Naar boven ↑
8.478 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0043

Schadestaatprocedure. In 2013 is een vrouw in haar rug en buik geraakt door een kogel. In een eerder vonnis is voor recht verklaard dat de wederpartij aansprakelijk is voor de door haar geleden schade als gevolg van het onvoorzichtig handelen bij het demonteren van een vuurwapen. De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of de wederpartij aanvullend schadevergoeding moet betalen aan de vrouw en zo ja, tot welk bedrag. De aansprakelijkheid als zodanig staat niet (meer) ter discussie. De rechtbank behandelt het beroep van de wederpartij op artikel 6:101 BW. De rechtbank is van oordeel dat de door de wederpartij gestelde omstandigheden niet kunnen leiden tot de conclusie dat het door de vrouw opgelopen letsel mede het gevolg is van omstandigheden die aan haar kunnen worden toegerekend, hier toegespitst tot het handelen van de vrouw zelf. Op zich voert de wederpartij terecht aan dat de vrouw bepaald onverstandig heeft gehandeld door met hem mee te gaan naar de woonplaats van zijn ex-partner terwijl duidelijk was dat hij daarbij weinig goeds van zin was. Een voldoende verband met het door de vrouw (en niet het door de ex-partner) opgelopen letsel, acht de rechtbank daarmee echter niet gegeven. De vrouw heeft zich niet willens en wetens in de situatie gebracht dat zij het slachtoffer zou kunnen worden van (onbedoeld) vuurwapengeweld. Vast staat ook dat het letsel het gevolg is van (een fout of vergissing bij) het demonteren van het vuurwapen en dus niet van het voorzienbaar door de wederpartij gebruiken van het vuurwapen in nabijheid van de vrouw. Ook als de vrouw wist dat hij een vuurwapen mee had, is haar letsel daarom niet mede te zien als het gevolg van haar handelen. In het midden kan dus blijven of de vrouw ervan wist. De rechtbank loopt de verschillende schadeposten langs. In totaal moet de wederpartij € 12.360,50 aan de vrouw betalen.
Rechtbank Limburg, 29-10-2025

Rechtspraak

PS 2026-0042

In 2024 is een schilder tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden voor zijn opdrachtgever ten val gekomen met een ladder. Daarbij heeft hij een breuk opgelopen in zijn onderrug. Als gevolg hiervan is hij tot op heden arbeidsongeschikt. De man vordert nu een verklaring voor recht dat zijn opdrachtgever aansprakelijk is jegens hem voor de ten gevolge van het bedrijfsongeval geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Volgens hem heeft zijn opdrachtgever zijn zorgplicht geschonden, doordat de opdrachtgever hem niet heeft geïnformeerd dat hij voor zijn werkzaamheden de hoogwerker mocht en moest gebruiken. De opdrachtgever heeft ook geen antislipmat aan de man ter beschikking gesteld die hij onder de ladder had kunnen plaatsen om te voorkomen dat deze weg zou glijden. Evenmin heeft de opdrachtgever de man geïnstrueerd om de ladder niet op de schuine, houten plank te plaatsen. De man kon de houten plank niet in zijn eentje verschuiven, want daar was deze te zwaar voor. De opdrachtgever voert aan dat met de man het VGM-plan is besproken. Hoewel er voor de desbetreffende werkzaamheden een hoogwerker was voorzien, die op simpele wijze door de man kon worden aangemeld bij de verhuurder, mochten deze werkzaamheden ook met behulp van een ladder worden uitgevoerd. De man heeft de verstrekte veiligheidsinstructies echter niet opgevolgd door de ladder op een instabiele ondergrond te plaatsen. De kantonrechter komt tot het oordeel dat de opdrachtgever niet de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen en instructies heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat de man in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. Anders dan de opdrachtgever heeft aangevoerd, was het voor de man kennelijk niet zo gemakkelijk om de hoogwerker zelf weer aan te melden of alsnog in gebruik te nemen. In theorie was dat misschien wel mogelijk, maar de opdrachtgever heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de hoogwerker in de praktijk altijd werd aan- en afgemeld door de projectleider (en dus niet door de medewerkers zelf). Deze projectleider was op de dag van het ongeval echter niet aanwezig op de bouwplaats. Verder staat als zijnde onweersproken vast dat de projectleider ook niet altijd telefonisch bereikbaar was voor zulk soort vragen. De opdrachtgever wist dat er voor de ingang van het pand een schuine, houten plank lag, waarmee rolstoelgebruikers toegang werd verschaft tot het pand. In het licht van zijn keuze om de hoogwerker af te melden, had de opdrachtgever er daarom op berekend moeten zijn dat de man de voorbereidende werkzaamheden boven de ingang van het pand met behulp van een ladder zou gaan uitvoeren, waarbij hij met de houten plank in aanraking zou komen. De opdrachtgever had daarop in moeten spelen, bijvoorbeeld door de man te instrueren hoe hij de ladder veilig neer kon zetten. Verder oordeelt de kantonrechter dat de opdrachtgever meer fysiek toezicht had kunnen en moeten houden op de bouwplaats. Verder waren de aanwijzingen die de opdrachtgever de man voorafgaand aan het project over het uitvoeren van de werkzaamheden heeft verstrekt niet specifiek gericht op het veilig werken op een ladder. De opdrachtgever is aansprakelijk op grond van artikel 7:658 lid 4 BW.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0041

