Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0087

De man is op 5 juli 2021 als automobilist van achteren aangereden toen hij voor een stoplicht stond. Daarna kreeg hij verschillende klachten zoals nek- en rugklachten, hoofdpijn, cognitieve klachten, slaapproblemen, verminderd concentratievermogen en duizeligheid. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid van de gevolgen van het ongeval erkend. Partijen twisten over het causaal verband tussen de gestelde klachten van de man en het ongeval. In die discussie speelt onder andere de medische voorgeschiedenis van de man een rol (hij is eerder betrokken geweest bij een achteropaanrijding) en de impact van het ongeval (het gaat om een aanrijding met een geringe snelheid). Om duidelijkheid te krijgen over het causaal verband verzoekt de man om een neuroloog en een verzekeringsarts als deskundige te benoemen om een expertise uit te brengen. De verzekeraar verzet zich niet tegen de benoeming van een neuroloog, dit verzoek wordt toegewezen. De verzekeraar verzet zich wel tegen het verzoek tot benoeming van een verzekeringsgeneeskundige, zij stelt dat dit verzoek prematuur is. De rechtbank zal echter ook het gevraagde onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige bevelen en daarvoor een deskundige benoemen. De man heeft goed uitgelegd waarom dit onderzoek nodig is. Aan de bezwaren van de verzekeraar gaat de rechtbank voorbij. Het is namelijk niet aannemelijk dat er geen enkel causaal verband bestaat tussen de gestelde klachten van de man en het ongeval. Het is nog wel onduidelijk welke gestelde klachten van de man in verband staan met het ongeval, maar die klachten zullen met het neurologisch onderzoek geobjectiveerd kunnen worden. Het verzochte verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal vervolgens plaatsvinden na de neurologische expertise en daarop voortbouwen. Het verzoek is daarom niet prematuur maar efficiënt. De rechtbank hanteert de nieuwe IWMD-vraagstelling, ondanks de bezwaren van de verzekeraar daartegen. De nieuwe vraagstelling is volgens de rechtbank een verbetering ten opzichte van de vorige en borduurt daarop voort. Daarbij komt dat niet over één nacht ijs is gegaan. Zoals op de website van De Letselschade Raad is te lezen, is de nieuwe vraagstelling tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie werd geëvalueerd en vervolgens gereviseerd. Zoals ook op de website van De Letselschade Raad is te lezen sluit deze versie aan bij de NVMSR-richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. De rechtbank kiest dus voor de verbeterde en niet, zoals ASR wenst, voor de oudere versie van de vraagstelling.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 13-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0086

