Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0257

In deze procedure is sprake van twee ongevallen, waarvan het ongeval in 2015 onderwerp van deze procedure is. De vrouw stelt door de ongevallen whiplashklachten te hebben. De kern van het geschil betreft de vraag of de vrouw rechtens vast te stellen gezondheidsklachten heeft en, indien dat het geval is, of er een causaal verband bestaat tussen deze klachten en ongeval. Tussen de verzekeraar en de vrouw staat niet ter discussie dat er bij de vrouw sprake is van aanhoudende pijnklachten, maar de partijen twisten over de oorzaak van de lichamelijke klachten. Het gerecht stelt vast dat partijen, onder verwijzing naar de bevindingen van hun medisch adviseur, een tegenovergesteld standpunt innemen ten aanzien van het causaal verband tussen de klachten en ongeval 2. Daar komt bij dat de medisch adviseurs (de eventuele gevolgen van) ongeval 1 kennelijk niet in hun bevindingen hebben betrokken. Het gerecht acht het bij deze stand van zaken noodzakelijk om, teneinde duidelijkheid te krijgen over het bestaan, de aard en de omvang van de klachten van de vrouw en het causaal verband tussen de klachten en ongevallen 1 en 2, een medisch deskundige te benoemen. Verder dient de vrouw alle medische stukken ten aanzien van de ongevallen 1 en 2 en voor zover nog niet ingebracht in de procedure, en op basis waarvan de rapporten van de medisch adviseurs tot stand zijn gekomen, bij akte in het geding te brengen. Ook dient de vrouw een medische machtiging af te geven zodat de deskundige indien nodig nadere gegevens kan opvragen.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 24-04-2023

Rechtspraak

PS 2026-0254

Deelgeschil. In deze procedure is een inleenkracht een arbeidsongeval overkomen tijdens het oogsten van jonge komkommers. De punt van een blad van een komkommerplant is in zijn rechteroog terechtgekomen. Als gevolg hiervan raakte zijn hoornvlies beschadigd. Later ontwikkelde zich een ernstige schimmelinfectie in dit oog. De inleenkracht is het zicht aan dit oog verloren. De werkgever betwist het causale verband en stelt dat een lichaamseigen schimmel de ooginfectie heeft veroorzaakt. De kantonrechter volgt de werkgever hierin niet. Uit de door de werkgever overgelegde informatie volgt namelijk dat deze schimmel meestal niet schadelijk is, maar dat deze door verwondingen (kantonrechter: zoals bijvoorbeeld een verwonding door een komkommerblad in het oog) ervoor kan zorgen dat deze in plaatsen groeit waar dat niet hoort. Niet uit te sluiten valt dat dat bij de inleenkracht is gebeurd. Dat is dan echter alsnog het gevolg van het krijgen van een komkommerblad in het oog. Daarmee is het causaal verband tussen het incident en het letsel gegeven. De kantonrechter komt tot de conclusie dat gelet de omstandigheden de werkgever haar werknemers had dienen te beschermen tegen mogelijk letsel als gevolg van het in aanraking komen van de ogen met een komkommerblad. Dat had de werkgever in dit geval ook eenvoudig kunnen doen door een veiligheidsbril beschikbaar te stellen aan de inleenkracht en hem te instrueren om deze de veiligheidsbril tijdens het oogsten te dragen. Ook had de werkgever de inleenkracht moeten wijzen op de aanwezigheid van spoelflessen, voor zover deze er waren, en hem na het ongeval moeten instrueren om van de spoelflessen gebruik te maken. Aangezien de werkgever deze veiligheidsmaatregelen, gelet op het reële veiligheidsrisico, niet heeft genomen heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Om die reden zal voor recht worden verklaard dat de werkgever aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het ongeval dat de inleenkracht op 6 augustus 2021 is overkomen. Het beroep op eigen schuld slaagt niet.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26-08-2025

Rechtspraak

PS 2026-0253

In deze deelgeschilprocedure moet de kantonrechter de vraag beantwoorden of de vordering van de werknemer tegen de werkgever is verjaard. De kantonrechter is van oordeel dat van verjaring geen sprake is. Dit heeft te maken met het feit dat pas in 2021 door een arts (de bedrijfsarts) het verband is gelegd tussen de klachten van verzoeker en zijn werkomstandigheden. Bij brief van 22 maart 2024 heeft de werknemer de werkgever aansprakelijk gesteld voor al zijn materiële en immateriële schade voor het letsel dat hij heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Hoewel de werknemer in 2018 zelf het vermoeden had dat zijn klachten veroorzaakt werden door zijn werkomstandigheden betekent dat niet dat er daarom van uit mag worden gegaan dat er sprake is van daadwerkelijke bekendheid met zijn schade. De werknemer is immers zelf geen medisch deskundige. Uit de overgelegde stukken en dat wat de werknemer (onbetwist) heeft gesteld, blijkt dat de bedrijfsarts (pas) in mei 2021 een verband heeft gelegd tussen de klachten van de werknemer en zijn werk. Uitgaande van die datum is er tot aan de aansprakelijkstelling van de werkgever op 22 maart 2024 geen vijf jaren verstreken. Op basis van deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever niet is geslaagd in haar bewijslast dat de vordering van de werknemer was verjaard op het moment dat hij de werkgever aansprakelijk stelde voor zijn schade.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 22-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0251

