Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0095

Op 15 september 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op een kruising tussen een voetganger en een fietser. Toen de voetganger in of vlak na de bocht wilde oversteken, kwamen hij en de fietser met elkaar in botsing. De voetganger kwam ten val en liep letsel op aan zijn rechterarm. In deze zaak staat de vraag centraal of de fietser jegens de voetganger aansprakelijk is. De voetganger verwijt de fietser dat hij onvoldoende oplettend en voorzichtig heeft gereden en zijn snelheid niet heeft aangepast aan de verkeerssituatie en de omstandigheden ter plaatse. De fietser betwist dit. De rechtbank oordeelt dat de fietser er redelijkerwijs niet op bedacht hoefde te zijn dat voetgangers, over de rijbaan tegen het verkeer in de bocht om zouden komen, omdat er een trottoir aan de overzijde aanwezig was. Er was voor de voetganger ook geen noodzaak om tegen het verkeer in door de bocht over de weg te lopen. Doordat de voetganger en zijn vrienden, die dicht bij elkaar liepen, pas in het gezichtsveld van de fietser zijn gekomen toen hij al vlakbij hen was, kan niet van de fietser worden verwacht dat hij anders had gehandeld dan dat hij heeft gedaan. Omdat de voetganger nog in de binnenbocht of net na de binnenbocht liep, heeft de fietser daarop niet kunnen anticiperen. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling dat de fietser meer voorzichtigheid had moeten betrachten. De voetganger heeft niet gesteld dat het op het moment van het ongeval zodanig druk was dat de fietser meer voorzichtig had moeten handelen. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de voetganger onvoldoende aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat de fietser te hard heeft gereden. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 14-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0094

De producent heeft een permanente sterilisatiemethode voor vrouwen ontwikkeld. Bij deze methode plaatste een gynaecoloog een spiraalachtig implantaat, Essure, in de eileiders van de vrouw. De Stichting komt op voor alle vrouwen die in Nederland Essure geïmplanteerd hebben gekregen. Volgens de Stichting is Essure onveilig en heeft de producent daar onvoldoende onderzoek naar gedaan. Essure veroorzaakt gezondheidsklachten bij de vrouwen en daar zijn de vrouwen onvoldoende voor gewaarschuwd. Een substantieel aantal vrouwen heeft de keuze gemaakt om Essure operatief te laten verwijderen en ondervindt sindsdien geen klachten meer of een afname daarvan. Om te bereiken dat deze vrouwen een schadevergoeding krijgen, en de zorgverzekeraars worden gecompenseerd voor de medische kosten, is de Stichting deze massaschadeprocedure tegen de producent gestart. De producent bestrijdt dat zij aansprakelijk is tegenover de vrouwen. Zij is van mening dat Essure een veilig product is en dat de klachten die de vrouwen hebben niet door Essure komen. In het kader van het partijdebat over de gestelde gebrekkigheid van Essure en het causale verband met de klachten, hebben partijen diverse publicaties en rapporten van medisch-wetenschappelijke onderzoeken over (de veiligheid van) Essure overgelegd. Om al deze onderzoeken tegen elkaar te kunnen afwegen, wil de rechtbank zich eerst laten voorlichten door een commissie van deskundigen over de (methodologische) kwaliteit van de aangehaalde onderzoeken en de zeggingskracht en relevantie van die onderzoeken. Daarnaast wil de rechtbank onafhankelijk laten toetsen of de producent meer en betere onderzoeksmogelijkheden tot haar beschikking had staan dan zij heeft benut, zoals de Stichting heeft aangevoerd. De rechtbank constateert dat zich in het dossier geen langetermijnonderzoek bevindt, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen een controlegroep vrouwen zonder Essure en zonder anticonceptie die op het lichaam inwerkt (zoals de pil of een spiraal) en een controlegroep vrouwen met Essure. De producent heeft aangevoerd dat dit onderzoek niet mogelijk is, terwijl de Stichting juist de producent verwijt dit onderzoek niet te hebben gedaan. De rechtbank wil zich daarom laten voorlichten of dergelijk onderzoek, dat tot een directe manier van vergelijken zou leiden, wel of niet mogelijk was. Naast de discussie over de medisch-wetenschappelijke onderzoeken naar Essure, vindt de rechtbank ook relevant hoe gynaecologen in Nederland vrouwen die Essure geïmplanteerd hebben gekregen en klachten ervaren, behandelen. Bij een substantieel deel van die vrouwen wordt Essure namelijk sinds een aantal jaren verwijderd met een operatie, ondanks de verstrekkende gevolgen die dat kan hebben. Uit dat wat hiervoor is overwogen, volgt dat bij de rechtbank de vraag leeft of de onderzoeken die de producent heeft gedaan toereikend zijn en dan vooral of de producent (ook) onderzoek had kunnen doen naar vrouwen zonder Essure en zonder anticonceptie die inwerkt op het lichaam (pil, spiraal). De rechtbank zal een commissie van deskundigen benoemen, die bestaat uit twee klinisch epidemiologen (waarvan één voorzitter zal zijn), twee gynaecologen en één immunoloog. De rechter stelt de vraagstelling vast. De kosten van het deskundigenonderzoek worden over de partijen verdeeld. Uitgangspunt is dat de verzoeker deze kosten betaalt, maar omdat de producent nog niet aan haar verzwaarde stelplicht heeft voldaan dient zij de helft van de kosten te voldoen. Daarnaast wil de rechtbank meer informatie ontvangen van de producent over de (klinische) onderzoeken die zij naar Essure heeft ingesteld en de onderbouwing daarvan voor toelating tot en behoud op de markt, die zij nog niet heeft overlegd. Daarom zal de rechtbank de producent op grond van artikel 22 Rv bevelen de documenten die staan opgesomd bij akte in deze procedure te overleggen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 11-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0091