Strafrecht. De verdachte heeft zich op 1 februari 2025 in psychotische toestand schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. Allebei de feiten waren gericht tegen een willekeurig slachtoffer dat de verdachte niet kende en met wie hij geen interactie heeft gehad. Het 11-jarige slachtoffer werd door de verdachte aangezien voor een demon, waartegen hij zich moest verdedigen. Terwijl zij op straat was met haar broertje, neefje en nichtje, heeft hij haar volkomen onverwacht van het leven beroofd door haar plotseling vast te pakken en meermalen met een mes in haar borststreek te steken. Dit gebeurde op klaarlichte dag in een woonwijk en in het bijzijn van jonge kinderen tussen de 5 en 13 jaar. Naast het doden van het slachtoffer heeft de verdachte ook een vrouw mishandeld door haar zonder enige aanleiding tegen haar hoofd te slaan. Verschillende partijen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De vader heeft naast materiële schade vergoeding van immateriële schade gevorderd, waarvan € 20.000 als affectieschade en € 35.000 als schokschade. De moeder van het slachtoffer vordert een schadevergoeding van € 20.000 bestaande uit affectieschade. Het broertje en het zusje van het slachtoffer vorderen allebei een schadevergoeding van € 17.500 bestaande uit affectieschade. Het neefje en het nichtje van het slachtoffer vorderen allebei € 20.000 bestaande uit shockschade. De gevorderde affectieschade wordt voor alle partijen toegewezen. De rechtbank oordeelt dat de vader van het slachtoffer recht heeft op shockschade. Uit de toelichting op de vordering en uit het dossier volgt dat hij kort na het steekincident op de plaats delict aanwezig was. Hij werd daarbij direct geconfronteerd met het lichaam van zijn dochter, die met haar steekverwondingen op straat lag en daar uiteindelijk ook is overleden. Uit de toelichting op de vordering blijkt ook dat de confrontatie heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van PTSS, in combinatie met gecompliceerde rouw. De benadeelde partij heeft gegevens verstrekt waaruit blijkt dat dit geestelijke letsel is vastgesteld door een GZ-psycholoog en waaruit volgt dat intensieve traumagerichte behandeling noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding om de schokschade naar billijkheid te begroten op het gevorderde bedrag van € 35.000. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het neefje en nichtje allebei in aanmerking komen voor vergoeding van de shockschade. Op het moment van het bewezen verklaarde feit speelden zij ook samen met het slachtoffer. Zij zijn directe getuige geweest van de geweldshandelingen. Zij waren allebei ontzettend bang dat de verdachte hen ook zou neersteken en zijn toen in paniek weggerend. De rechtbank vindt het evident dat de benadeelde partijen door deze plotselinge en onverwachte gewelddadige aanval een hevige emotionele schok hebben opgelopen waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Volgens hun behandelaar komt de aard en intensiteit van hun klachten overeen met de kenmerken van PTSS. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat zij nauwe en hechte familiebanden met het slachtoffer hadden. De rechtbank zal de gevorderde schokschade vaststellen op het gevorderde bedrag van € 20.000 per benadeelde partij.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 03-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0085

Er heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een auto en een motorfiets. De auto was in eigendom van de moeder van de bestuurder. Het ongeval is veroorzaakt doordat de zoon tegen de motorfiets is aangereden, ten tijde van het ongeval was hij onder invloed van alcohol. De verzekeraar heeft aan het slachtoffer schade uitgekeerd en de eigenares van de auto gesommeerd tot betaling van dat bedrag. Het Gerecht heeft de vorderingen van de verzekeraar afgewezen. In hoger beroep wordt geoordeeld dat er niet voldoende is komen vast te staan dat de verzekeraar in zijn belangen is geschaad omdat de eigenares heeft verzuimd mededeling te doen van het ongeval. Daarnaast verschillen partijen van mening over de uitleg van de woorden ‘onder zodanige invloed van alcoholhoudende drank en/of enig ander bedwelmend of opwekkend middel verkeerde, dat hij niet in staat moest worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen’. Bij gebrek aan een aanwijzing voor een andere maatstaf zoekt ook het Hof voor de uitleg van voormelde zinssnede in beginsel aansluiting bij de wettelijke norm van artikel 5 lid 2 sub a Landsverordening wegverkeer. Omdat er geen sprake is van een blaas- of bloedtest, verzet niets zich ertegen om in dat geval na te gaan of er andere objectief waarneembare kenmerken zijn. Nu de verzekeraar haar vordering baseert op het standpunt dat zij verhaal kan nemen op de eigenares omdat de schade niet door de polis is gedekt, rust de stelplicht en bewijslast hiervan ingevolge de hoofdregel van artikel 129 Rv op de verzekeraar. Het rapport dat door de verzekeraar is overgelegd is niet voldoende om te bewijzen dat de bestuurder van de auto, ten tijde van het ongeval, onder invloed was van alcoholhoudende drank. De eigenares heeft dit voldoende gemotiveerd betwist. Gelet op deze gemotiveerde betwisting rust op de verzekeraar het bewijs van haar stelling. De zaak zal naar de rol worden verwezen zodat de verzekeraar zich kan uitlaten over hoe zij bewijs wenst te leveren.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 01-10-2024