Verzekerde van de eisende zorgverzekeraar (ASR) is een ernstig ongeval overkomen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. De zorgverzekeraar tracht in deze procedure de door haar in het kader van de door de verzekerde bij haar gesloten zorgverzekering gedane uitkeringen te verhalen op Equans Refrigiration B.V. In de arbeidsovereenkomst tussen de verzekerde en Equans Nederland N.V. (destijds anders geheten) stond dat de formele werkgever Equans Nederland N.V. (destijds anders geheten) is en dat de verzekerde feitelijk werkzaam is bij Equans Refrigeration B.V. (destijds anders geheten). De zorgverzekeraar heeft Equans Refrigeration B.V. in deze procedure gedagvaard. Equans Refrigeration B.V. beroept zich in deze procedure op het subrogatieverbod uit artikel 7:962 lid 3 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat de werknemer een arbeidsovereenkomst sloot met de nv en niet met de bv. Equans Refrigeration B.V. betoogt dat zij niettemin heeft te gelden als werkgever in de zin van artikel 7:962 lid 3 BW omdat de werkgever feitelijk permanent en exclusief bij haar was tewerkgesteld. Volgens de verzekeraar kan alleen de formeel juridische werkgever zich beroepen op het subrogatieverbod en gaat het verweer van de bv niet op. De rechtbank volgt Equans niet in haar betoog. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:962 lid 3 BW komt, zoals door de Hoge Raad in het Anderzorg-arrest is beschreven, naar voren dat de wetgever de voorkeur heeft gegeven aan een limitatieve opsomming van duidelijk afgebakende uitzonderingscategorieën boven een meer open geformuleerde maatstaf aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of het aan de orde zijnde concrete geval beantwoordt aan de motieven voor het opnemen van de regeling in de wet. Er is dus geen ruimte om aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval – in dit geval de aard en duur van de tewerkstelling van de verzekerde bij de bv – te beoordelen of sprake is van een arbeidsrelatie waarvoor het subrogatieverbod geldt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door Equans Refrigeration B.V. voorgestelde prejudiciële vragen te stellen over de reikwijdte van het subrogatieverbod. De conclusie is dan ook dat Equans kan worden aangesproken door ASR tot betaling van de door haar vergoede en door het ongeval veroorzaakte medische kosten van de verzekerde.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 29-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0250

Vader van de verzoeker was opgenomen in het ziekenhuis in verband met een bacteriële infectie in de rug. Hij kreeg medicatie toegediend via een infuus en zuurstof toegediend via een neusbril. Vader is in het ziekenhuis overleden door een aansluiting van de zuurstoftoevoer op het infuus, waardoor een fatale hoeveelheid lucht in het bloed van de vader terecht is gekomen. Ten tijde van de mondelinge behandeling in deze zaak was nog niet bekend of het OM strafrechtelijke vervolging in zal stellen en zo ja, tegen wie. Het strafrechtelijk dossier bevat verklaringen van betrokken zorgmedewerkers. In deze procedure wordt de rechtbank verzocht om een getuigenverhoor te bevelen. Volgens de rechtbank heeft verzoeker op dit moment (nog) geen wettelijk afdwingbaar recht op inzage en is hij afhankelijk van de welwillendheid van de officier van justitie. Wanneer de verzoeker geen inzage krijgt in de verklaringen die de betrokken zorgmedewerkers ten overstaan van de politie hebben afgelegd dan ligt zijn verzoek in beginsel voor toewijzing gereed. De rechtbank oordeelt dat de verzoeker voldoende belang heeft bij zijn verzoek en dat hij geen misbruik maakt van zijn bevoegdheid. De rechtbank zal het verzoek om leden van de onderzoekscommissie te horen afwijzen, omdat gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Deze personen beschikken uit hoofde van hun rol over informatie die in het incidentenregister staat. Op die informatie heeft de verzoeker geen recht. De conclusie luidt dat het verzoek van de verzoeker om een getuigenverhoor te bevelen in beginsel toewijsbaar is, in het geval dat hij geen inzage krijgt in het strafrechtelijk dossier. Wel behoeft de getuigenlijst naar het oordeel van de rechtbank herziening. De procedure wordt zes weken aangehouden. In die periode heeft de verzoeker de gelegenheid om inzage in het strafdossier te verzoeken en de rechtbank over de uitkomst daarvan te berichten.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 28-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0249

Strafrecht. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan doodslag op het 22-jarige slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer in haar woning en in aanwezigheid van hun 13 dagen oude baby een zeer groot aantal steek- en snijletsels toegebracht. Ook heeft de verdachte een video van het slachtoffer gemaakt terwijl hij nog een aantal geweldshandelingen toebracht. Het hof komt tot het oordeel dat de door de zoon gevorderde schadeposten affectieschade (€ 20.000) en shockschade (€ 25.000) zich lenen voor toewijzing. Met betrekking tot het gevorderde bedrag ter zake van aantasting in de persoon overweegt het hof dat op grond van hetgeen is aangevoerd thans niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, behoudens waarop de hiervoor toegewezen vergoedingen zien, overigens nog geestelijk letsel heeft ondervonden of op andere wijze is aangetast in de persoon. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 5.000 aan nader te onderbouwen schade. Uit een overgelegd behandelplan volgt dat onder andere sprake is van (trekken van) een PTSS mede als gevolg van de moord op haar zus. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Het hof is van oordeel dat de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – leent voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000. Voor het overige is het hof van oordeel dat de behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De moeder van het slachtoffer vordert € 40.000 aan shockschade, € 17.500 aan affectieschade en € 5.000 nader te onderbouwen schade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen. Voor wat betreft de posten schokschade en nader te onderbouwen schade overweegt het hof dat uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partij en uit de daarbij overgelegde stukken niet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden afgeleid. Er dient nader onderzoek te worden gedaan, het hof is gelet daarop van oordeel dat behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 02-06-2026