Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0653

Een minderjarige jongen heeft een bedrag van € 56.250 ontvangen als schadevergoeding van het Erasmus MC met een BEM-clausule. De ouders van de minderjarige vragen de kantonrechter om een machtiging te verlenen om het volledige saldo van de bankrekening van betrokkene te mogen lenen en dit geld te gebruiken als lening voor de financiering van twee winkels en drie woningen. De ouders stellen dat zij succesvolle ondernemers zijn en dat de aankoop van de panden – die is inmiddels is gedaan – hun volgende project is. Zij menen dat het investeren van het vermogen van de minderjarige in deze panden een veel hoger rendement gaat opleveren dan het geld op de bank, vanwege de huurinkomsten enerzijds en de te verwachten waardestijging van de panden anderzijds. De kantonrechter is van oordeel dat het risico dat de minderjarige zijn investering kwijtraakt als het financieel niet goed gaat met de ouders, onvoldoende is afgedekt. Er is te weinig informatie verstrekt om voldoende inzicht te krijgen in de verplichtingen en inkomsten van de holding, maar uit wat vader heeft verklaard blijkt dat de holding het geld van de minderjarige nodig heeft om haar financiële verplichtingen na te komen in verband met de financiering van de panden. De ouders hebben het geld van de minderjarige nodig om een deel van de lening die zij hebben afgesloten om de panden aan te kopen te kunnen aflossen. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de holding een liquiditeitstekort heeft, aangezien de holding de verplichtingen kennelijk niet kan nakomen met haar eigen kasstromen. Er is dus een risico op default (wanprestatie) door de holding jegens de financier van de panden. Na default dreigt opeising van de financiering en vervolgens uitwinning (gedwongen verkoop). Bij gedwongen verkoop verhalen de (eerste) hypotheekhouders zich als eerste op de opbrengst. Hiernaast is er ook een risico dat als de (ondernemingen van de) ouders zouden failleren, hun inkomsten kunnen opdrogen, in welke situatie wederom sprake zou kunnen zijn van default. Ook in deze situatie zal naar verwachting sprake zijn van uitwinning door de financiers. De minderjarige heeft geen hypotheek, maar een simpel ‘leencontract’, waardoor voornoemde risico’s voor de minderjarige naar het oordeel van de kantonrechter te groot zijn. Dit maakt dat het niet in zijn belang is om de machtiging te verlenen. Een en ander zou mogelijk anders kunnen liggen als de minderjarige een recht van eerste hypotheek op de panden zou verkrijgen, maar dat is nu niet aan de orde. Daarmee zouden overigens de andere financiers ook akkoord moeten gaan.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 04-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0652

In 2024 heeft de moeder van de eisende partij de auto van de eisende partij geleend, waarna een aanrijding met een bestelbus heeft plaatsgevonden. Volgens de eisende partij heeft de WAM-verzekeraar ten onrechte de aansprakelijkheid erkend en de schade aan de wederpartij vergoed. Volgens de eisende partij is niet zij, maar de wederpartij aansprakelijk voor de aanrijding. Daarnaast stelt zij dat de door de wederpartij geclaimde schade geen verband houdt met de aanrijding. Zij verwijst daarbij naar een verklaring van haar garagemonteur en de uitlating van de wederpartij zelf dat hij kort voor deze aanrijding ook al een aanrijding heeft gehad. De eisende partij is niet in de gelegenheid gesteld een contra-expertise uit te voeren zodat haar de kans op het leveren van tegenbewijs is ontnomen en haar rechtspositie is geschaad. Om die reden kan de omvang van de schade zoals gesteld door de WAM-verzekeraar volgens haar niet als vaststaand worden aangenomen en daarom niet via premieverhoging op haar worden verhaald. De rechtbank overweegt dat een WAM-verzekeraar op grond van artikel 6 WAM de schade zelfstandig en actief met de wederpartij moet regelen. De verzekeraar heeft daarbij een behoorlijke mate van vrijheid om de schade te regelen. De WAM-verzekeraar heeft op basis van het schadeaangifteformulier (SAF) de aansprakelijkheid erkend. Een door beide partijen ondertekend SAF levert grond van artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op, wat betekent dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens op het formulier. Tegen dit dwingend bewijs staat tegenbewijs open. De moeder van de eisende partij heeft op het door haar ondertekende SAF zelf een verklaring geschreven bij de vraag ‘wie is naar uw mening aansprakelijk’. Met die verklaring geeft zij aan dat zij meent zelf aansprakelijk te zijn voor de aanrijding. Met de daarna door de eisende partij ingenomen, gewijzigde stelling dat haar moeder nog voor de haaientanden stilstond en dat de wederpartij de bocht met flinke snelheid te kort nam, heeft de eisende partij haar eerdere verklaring getracht te nuanceren, maar niet het tegenbewijs geleverd tegen het dwingend bewijs van de waarheid van de eerdere, ondertekende verklaring op het SAF. Onderbouwing voor de gewijzigde toedracht ontbreekt. De WAM-verzekeraar heeft dan ook terecht en op juiste gronden aansprakelijkheid van de eisende partij jegens de wederpartij erkend. De WAM-verzekeraar heeft de schadevergoeding gebaseerd op een expertiserapport. Over het expertiserapport moet vooropgesteld worden dat een verzekeraar in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de bevindingen van een expert, tenzij blijkt dat de inhoud van het rapport evident onjuist is. De verklaring van de automonteur en de verder niet onderbouwde stelling dat de bestelbus van de wederpartij al oude schade had, zijn onvoldoende om aan te nemen dat het aangeleverde expertiserapport evident onjuist is. Het ging in casu om de schadevaststelling aan de bestelbus en niet de auto van de eisende partij zelf. Uit de verzekeringsvoorwaarden volgt in dat geval geen verplichting voor de WAM-verzekeraar tot het aanbieden van een contra-expertise. Evenmin volgt een verplichting daartoe uit artikel 7:959 lid 1 BW, waarin staat dat de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, ten laste van de verzekeraar komen. De vorderingen van de eisende partij worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 15-10-2025