Rechtspraak

PS 2026-0084

Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van seksueel misbruik van haar minderjarige dochter, medeplegen van verkrachting van haar dochter en het vervaardigen en verspreiden van kinderporno. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf van vijf jaar op. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij vordert onder andere € 18.700 aan materiële schade in de vorm van studievertraging en een bedrag aan € 50.000 voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank oordeelt dat tussen de studievertraging van aangeefster en het bewezenverklaarde voldoende causaal verband bestaat. Het slachtoffer heeft daarom recht op, ontleend aan de Letselschade Richtlijn Studievertraging, een normbedrag van € 18.700. Daarnaast heeft het slachtoffer voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij haar is PTSS vastgesteld. Zij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde dat in totaal meer dan vier jaar heeft geduurd al ruim 100 EMDR-therapiesessies bij een psycholoog gehad. Uit het behandelverloop en uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat ze veel last heeft van stressklachten, waaronder nachtmerries, paniek, slaapproblemen, dwanghandelingen en somberheidsklachten. Al voor het misbruik was aangeefster kwetsbaar. De sociaal-emotionele en relationele ontwikkeling van aangeefster is door het misbruik negatief beïnvloed. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse Schaal’. In deze zaak is sprake van geestelijk letsel (PTSS) die, gelet op het verloop tot nu toe en de verwachting voor de toekomst, als ernstig (categorie b) kan worden aangemerkt. In dit geval is sprake van een jong slachtoffer en is sprake van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van € 40.000 aan immateriële schade passend.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0083

Strafrecht. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het opzettelijk doden van een baby die op 20 augustus 2019 aan haar zorg en toezicht als professioneel gastouder was toevertrouwd. Terwijl de verdachte als gastouder voor de baby zorgde, is ten gevolge van hevige krachtsinwerking(en) onder meer ernstig hersenletsel bij de baby ontstaan, aan de gevolgen waarvan zij is overleden. De baby is hierdoor niet ouder dan zeven maanden geworden. In eerste aanleg hebben de moeder en de vader van de baby zich gevoegd als benadeelde partij. Zij hebben beiden in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van in totaal € 55.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De rechtbank heeft de vordering van de moeder gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 40.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. Ten aanzien van de vordering van de vader heeft de rechtbank hetzelfde toegewezen. De benadeelde partijen hebben te kennen gegeven de gehele vorderingen in hoger beroep te handhaven. Het hof acht de gevorderde affectieschade van € 20.000 gelet op de overeenkomstige bedragen in het Besluit vergoeding affectieschade voor beide benadeelde partijen toewijsbaar. Het hof acht echter dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun gevorderde shockschade. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de ouders een enorm hevige emotionele schok hebben opgelopen. Daarnaast blijkt uit de bij de vorderingen gevoegde (naar de Nederlandse taal vertaalde) berichten van een Poolse psychiater ook dat sprake is van klachten van vermoeidheid, uitputting en slaapproblemen. Ook wordt gesproken over een adaptieve stoornis. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat hetgeen in de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen naar voren is gebracht geen bevestiging vindt in de berichten van de psychiater. Naar het oordeel van het hof staat dan ook onvoldoende vast dat het gaat om geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van de door de verdachte gepleegde onrechtmatige daad. Alleen de gevorderde affectieschade wordt toegewezen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 29-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0081

