Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0107

Strafrecht. De verdachte heeft van een korte afstand meerdere keren geschoten op drie ongewapende slachtoffers. Als gevolg hiervan is een van de slachtoffers overleden. De verdachte heeft dit slachtoffer zes keer geraakt. Daarnaast heeft de verdachte geprobeerd om de andere twee slachtoffers te doden. De verdachte heeft met zijn handelen het leven van deze slachtoffers op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Dat zij het hebben overleefd is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Het is uiterst kwalijk dat hij zijn problemen met de slachtoffers heeft beslecht door het gebruik van een vuurwapen. Deze keuze van de verdachte heeft ernstige, blijvende gevolgen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn en functioneren van de slachtoffers. Zo is een slachtoffer in haar borst geraakt en heeft de kogel dusdanige schade aangericht dat haar milt moest worden verwijderd en zij een incomplete dwarslaesie heeft opgelopen. Ze kan, met hulpmiddelen, kleine afstanden lopen en voor langere afstanden is ze afhankelijk van een rolstoel. Daarnaast heeft de verdachte drie kogels afgevuurd op het andere slachtoffer. Hij is geraakt in zijn been, bovenarm en schouderblad. Hij heeft een complete dwarslaesie opgelopen. Er is sprake van totale verlamming en gevoelsverlies van beide benen. Hij zal nooit meer kunnen lopen en is voor de rest van zijn leven volledig afhankelijk van een rolstoel. Het mannelijke slachtoffer heeft € 200.000 aan smartengeld, € 35.000 aan shockschade, € 15.000 aan affectieschade en € 52.141,26 aan materiële schade gevorderd. Het vrouwelijke slachtoffer heeft dezelfde bedragen gevorderd. Daarnaast hebben twee benadeelde partijen zich ook gevoegd, zij vorderen beide een vergoeding van € 20.000 en € 15.000 aan shockschade. Tot slot hebben ook drie nabestaanden van het overleden slachtoffer zich gevoegd. Naast de materiële schade vorderen twee nabestaande affectieschade. Omtrent de materiële schade van het mannelijk slachtoffer oordeelt de rechtbank dat een bedrag van € 87.981,43 zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank dat met inachtneming van het letsel, in deze zaak een schadevergoeding van € 200.000 billijk is. Het mannelijke slachtoffer heeft ook een vergoeding van de affectieschade ingediend omdat hij al een lange tijd een nauwe en persoonlijke relatie had met het vrouwelijke slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat de nauwe persoonlijke relatie als bedoeld in artikel 6:107 lid 2 sub g BW voldoende is komen vast te staan. Het gevorderde bedrag van € 15.000 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade, dit bedrag wordt toegewezen. De rechtbank is ook van oordeel dat het mannelijke slachtoffer aanspraak kan maken op vergoeding van de shockschade. Ondanks dat de hechte en affectieve relatie met het overleden slachtoffer niet is komen vast te staan, is er wel sprake van zo’n relatie met het vrouwelijke slachtoffer. Uit de stukken blijkt dat er sprake is van een forse PTSS. De rechtbank oordeelt dat in deze zaak een schadevergoeding van € 25.000 billijk is. Voor het vrouwelijke slachtoffer zal de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade een bedrag van € 44.977,13 toewijzen. Voor de immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 150.000 billijk. Voor het vrouwelijke slachtoffer acht de rechtbank voor de affectieschade en de shockschade hetzelfde bedrag als bij het mannelijke slachtoffer billijk. De rechtbank oordeelt dat voor de benadeelde, de zus van het slachtoffer, een schadevergoeding van € 10.000 aan shockschade billijk is. De rechtbank is van oordeel dat de tweede benadeelde, de partner van de zus, geen aanspraak kan maken op een vergoeding van shockschade, omdat een hechte en affectieve band met de slachtoffers in de zin van reeds genoemde jurisprudentie onvoldoende is onderbouwd en ook anderszins niet is aangetoond. Ten slotte wordt de gevorderde affectieschade van de nabestaande van het overleden slachtoffer volledig toegewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 13-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0106