In een eerdere beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat de appellant aansprakelijk is voor de gevolgen van het skiongeval dat de geïntimeerde is overkomen tijdens een skiles. Geïntimeerde droeg tijdens de les geen helm en heeft door de val ernstig letsel opgelopen. Volgens de rechtbank heeft de appellant onrechtmatig gehandeld door onvoldoende toezicht te houden op de naleving van haar advies om tijdens de les een helm te dragen. De appellant heeft verzocht om tussentijds hoger beroep open te stellen van de beschikking. De rechtbank heeft dit toegestaan. Geïntimeerde is van mening dat de appellant niet ontvankelijk is in haar hoger beroep omdat zij in de memorie van grieven bezwaren heeft gericht tegen beslissingen in de beschikking, terwijl zij in het exploot van de dagvaarding daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld. Het hof stelt bij de beoordeling van dit standpunt van de geïntimeerde voorop dat het bij de uitleg van gedingstukken, zoals in dit geval het exploot van de dagvaarding in hoger beroep, niet aankomt op een (geïsoleerde) beschouwing van enkel de (letterlijke) bewoordingen van wat daarin is opgenomen, maar dat daarbij ook de inhoud van wat aan de eis ten grondslag is gelegd, de wijze waarop de wederpartij een en ander heeft opgevat of redelijkerwijs heeft moeten opvatten en het overige partijdebat moet worden betrokken. Allereerst heeft te gelden dat, anders dan de geïntimeerde kennelijk veronderstelt, de dagvaarding in hoger beroep niet al een definitieve afbakening van het geschil inhoudt. Voor eerder gewezen tussenvonnissen geldt dat de appellant de vrijheid heeft om bij nadere omlijning van het hoger beroep in de memorie van grieven ook grieven te richten tegen beslissingen in voorafgaande tussenvonnissen, behoudens uitzonderingen die zich in dit geval niet voordoen. Toepassing van deze regel in deze situatie leidt niet tot strijd met de goede procesorde en de gerechtvaardigde belangen van de geïntimeerde worden hiermee evenmin geschaad. Voor de geïntimeerde moet verder voldoende duidelijk zijn geweest dat het hoger beroep van de appellant zich ook richtte tegen de deelgeschilbeschikking omdat de appellant juist daarvoor toestemming heeft gevraagd en verkregen van de rechtbank. Daarnaast heeft de appellant in de afsluitende conclusie van de dagvaarding in hoger beroep wel degelijk gevorderd ‘om aan geïntimeerde alsnog zijn vorderingen te ontzeggen’, wat onmiskenbaar verwijst naar de beslissingen in de beschikking.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 23-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0040