Kort geding. De benadeelden zijn slachtoffers van een ongeval waarbij zij letselschade hebben opgelopen. De verzekeraar van de partijen die aansprakelijk zijn heeft deze aansprakelijkheid erkend, waarna minnelijke schaderegelingstrajecten zijn gestart. De slachtoffers werden bij gestaan door twee belangenbehartigers die werkzaam waren bij het letselschadebureau. De verzekeraar heeft bij e-mail van 25 maart 2025 aan de belangenbehartiger bericht dat zij er niet van overtuigd is dat het letselschadebureau een deskundige en integere partij is en dat zij om die reden geen aanleiding ziet om terug te komen op haar besluit om tot 24 augustus 2031 niet met dit bureau samen te werken. De verzekeraar heeft er daarbij op gewezen dat zij bereid is haar standpunt te herzien als de verzekeraar vóór die datum kan aantonen dat zij wel een deskundige en integere partij is, bijvoorbeeld doordat haar medewerkers bij het NIVRE geregistreerd staan of aan haar het NKL is toegekend. De advocaat van het letselschadebureau en de benadeelden heeft de verzekeraar op 2 september 2025 gesommeerd om de minnelijke schaderegelingstrajecten van de benadeelden voort te zetten met het letselschadebureau als belangenbehartiger. De verzekeraar heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven. De rechtbank oordeelt dat het een verzekeraar slechts vrijstaat om een belangenbehartiger te weigeren als zij daarvoor goede redenen heeft. Bij de beslissing om een belangenbehartiger te weigeren mag een verzekeraar ook betekenis toekennen aan het feit dat een belangenbehartiger ‘ongebonden’ is. Een belangenbehartiger die lid is van het NIVRE of het Nederlands Instituut van Schaderegelaars (NIS) of wiens kantoor is aangesloten bij het NKL of de Nederlandse Letselschade Experts (NLE), heeft zich geconformeerd aan de GBL, dient aan opleidingseisen te voldoen en is gebonden aan een externe klachtenregeling. Voor ongebonden belangenbehartigers geldt dit alles in beginsel niet. Verzekeraars kunnen hen dan ook niet aanspreken op in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hen indienen indien zij niet aan die normen voldoen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het letselschadebureau er op dit moment nog onvoldoende blijk van heeft gegeven dat zij een betrouwbare belangenbehartiger is en dat schaderegelingsprocessen waarin zij als belangenbehartiger optreedt goed verlopen. In de periode november 2023 tot 18 november 2024 zijn er verschillende maatregelen genomen tegen een ander letselschadebureau waarover de voorzieningenrechter oordeelt dat het letselschadebureau die door de verzekeraar thans wordt geweigerd feitelijk te beschouwen valt als een voortzetting daarvan. Daarnaast is het letselschadebureau pas relatief kort als letselschadebureau actief en zij heeft zich daardoor ook wat betreft het voldoen aan de vereisten van het Reglement NKL en de GBL nog onvoldoende bewezen. Niet alleen het ontbreken van het NKL, maar ook het feit dat de bij het bureau werkzame schaderegelaars (nog) niet bij het NIVRE staan geregistreerd rechtvaardigt op dit moment de weigering van de verzekeraar. Tot slot volgt de voorzieningenrechter het betoog van het letselschadebureau dat zij zich in een ‘catch-22’-positie bevindt niet. De voorzieningenrechter concludeert dat het belang van de benadeelden, om zich te kunnen laten bijstaan door de hun gekozen belangenbehartigers, minder zwaar weegt dan het belang van de verzekeraar om uitsluitend zaken te doen met belangenbehartigers die zich als betrouwbare belangenbehartigers hebben bewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 20-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0080