Strafrecht. De verdachte heeft van een korte afstand meerdere keren geschoten op drie ongewapende slachtoffers. Als gevolg hiervan is een van de slachtoffers overleden. De verdachte heeft dit slachtoffer zes keer geraakt. Daarnaast heeft de verdachte geprobeerd om de andere twee slachtoffers te doden. De verdachte heeft met zijn handelen het leven van deze slachtoffers op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Dat zij het hebben overleefd is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Het is uiterst kwalijk dat hij zijn problemen met de slachtoffers heeft beslecht door het gebruik van een vuurwapen. Deze keuze van de verdachte heeft ernstige, blijvende gevolgen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn en functioneren van de slachtoffers. Zo is een slachtoffer in haar borst geraakt en heeft de kogel dusdanige schade aangericht dat haar milt moest worden verwijderd en zij een incomplete dwarslaesie heeft opgelopen. Ze kan, met hulpmiddelen, kleine afstanden lopen en voor langere afstanden is ze afhankelijk van een rolstoel. Daarnaast heeft de verdachte drie kogels afgevuurd op het andere slachtoffer. Hij is geraakt in zijn been, bovenarm en schouderblad. Hij heeft een complete dwarslaesie opgelopen. Er is sprake van totale verlamming en gevoelsverlies van beide benen. Hij zal nooit meer kunnen lopen en is voor de rest van zijn leven volledig afhankelijk van een rolstoel. Het mannelijke slachtoffer heeft € 200.000 aan smartengeld, € 35.000 aan shockschade, € 15.000 aan affectieschade en € 52.141,26 aan materiële schade gevorderd. Het vrouwelijke slachtoffer heeft dezelfde bedragen gevorderd. Daarnaast hebben twee benadeelde partijen zich ook gevoegd, zij vorderen beide een vergoeding van € 20.000 en € 15.000 aan shockschade. Tot slot hebben ook drie nabestaanden van het overleden slachtoffer zich gevoegd. Naast de materiële schade vorderen twee nabestaande affectieschade. Omtrent de materiële schade van het mannelijk slachtoffer oordeelt de rechtbank dat een bedrag van € 87.981,43 zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank dat met inachtneming van het letsel, in deze zaak een schadevergoeding van € 200.000 billijk is. Het mannelijke slachtoffer heeft ook een vergoeding van de affectieschade ingediend omdat hij al een lange tijd een nauwe en persoonlijke relatie had met het vrouwelijke slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat de nauwe persoonlijke relatie als bedoeld in artikel 6:107 lid 2 sub g BW voldoende is komen vast te staan. Het gevorderde bedrag van € 15.000 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade, dit bedrag wordt toegewezen. De rechtbank is ook van oordeel dat het mannelijke slachtoffer aanspraak kan maken op vergoeding van de shockschade. Ondanks dat de hechte en affectieve relatie met het overleden slachtoffer niet is komen vast te staan, is er wel sprake van zo’n relatie met het vrouwelijke slachtoffer. Uit de stukken blijkt dat er sprake is van een forse PTSS. De rechtbank oordeelt dat in deze zaak een schadevergoeding van € 25.000 billijk is. Voor het vrouwelijke slachtoffer zal de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade een bedrag van € 44.977,13 toewijzen. Voor de immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 150.000 billijk. Voor het vrouwelijke slachtoffer acht de rechtbank voor de affectieschade en de shockschade hetzelfde bedrag als bij het mannelijke slachtoffer billijk. De rechtbank oordeelt dat voor de benadeelde, de zus van het slachtoffer, een schadevergoeding van € 10.000 aan shockschade billijk is. De rechtbank is van oordeel dat de tweede benadeelde, de partner van de zus, geen aanspraak kan maken op een vergoeding van shockschade, omdat een hechte en affectieve band met de slachtoffers in de zin van reeds genoemde jurisprudentie onvoldoende is onderbouwd en ook anderszins niet is aangetoond. Ten slotte wordt de gevorderde affectieschade van de nabestaande van het overleden slachtoffer volledig toegewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 13-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0105