Een vrouw wordt tijdens het uitlaten van haar hond op een grasveldje waar meerdere honden met elkaar spelen omver gelopen door een hond. In het ziekenhuis is geconstateerd dat zij een complexe breuk aan haar linkerscheenbeen heeft opgelopen. Zij is hiervoor geopereerd en is gestart met revalidatie onder begeleiding van een fysiotherapeut. Anderhalf jaar na het ongeval is de vrouw (nog) niet volledig hersteld en kampt zij nog met diverse beperkingen. De rechtsbijstandsverzekeraar van de vrouw heeft de eigenaren van de hond aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:179 BW voor de schade die zij als gevolg van het ongeval lijdt en zal lijden. De eigenaren hebben kenbaar gemaakt niet verantwoordelijk te zijn voor het ongeval. Volgens hen is het de eigen hond van de vrouw die haar omver heeft gelopen waardoor zij viel. Subsidiair beroepen zij zich op eigen schuld van de vrouw. Door haar hond onaangelijnd te laten spelen met andere loslopende honden en tussen die spelende honden te gaan staan, heeft zij zelf bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. De rechtbank oordeelt dat de vrouw geslaagd is in het bewijs dat het de hond van de eigenaren is geweest die haar omverliep. Hierbij hecht de rechtbank veel waarde aan de verklaring van de enige getuige die het incident zelf heeft zien gebeuren en die geen partij is bij deze procedure. Dat zij de vrouw wel kent als (onder)buurvrouw en van het gezamenlijk uitlaten van de honden doet, anders dan de eigenaren van de hond stellen, niet automatisch af aan de waarde die aan haar verklaring kan worden toegekend. Voor de waardering van het bewijs hecht de rechtbank weinig waarde aan wat zich direct na het ongeval heeft afgespeeld of hoe partijen zich nog later via tussen hen gevoerde (WhatsApp)correspondentie hebben geuit, nu daaruit geen uitdrukkelijke erkenning van aansprakelijkheid kan worden afgeleid. Het zich verontschuldigen of het zeggen/schrijven van ‘sorry’ is hiertoe onvoldoende. In aanmerking moet worden genomen dat iedereen die het incident heeft zien gebeuren hevig was geschrokken en de situatie enorm vervelend vond voor de vrouw. Dit leidt ertoe dat de eigenaren op grond van artikel 6:179 en 6:180 BW jegens de vrouw hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ten gevolge van het incident door de vrouw geleden en nog te lijden schade. Zij zijn echter niet volledig schadeplichtig. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van dergelijke aan de vrouw toe te rekenen en voor risico van de vrouw komende omstandigheden. Vast staat immers dat zowel de vrouw als de eigenaren hun honden uitlieten op een groenstrook/grasveld waarbij zij beiden de aldaar geldende aanlijnplicht niet in acht namen. Beiden, dus ook de vrouw, hebben hun hond van de lijn afgehaald en hebben het goed gevonden dat hun honden ongestoord en ongehinderd met elkaar gingen spelen. Een verdeling van de schade over de vrouw en de eigenaren in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de eigenaren 60% van de ten gevolge van het incident geleden schade dient te vergoeden en dat dus 40% van de schade voor eigen rekening van de vrouw dient te blijven. De rechtbank acht het met partijen wenselijk dat de te vergoeden schade in deze procedure zal worden vastgesteld en dat de zaak niet naar een schadestaatprocedure wordt verwezen, zoals subsidiair wordt gevorderd, met als bijgevolg dat partijen nog vele male langer, mogelijk zelfs jarenlang, met elkaar in een procedure verwikkeld zullen zijn. De vrouw krijgt wel nog de gelegenheid om in een nader te nemen akte haar gevorderde schade nader te kunnen toelichten en daarbij alsnog in te gaan op de door de eigenaren gevoerde verweren.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0038

