Deze zaak gaat om de vraag of Schiphol als exploitant aansprakelijk is voor de schade die een medewerker van een grondafhandelingsbedrijf als gevolg van de zware werkomstandigheden heeft geleden. De medewerker voert in hoger beroep vijftien grieven aan tegen het bestreden vonnis. In essentie bestrijden deze grieven het oordeel van de kantonrechter dat er geen grondslag bestaat voor aansprakelijkheid van de luchthavenmaatschappij jegens de medewerker en lenen zij zich (grotendeels) voor een gezamenlijke behandeling. Het hof stelt net als de kantonrechter bij zijn beoordeling voorop dat de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden en het toezicht daarop primair ligt bij respectievelijk de werkgever en de arbeidsinspectie. Het hof is verder (met de kantonrechter) van oordeel dat op de luchthavenmaatschappij geen juridische verplichting rust om de arbeidsomstandigheden van de medewerker, of naleving van de Arbo-voorschriften voor het bagage- en vrachtpersoneel in het algemeen, actief te controleren of daarop toe te zien. De medewerker bestrijdt ook het oordeel van de kantonrechter dat van het bewust onrechtmatig profiteren van een wanprestatie van de grondafhandelaren door de luchthavenmaatschappij geen sprake is. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een handelen van de luchthavenmaatschappij met een partij (een grondafhandelaar) die door dit handelen een door hem met zijn contractspartij (de medewerker) gesloten overeenkomst schendt. Het is namelijk niet de luchthavenmaatschappij die een overeenkomst aangaat met de grondafhandelaren, maar dat doen de luchtvaartmaatschappijen zelf. Dat deze overeenkomst op het luchthaventerrein wordt uitgevoerd maakt nog niet dat luchthavenmaatschappij, rechtstreeks dan wel via een tussenpersoon, handelt met de grondafhandelaren en van hun wanprestatie profiteert. Daarnaast slaagt de grief tegen de toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW ook niet. Dit artikel mist in deze zaak toepassing en naar oordeel van het hof kan dit niet analoog worden toegepast op grond van de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast neemt het hof ook geen aansprakelijkheid aan in verband met een gebrekkig wegdek. Tot slot slaagt de grief met betrekking tot wanprestatie niet. De medewerker was werkzaam met een pas van de luchthavenmaatschappij en stelt dat er daarom regels van toepassing waren. Het hof is van oordeel dat de medewerker onvoldoende concreet heeft gesteld welke verbintenissen uit deze regels voortvloeiden en dat de luchthavenmaatschappij hierin tekortgeschoten zou zijn. Alle grieven falen, het hoger beroep faalt.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16-12-2025