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord, aan het medeplegen van voorbereiding van moord of zware mishandeling met voorbedachten rade en aan medeplichtigheid aan voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing. Voor de poging tot moord en het voorbereiden van de aanslag op het beoogde slachtoffer heeft te gelden dat uiteindelijk, mede door het handelen van de verdachte, de verkeerde persoon ernstig gewond is geraakt. De verdachte heeft met zijn handelen ervan blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van het beoogde en het daadwerkelijke slachtoffer. Dit soort incidenten zorgen voor grote onrust en een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De poging tot moord heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag en is door veel omstanders gehoord en gezien. Het daadwerkelijke slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces en vordert een bedrag bestaande uit € 25.340,41 aan materiële schade, te weten een ziekenhuisvergoeding, kosten voor medicatie en verlies van verdienvermogen. Het bedrag bestaat verder nog uit € 56.250 aan immateriële schade, op grond van lichamelijk letsel en geobjectiveerd psychisch letsel. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zodanig heeft bijgedragen aan het gepleegde geweld dat hij op grond van artikel 6:166 BW met zijn mededader(s) naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade en immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het slachtoffer de hoogte van zijn vordering tegenover de (beperkte) betwisting door de verdachte voldoende onderbouwd op alle onderdelen. Dat betekent dat de vordering volledig zal worden toegewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0104

Er heeft een kopstaartbotsing plaatsgevonden waarbij de man met zijn auto achterop de (huur)auto van de gelaedeerde is gereden. De man heeft de achterkant van het aanrijdingsformulier ingevuld voor zijn verzekeraar. De man heeft opgeschreven dat hij een snelheid had van 50 kilometer per uur (voor de aanrijding) en dat de gelaedeerde degene is die aansprakelijk is, omdat hij ‘ineens volledig tot stilstand kwam door een onduidelijke oorzaak of een niet-logische oorzaak namelijk een konijn. Na een 1e kort remmoment van de gelaedeerde volgde een volledige stop’. De gelaedeerde heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De gelaedeerde verzoekt in deze zaak dat de verzekeraar aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade. Ten eerste oordeelt de rechtbank dat zij rechtsmacht heeft en dat het Nederlands recht van toepassing is op deze zaak. Daarnaast leent deze zaak zich voor een behandeling in een deelgeschil. De rechtbank hecht allereerst waarde aan de voorkant van het aanrijdingsformulier dat direct na de aanrijding is ingevuld en ondertekend door beide partijen. Hieruit volgt dat de reden voor het stoppen een konijn was. De achterkant van het aanrijdingsformulier kan niet tot uitgangspunt worden genomen, omdat dit eenzijdig door de man is ingevuld en niet door gelaedeerde is (gezien of) ondertekend. De rechtbank komt tot de conclusie dat de man een verkeersfout heeft gemaakt en onrechtmatig jegens de gelaedeerde heeft gehandeld door zijn rijgedrag onvoldoende aan te passen op de verkeerssituatie. De man had een aanrijding kunnen voorkomen, maar heeft in de gegeven omstandigheden te hard gereden (wellicht toch harder dan 20 kilometer per uur, die zou zijn gereden ten tijde van de aanrijding) en/of onvoldoende afstand gehouden tot zijn voorligger (en/of wellicht helemaal niet geremd) en/of niet goed genoeg opgelet. De gelaedeerde valt onder de gegeven omstandigheden geen verwijt te maken. Het beroep van de verzekeraar op eigen schuld van de zijde van de gelaedeerde slaagt niet. Aan (de beoordeling van) een eventuele verdeling van de causaliteit en/of de toepassing van een billijkheidscorrectie wordt niet toegekomen. De rechtbank verklaart voor het recht dat de man aansprakelijk is voor de schade van de gelaedeerde. Matiging begroting kosten deelgeschil (aantal uur).
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 22-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0103

