Op 1 oktober 2010 is de vrouw (toentertijd 8 jaar oud) een zeer ernstig verkeersongeval overkomen. Zij heeft bij dit ongeval zeer ernstig letsel opgelopen. In de jaren na het ongeval is de vrouw intensief en langdurig behandeld voor het letsel. De WAM-verzekeraar heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Inmiddels zijn er diverse medische expertises uitgevoerd waaruit blijkt dat de vrouw als gevolg van dit ongeluk blijvende gezondheidsklachten heeft, waaronder traumatisch schedel/hersenletsel, cognitieve klachten en visusklachten. In deze procedure wordt beoordeeld of door de verzekeraar een nader voorschot aan de vrouw moet worden verstrekt van € 83.295,73. Daarbij komen meerdere schadeposten aan de orde, waaronder het verlies van verdienvermogen, zorgschade, immateriële schade en overige schade. Ondanks haar gezondheidsklachten heeft de vrouw in 2022 een mbo-(dans)opleiding weten af te ronden. Zij heeft daarna geen betalend werk kunnen verrichten. De rechtbank oordeelt dat sprake is van verlies van verdienvermogen tot een bedrag van minimaal € 25.765. De rechtbank merkt op dat het hier gaat om een minimale, terughoudende benadering die zoveel mogelijk zonder voorbehoud is vastgesteld. Niet is uitgesloten dat de vrouw, gelet op haar opleiding en persoonlijke omstandigheden, in de hypothetische situatie een hoger inkomen had kunnen verwerven. Met gebruikelijke loonontwikkeling, carrièregroei of andere inkomensverhogende factoren is in deze berekening geen rekening gehouden. Een arbeidsdeskundige zou tot een hogere hypothetische verdiencapaciteit kunnen komen en daarmee vaststellen dat de schade wegens verlies van verdienvermogen over deze periode hoger is dan in deze beschikking wordt aangenomen. De rechtbank oordeelt dat over de periode van 13 september 2022 tot 13 december 2025 de schade wegens mantelzorg en begeleiding uitkomt op € 20.280. Het beroep op de schadebeperkingsplicht door het niet aanvragen van een pgb wordt afgewezen. Voor de vraag in hoeverre er ruimte is voor nadere bevoorschotting van smartengeld beoordeelt de rechtbank aan de hand van de Rotterdamse schaal voor hoeveel smartengeld de vrouw op dit moment minimaal in aanmerking zal komen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat de vrouw, zelfs indien wordt uitgegaan van een indeling in de categorie middelzwaar hersenletsel subcategorie II, dus de lagere categorie waarvan de verzekeraar uitgaat, ook dan in aanmerking zal komen voor een bedrag dat de € 50.000 (het thans uitgekeerde voorschot op deze schade) ruimschoots zal overstijgen. Ook slaat de rechtbank acht op de cumulatie van letsels. Naast het primaire hersenletsel heeft de vrouw haar zicht aan een oog verloren. Dat weegt de rechtbank mee onder verwijzing naar de LOVCK-, LOVCH- en LOVS-aanbevelingen. De rechtbank acht het door de vrouw gestelde totaalbedrag van € 100.000 (bepaald) niet onredelijk. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het uiteindelijke smartengeld ruimschoots hoger zal zijn dan het reeds betaalde bedrag, zodat het verzochte aanvullende voorschot van € 50.000 niet bovenmatig voorkomt. De vervoerskosten en de opgenomen kosten vakantiedagen en overige kosten zijn onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd, de rechtbank zal deze niet meenemen in de optelsom ter bepaling van het voorschot. De totale schade van de vrouw tot en met 2025 bedraagt minimaal € 319.263,90. Op dit bedrag strekt in mindering het reeds door de verzekeraar betaalde voorschot van € 256.000. Het nog openstaande bedrag aan schade komt daarmee uit op € 63.263,90. Dat bedrag wijst de rechtbank toe.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-03-2026