In 2024 is een schilder tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden voor zijn opdrachtgever ten val gekomen met een ladder. Daarbij heeft hij een breuk opgelopen in zijn onderrug. Als gevolg hiervan is hij tot op heden arbeidsongeschikt. De man vordert nu een verklaring voor recht dat zijn opdrachtgever aansprakelijk is jegens hem voor de ten gevolge van het bedrijfsongeval geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Volgens hem heeft zijn opdrachtgever zijn zorgplicht geschonden, doordat de opdrachtgever hem niet heeft geïnformeerd dat hij voor zijn werkzaamheden de hoogwerker mocht en moest gebruiken. De opdrachtgever heeft ook geen antislipmat aan de man ter beschikking gesteld die hij onder de ladder had kunnen plaatsen om te voorkomen dat deze weg zou glijden. Evenmin heeft de opdrachtgever de man geïnstrueerd om de ladder niet op de schuine, houten plank te plaatsen. De man kon de houten plank niet in zijn eentje verschuiven, want daar was deze te zwaar voor. De opdrachtgever voert aan dat met de man het VGM-plan is besproken. Hoewel er voor de desbetreffende werkzaamheden een hoogwerker was voorzien, die op simpele wijze door de man kon worden aangemeld bij de verhuurder, mochten deze werkzaamheden ook met behulp van een ladder worden uitgevoerd. De man heeft de verstrekte veiligheidsinstructies echter niet opgevolgd door de ladder op een instabiele ondergrond te plaatsen. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de opdrachtgever niet de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen en instructies heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat de man in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. Anders dan de opdrachtgever heeft aangevoerd, was het voor de man kennelijk niet zo gemakkelijk om de hoogwerker zelf weer aan te melden of alsnog in gebruik te nemen. In theorie was dat misschien wel mogelijk, maar de opdrachtgever heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de hoogwerker in de praktijk altijd werd aan- en afgemeld door de projectleider (en dus niet door de medewerkers zelf). Deze projectleider was op de dag van het ongeval echter niet aanwezig op de bouwplaats. Verder staat als zijnde onweersproken vast dat de projectleider ook niet altijd telefonisch bereikbaar was voor zulk soort vragen. De opdrachtgever wist dat er voor de ingang van het pand een schuine, houten plank lag, waarmee rolstoelgebruikers toegang werd verschaft tot het pand. In het licht van zijn keuze om de hoogwerker af te melden, had de opdrachtgever er daarom op berekend moeten zijn dat de man de voorbereidende werkzaamheden boven de ingang van het pand met behulp van een ladder zou gaan uitvoeren, waarbij hij met de houten plank in aanraking zou komen. De opdrachtgever had daarop in moeten spelen, bijvoorbeeld door de man te instrueren hoe hij de ladder veilig neer kon zetten. Verder oordeelt de kantonrechter dat de opdrachtgever meer fysiek toezicht had kunnen en moeten houden op de bouwplaats. Verder waren de aanwijzingen die de opdrachtgever de man voorafgaand aan het project over het uitvoeren van de werkzaamheden heeft verstrekt niet specifiek gericht op het veilig werken op een ladder. De opdrachtgever is aansprakelijk op grond van artikel 7:658 lid 4 BW.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26-11-2025