In de beschikking van 3 juli 2025 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden zodat partijen zich uit konden laten over de persoon van de te benoemen deskundige. Uit de e-mailberichten en de brief die de rechtbank vervolgens van partijen heeft ontvangen, blijkt dat partijen geen overeenstemming hebben weten te krijgen over de persoon van de te benoemen deskundige. Om die reden zal de rechtbank in deze beschikking beoordelen wie als deskundige benoemd moet worden. Niet ter beoordeling staat of de operatie had moeten worden verricht door een gynaecoloog die op de hoogte is van ernstige gecompliceerde wondproblemen bij buikchirurgie. Dit komt ook niet in de vraagstelling naar voren waar partijen al eerder overeenstemming over hebben bereikt. Beoordeeld moet worden of het handelen van de behandelend gynaecoloog onder de gegeven omstandigheden voldeed aan de eisen van een redelijk bekwaam en een redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden. Een te benoemen deskundige die hetzelfde specialisme uitoefent als de hulpverlener van wie het handelen ter discussie staat, is aan dezelfde professionele standaard gebonden en weet wat daarin wordt voorgeschreven. Daarbij dient de deskundige rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de vrouw, zoals die ook bij de behandeld gynaecoloog bekend waren, en dat in zijn onderzoek mee te nemen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de deskundige, met eenzelfde specialisme als de gynaecoloog die de vrouw heeft behandeld, als deskundige dient te worden benoemd. Daarnaast stelt de rechtbank de vraagstelling vast.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 18-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0089

De werknemer stelt dat hem een ongeval is overkomen toen hij takelwerkzaamheden verrichtte voor zijn werkgever. De werkgever betwist dat een dergelijk ongeval heeft plaatsgevonden, laat staan dat de werknemer schade heeft geleden. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de werknemer schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. Het hof is van oordeel dat de werknemer heeft bewezen dat hem een ongeval is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever. De werknemer heeft zelf een verklaring afgelegd en het hof is van oordeel dat hij daarnaast geslaagd is in het leveren van aanvullend bewijs. De werknemer hoeft de toedracht van het ongeval niet te bewijzen. Daarnaast oordeelt het hof dat de werknemer voldoende heeft gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. Dit betekent verder dat de werknemer voldoende heeft gesteld voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals door hem gevorderd. Volgens vaste jurisprudentie is voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure immers voldoende dat de werknemer de mogelijkheid van schade aannemelijk heeft gemaakt. In die procedure kan de omvang van de schade worden vastgesteld. Het hof is ook van oordeel dat de werkgever niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. De werkgever kon niet volstaan met afgaan op de (overigens door de werknemer betwiste) mededeling dat hij ervaring zou hebben met revisie- en onderhoudswerkzaamheden, terwijl niet is gebleken dat zij zich ervan vergist heeft dat de werknemer de benodigde deskundigheid had om de takelwerkzaamheden uit te voeren, laat staan dat gecontroleerd is of een deugdelijke eindstop was aangebracht en de takelwerkzaamheden veilig konden worden uitgevoerd. Ook de stelling van de werkgever dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de werknemer (hij zou de lijmklem hebben aangebracht, maar ook dit wordt door de werknemer betwist) kan de werkgever niet baten. De werkgever heeft niet aangetoond dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van de werknemer. De conclusie is dat het hoger beroep van de werknemer slaagt. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en de vorderingen van de werknemer alsnog toewijzen. Het hof verklaart voor het recht dat de werkgever aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van de werknemer.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 27-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0088