Deelgeschilprocedure. Verzoek deelgeschil aanhangig gemaakt als tegenverzoek in een voorlopige deskundigenprocedure. De vraag die centraal staat is in hoeverre het ziekenhuis aan de patiënt buitengerechtelijke kosten voor de advocaat moet vergoeden als het ziekenhuis voor slechts een deel aansprakelijkheid erkent. Niet voor alle naar voren gebrachte verwijten is aansprakelijkheid erkend. De tijd die de advocaat heeft besteed voor het voeren van verweer in een voorlopige deskundigenprocedure kan op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen omdat de voorlopige deskundigenprocedure in personenschadezaken vaak ook van betekenis is voor het buitengerechtelijke onderhandelingsproces. De beperking die hier echter geldt is dat hiervoor gemaakte kosten op die grond alleen als vergoeding kunnen worden toegewezen als aansprakelijkheid vaststaat of is erkend. In dit geval is dat slechts ten dele het geval. In de voorlopige deskundigenprocedure is verzocht twee deskundigen te benoemen om niet alleen de mogelijke gevolgen van de medicatieverwisseling tijdens de bevalling, waarvoor het ziekenhuis aansprakelijkheid heeft erkend, in kaart te brengen maar ook om de handelwijze rondom de fase daaraan voorafgaand en de fase direct daarop volgend, meer in het bijzonder rondom de reanimatie, te beoordelen, voor welke handelingen het ziekenhuis geen aansprakelijkheid heeft erkend omdat de verzekeraar meent dat binnen de geldende standaarden is gehandeld. Voor zover de werkzaamheden in het kader van het verweer in de voorlopige deskundigenbenoeming op laatstgenoemde handelingen van het ziekenhuis betrekking hebben gehad, kunnen de daaraan door haar bestede uren vooralsnog, in deze fase, daarom niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Kosten deelgeschil. Kosten advocaat voor het voeren van de voorlopige deskundigenprocedure vallen daar niet direct onder (gedeeltelijke toewijzing, voor zover deze samenhangen met het deelgeschil).
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0099

De verdachte heeft met een vuurwapen het slachtoffer neergeschoten. Het slachtoffer had nog een heel leven voor zich, maar is door toedoen van verdachte slechts 37 jaar oud geworden. Met de doodslag van het slachtoffer heeft verdachte aan diens vrouw, kinderen, ouders, zussen, broer, overige familieleden en vrienden onbeschrijfelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. Er hebben verschillende benadeelde partijen zich gevoegd in het strafproces. Aan diverse personen is een shockschade en/of affectieschade toegewezen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de shockschade. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van het immateriële deel van shockschade de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen, maar ziet aanleiding om gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte deze schaal met 25% te verhogen en vast te stellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Omtrent het gederfd levensonderhoud is het hof van oordeel dat op basis van het dossier zonder meer kan worden vastgesteld dat de partner en de dochters van het slachtoffer schade in de vorm van gederfd levensonderhoud hebben geleden en verdachte gehouden is deze schade te vergoeden. Het hof overweegt daarnaast dat ten aanzien van een aantal (andere) uitgangspunten die aan de berekeningen van het expertisebureau en daarmee aan de vorderingen ten aanzien van het gederfd levensonderhoud ten grondslag liggen, gezien de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing en/of nader onderzoek noodzakelijk is. Dit alles maakt dat het hof de vordering gederfd levensonderhoud van de partner slechts voor een gedeelte zal toewijzen waarbij het hof de eerste tien jaar na datum overlijden als uitgangspunt neemt. Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud van de dochters zal het bedrag tot het jaar waarin zij achttien jaar oud worden als uitgangpunt worden genomen, met dien verstande dat vanwege de onzekerheid in de fiscale component ook hier het bedrag naar beneden zal worden afgerond, namelijk een bedrag van € 6.000 en € 10.000. Tot slot acht het hof alle vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van de affectieschade toewijsbaar.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 11-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0098

Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord door in 2019 zijn ex-partner in Kerkrade met een mes in de borst te steken en haar keel door te snijden. Aan verdachte is een levenslange gevangenisstraf opgelegd. Een van de cassatiemiddelen klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de vordering van de benadeelde partij, de oma van het slachtoffer, tot vergoeding van affectieschade. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat deze benadeelde partij niet kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW. De Hoge Raad oordeelt dat uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2 aanhef en onder g BW en artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. De beantwoording van de vraag of de benadeelde partij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. Voor de verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing. In het geval waarin een benadeelde partij een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal de benadeelde partij de stelling dat sprake is van een hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als de rechter oordeelt dat de benadeelde partij daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de vordering te betwisten ligt het in de rede dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het op deze vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade in verband met het overlijden van het ten tijde van het bewezenverklaarde feit 42-jarige slachtoffer niet-ontvankelijk moet worden verklaard, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
Hoge Raad, 10-02-2026