging van de VSO 2021 – ook geen vaststellingsovereenkomst meer is. Daarmee zou de hele schadeafwikkeling weer openliggen. Het standpunt van de man dat die beslissing (wel) zou kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, deelt de rechtbank niet. Omdat de beslissing tot afwijzing zo voor de hand lag, is het verzoek volstrekt onnodig en onterecht ingesteld en worden de kosten van de procedure niet begroot.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-02-2026