Strafrecht. Verdachte heeft een brand aangestoken bij het huis van zijn ex-partner. Op het moment van de brand waren er vijf personen in de woning aanwezig: de ex-partner en haar vier kinderen. Twee kinderen is het gelukt om uit de woning te vluchten. Een ander kind is door de brandweer uit zijn slaapkamer aan de voorzijde van het huis gered. De ex-partner en haar jongste zoon zijn in een slaapkamer aan de achterzijde van de woning ingesloten geraakt door het vuur. Zij hebben beiden ernstige brandwonden opgelopen en zijn ternauwernood door de brandweer met een ladder uit de woning gered. De moeder en haar vier kinderen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De moeder heeft in hoger beroep haar vordering aan immateriële schade verlaagd naar een bedrag van € 60.000. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten tweede- en derdegraads brandwonden op negen procent van de lichaamsoppervlakte. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 35.000. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. Daarnaast voegt ook haar kind die brandwonden heeft opgelopen zich als benadeelde partij. Deze vordering bestaat uit een bedrag van € 60.420 aan immateriële schade. Naar het oordeel van het hof is hier ook komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten brandwonden met een gemengd karakter, variërend van oppervlakkig tot diep, die tien procent van de lichaamsoppervlakte beslaan. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, als bedoeld in artikel 6:106 BW. De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 25.000. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. De overige drie kinderen hebben vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade telkens tot een bedrag van € 10.000. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde op andere wijze in de persoon zijn aangetast als bedoeld artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Weliswaar hebben de benadeelde partijen dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschendingen meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof acht het gevorderde billijk.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0035

Het geschil gaat over de afwikkeling van schade van een verkeersongeval dat de man in 2008 is overkomen met zijn auto in Polen. De oplegger van een trekker-opleggercombinatie is op (onder andere) de auto van de man terechtgekomen waardoor hij tegen een andere auto is aangebotst. De man woonde ten tijde van het ongeval in Tsjechië. De WAM-verzekeraar van de bestuurder van de trekker-opleggercombinatie, die het ongeval heeft veroorzaakt, heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat het Pools recht van toepassing is op de vorderingen van de man. De rechtbank heeft de vorderingen van de man vervolgens afgewezen omdat de vorderingen naar Pools recht zijn verjaard. De man gaat hiertegen in hoger beroep. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat in dit geval een verjaringstermijn van drie jaar geldt vanaf het moment waarop de man bekend was met de aansprakelijke persoon en de schade. De conclusie luidt dat niet is gebleken van eerdere stuitingshandelingen dan de telefonische mededeling van de man aan de verzekeraar op 2 januari 2012 dat hij een claim zal indienen. De vraag of de man de verjaring daarmee heeft gestuit voor het verstrijken van de termijn van drie jaar, hangt af van het aanvangsmoment van de verjaring waarover het hof na uitlating van partijen verder zal oordelen. Het hof stelt vast dat, uitgaande van het door de verzekeraar gestelde aanvangsmoment, in welk geval de stuiting op 2 januari 2012 ongeveer een half jaar na het verstrijken van de verjaringstermijn heeft plaatsgevonden, er sprake is van een geringe overschrijding van de verjaringstermijn. De man heeft het standpunt ingenomen dat het beroep op verjaring van de verzekeraar in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat de verzekeraar haar recht heeft verwerkt om een beroep op verjaring te mogen doen. In de door beide partijen overgelegde legal opinions is niet ingegaan op de vraag of er naar Pools recht een wettelijke grondslag is om het beroep op verjaring te passeren. Het hof verzoekt partijen om met legal opinions hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de geschetste omstandigheden te (laten) betrekken. De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating aan de zijde van de verzekeraar, gevolgd door een antwoordakte aan de zijde van de man.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-04-2025