Op 13 januari 2018 vond een ongeval plaats waarbij een 10-jarige fietser en een automobilist betrokken waren. De verzekeraar van de auto heeft aansprakelijkheid erkend. De fietser heeft bij dit ongeval blijvend hersenletsel opgelopen. Na het laten verrichten van een neurologisch onderzoek hebben partijen in gezamenlijk overleg een neuropsychologisch onderzoek laten uitvoeren en een verzekeringsarts gevraagd een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit te voeren. De fietser kan zich niet vinden in de uitkomst van de door de verzekeringsarts uitgevoerde expertise. Volgens de fietser zou de verzekeringsarts, als hij de plausibiliteitstoets zou hebben aangelegd, tot meer beperkingen zijn gekomen dan nu het geval is en de fietser wil daarom nadere vragen laten stellen aan de verzekeringsarts. Verder stelt de fietser dat sommige beperkingen mogelijk zijn gemist en om die reden wil hij dat er ook nog een mentaal duurbelastbaarheidsonderzoek (MDBO) plaatsvindt. Volgens de verzekeraar mag de verzekeringsarts niet op grond van plausibiliteit aannemen dat er meer beperkingen bij de fietser aanwezig zijn dan uit de rapporten van de neuroloog en de neuropsycholoog en zijn eigen onderzoek is gebleken. Een MDBO dient volgens de verzekeraar niet te worden uitgevoerd omdat dit geen gangbaar meetinstrument is en het geen meerwaarde biedt boven het al verrichte neuropsychologisch onderzoek. Volgens de rechtbank is het juist is dat de verzekeringsarts zich niet kan baseren op slechts de subjectieve uitlatingen van de fietser. Ook acht de rechtbank juist dat de verzekeringsarts zich zal moeten baseren op de inhoud van de rapportages van de neuroloog en de neuropsycholoog. Deze rapportages zijn in gezamenlijk overleg tussen partijen tot stand gekomen en er zijn door partijen geen bezwaren gemaakt tegen deze rapportages van zodanige aard dat partijen niet aan deze rapportages zijn gebonden. Deze rapportages dienen volgens de rechtbank het uitgangspunt te vormen voor de verzekeringsarts, maar dat betekent niet dat de verzekeringsarts in alle opzichten volledig gebonden is aan de inhoud van deze rapporten. De vraagstelling aan de verzekeringsarts was om de fietser op te roepen voor een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en op basis van de expertiserapporten van de neuroloog en de neuropsycholoog alsmede op basis van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat de verzekeringsarts bij de fietser verricht, de functionele beperkingen van de fietser in verband met het uit de expertiserapporten volgende ongevalsletsel te omschrijven en de belastbaarheid neer te leggen in een FML/belastbaarheidsprofiel. Het door de verzekeringsarts te verrichten verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de specifieke expertise van de verzekeringsarts kan mede gelet op deze vraagstelling ertoe leiden dat de verzekeringsarts tot afwijkende bevindingen komt en dat hij daarover gemotiveerd rapporteert. Volgens de rechtbank zijn er weliswaar verschillende aanwijzingen dat de verzekeringsgeneeskundige al is uitgegaan van de plausibiliteitstoets maar daarover resteert nog de nodige twijfel. Vandaar dat aanvullende vragen aan de verzekeringsarts gerechtvaardigd zijn. De rechtbank oordeelt daarnaast dat partijen buiten rechte een MBDO dienen te laten uitvoeren. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage ter verklaring van de discrepantie tussen de ernst van de beperkingen zoals die door de fietser en zijn ouders wordt vermeld en de objectiveerbare afwijkingen op neurologisch en neuropsychologisch vlak eveneens naar voren gebracht dat ‘een rol daarbij kan spelen dat tijdens een NPO in ideale omstandigheden wordt getest en dat daarbij een duurbelasting in minder gunstige omstandigheden niet wordt gesignaleerd’. De verzekeringsarts merkt op dat het soms zinvol kan zijn om hier gericht naar te kijken middels een MBDO omdat het kan zijn dat er dan toch beperkingen worden geobjectiveerd die niet uit een NPO naar voren zijn gekomen. Weliswaar volgt uit het verslag van de neuropsycholoog dat evenals als bij een MBDO sprake was van een langdurig onderzoek tot na de middagpauze, dat na de middagpauze de neuropsycholoog geeuwgedrag waarneemt en de fietser steeds meer vermoeid oogt, alsmede dat zij ook een beperking in de duurbelasting aanneemt, maar hieruit kan de rechtbank nog niet concluderen dat een MBDO geen meerwaarde heeft boven het NPO zoals dat heeft plaatsgevonden. Niet is bovendien komen vast te staan dat MBDO geen gangbaar meetinstrument is en zijn de belangen voor de fietser om de beperkingen volledig in kaart te brengen groot; daarom bepaalt de rechtbank dat er ter nadere medische voorlichting een aanvullende onafhankelijke rapportage heeft plaats te vinden in de vorm van een MDBO.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 12-08-2025