Op 20 mei 2015 fietste de vrouw een groep van vijf meisjes tegemoet die naar school reden. Op een gegeven moment was er bij het passeren contact tussen de vrouw en een van de meisjes, die destijds minderjarig was. De vrouw, de minderjarige en een ander meisje dat naast de minderjarige reed, zijn toen gevallen. De vrouw heeft als gevolg van deze val (letsel)schade opgelopen. Zij verzoekt in deze deelgeschilprocedure een verklaring voor recht dat de ouders van de minderjarige en/of de aansprakelijkheidsverzekeraar aansprakelijk is voor deze schade. De verzekeraar heeft op 16 april 2025 laten weten dat de vordering van de vrouw is verjaard. De vrouw betwist de verjaring ten opzichte van de veroorzaker van het ongeval en de verzekeraar (van de ouders van het meisje). De vrouw beroept zich op de directe actie uit artikel 7:954 BW en stelt dat er sprake is van duurstuiting ex artikel 7:942 lid 3 BW. Volgens de vrouw is de daarin vermelde verjaringstermijn van drie jaren in deze zaak gestuit. De eerste stuitingshandeling was de aansprakelijkstelling van 30 juli 2015. Vervolgens begon een (nieuwe) verjaringstermijn van drie jaren te lopen nadat de verzekeraar de aansprakelijkheid op 11 augustus 2015 had afgewezen. In de periode daarna is er nog onderhandeld over de vordering van de vrouw. De verzekeraar heeft echter tot 16 april 2025 geen ondubbelzinnige mededeling gedaan dat zij de onderhandelingen afbrak. Dit betekent volgens de vrouw dat de duurstuiting conform artikel 7:942 lid 3 BW tot 16 april 2025 voortduurde. De rechtbank overweegt dat op de vordering van de vrouw verschillende verjaringsregimes van toepassing zijn. De rechtbank oordeelt dat, anders dan de vrouw meent, het houden van een voorlopig getuigenverhoor op 2 maart 2017 waarbij de vrouw en de verzekeraar beide aanwezig waren, niet onder ‘onderhandeling’ (als stuitingshandeling) kan worden begrepen. Nergens blijkt uit de houding van de verzekeraar dat er in de periode tussen de afwijzing van aansprakelijkheid op 11 augustus 2015 en het najaar van 2017 sprake is geweest van een reactie die de indruk heeft gegeven dat zij een regeling van het fietsongeval overwoog. De verzekeraar heeft in een e-mail van 6 november 2017 ondubbelzinnig en in volstrekt afwijzende zin te kennen gegeven dat erkenning van aansprakelijkheid van de ouders op basis van de resultaten van het voorlopig getuigenverhoor niet aan de orde is. Er is ook niet gebleken van enige andere stuitingshandeling (‘onderhandeling’) waardoor de verjaringstermijn van drie jaar is gestuit en een situatie van duurstuiting zou moeten worden aangenomen. Dit betekent dat op grond van artikel 7:942 lid 1 BW het (beweerdelijke) vorderingsrecht van de vrouw op de verzekeraar in het kader van de directe actie al was verjaard in 2024. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de vrouw niet concreet en onderbouwd heeft aangevoerd dat zij enige stuitingshandelingen heeft verricht zodat kan worden aangenomen dat er geen sprake is van verjaring op grond van artikel 3:310 BW in de verhouding tot de ouders van de vermeende veroorzaakster. Het vorderingsrecht van de vrouw was op 18 oktober 2017, op het moment dat haar huidige advocaat zich met haar stuitingsbrief bij de verzekeraar meldde, al ruimschoots verjaard. Bovendien is niet komen vast te staan dat de minderjarige een (verkeers)fout heeft gemaakt die maakt dat haar ouders risicoaansprakelijk zijn voor de schade van de vrouw.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 16-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0079

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van seksueel misbruik van zijn minderjarige stiefdochter, medeplegen van verkrachting van zijn stiefdochter, verkrachting en het verwerven en in bezit hebben van kinderporno. Hij krijgt een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd. De dochter heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij haar is PTSS vastgesteld. Zij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde, dat in totaal ruim vier jaar heeft geduurd, al ruim 100 EMDR-therapiesessies bij een psycholoog gehad. Uit het behandelverloop en uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat ze veel last heeft van stressklachten, waaronder nachtmerries, paniek, slaapproblemen, dwanghandelingen en somberheidsklachten. Al voor het misbruik was aangeefster kwetsbaar. De sociaal-emotionele en relationele ontwikkeling van aangeefster is door het misbruik negatief beïnvloed. Haar complexe problematiek vraagt om specialistische hulp die is toegesneden op de problemen met gedrag, trauma en gehechtheid. Er is nog geen concrete inschatting te maken over het behandelverloop of wanneer de therapie kan worden beëindigd. De behandeling richt zich momenteel op het verminderen van stressklachten en het ondersteunen van haar in het verwerkingsproces. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse Schaal’. De Rotterdamse Schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse Schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In deze zaak is sprake van geestelijk letsel die, gelet op het verloop tot nu toe en de verwachting voor de toekomst, als ernstig (categorie b) kan worden aangemerkt. De rechtbank neemt de in die categorie genoemde bandbreedte van € 16.000 - € 41.000 tot uitgangspunt. In dit geval is sprake van een jong slachtoffer en is sprake van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van € 40.000 aan immateriële schade passend. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de dochter daarom tot dat bedrag toe.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28-01-2026