Rechtspraak

PS 2025-0651

Strafrecht. Doodslag echtgenote door haar met messteken om het leven te brengen. De zes kinderen van de verdachte en het overleden slachtoffer hebben zich als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de minderjarige dochter niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van immateriële schade op grond van schade door de aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van zijn minderjarige dochter. Het handelen van de verdachte – bestaande in het opzettelijk doden van de moeder van zijn dochter – heeft tot gevolg dat zij het gezinsleven met haar moeder niet meer kan uitoefenen. Een inbreuk op een fundamenteel recht maakt echter nog niet dat reeds daarom sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW (zie HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Een zeer ernstige schending van een fundamenteel recht kan wél een aantasting in de persoon vormen (vgl. HR 1 november 1991, NJ 1992/58). Daarvoor is niet nodig dat ook geestelijk letsel is vastgesteld (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721). Hiervan is volgens het hof in deze zaak evenwel geen sprake. De dochter woont namelijk nu bij haar oudste broer en zus, die haar pleegouders zijn geworden. Er is dus geen sprake van een gezin dat uiteen is gevallen waarbij de kinderen moeten opgroeien zonder elkaar. De gevorderde affectieschade zal, anders dan de rechtbank heeft beslist, aan elke benadeelde partij worden toegewezen. Die vorderingen voldoen aan de daarvoor geldende uitgangspunten en zijn qua hoogte overeenkomstig het daarvoor bestaande forfaitaire stelsel. Het enkele gegeven dat een zoon een verstandelijke beperking heeft en niet thuis woont maar in een instelling verblijft staat niet aan de veronderstelde affectieve band in de weg.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 17-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0650

Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0649

Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0648

Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0647

Strafrecht. De verdachte wordt in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 jaar en zes maanden in verband met medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het medeplegen en voorhanden hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft de opdracht om iemand dood te schieten aangenomen en heeft diezelfde dag nog De Vries doodgeschoten. De partner heeft zich opnieuw gevoegd in dit hoger beroep. Zij vordert een bedrag van € 57.500 aan immateriële schade, bestaande uit affectie- en shockschade, en een bedrag van € 1.894,52 aan materiële schade. Door de partner is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten onvoldoende betwist. Het hof acht dat voldoende is komen vast te staan dat de zij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. Het bedrag van affectieschade wordt vastgesteld op € 17.500. Het hof oordeelt dat ook aan de vereisten voor de toekenning van shockschade zijn voldaan. De partner is op de avond van de dag van de schietpartij in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. De partner was aanwezig toen De Vries overleed. Ook na het overlijden is de zij door de vele media-aandacht en circulerende beelden op het internet vaak geconfronteerd met de moord. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR-therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt dat de confrontatie met het bewezen verklaarde feit een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de partner hierdoor schokschade heeft geleden. Het hof acht voor de shockschade een bedrag van €20.000 redelijk en billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0646

Vervolg op massaschadezaak tegen een Amerikaanse farmaceut die als producent bepaalde getextureerde borstimplantaten heeft geproduceerd. Deze implantaten zijn in 2018 van de markt gehaald. De zaak is aangespannen door de stichting, die een groep van 60.000 personen vertegenwoordigt. Een aantal van hen ondervindt (ernstige) klachten, die bekend staan onder de naam ASIA, een auto-immuunsyndroom, en een aantal van hen heeft BIA-ALCL, een zeldzame vorm van lymfeklierkanker gekregen. De vragen die in deze procedure voorliggen, zijn of de implantaten van de farmaceut deze ASIA-klachten en/of BIA-ALCL kunnen veroorzaken en, als dat zo is, of de farmaceut daarvoor als producent van de implantaten aansprakelijk is. De rechtbank komt tot de volgende conclusies. Ten aanzien van ASIA bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat de klachten die de vrouwen hebben ervaren (en soms nog ervaren) worden veroorzaakt door de implantaten. Ten aanzien van BIA-ALCL luidt de conclusie dat de implantaten, na afweging van alle relevante omstandigheden, niet als gebrekkig kunnen worden beoordeeld en dat de farmaceut voldoende heeft gewaarschuwd voor de mogelijke risico’s van de implantaten, vanaf het moment dat die risico’s kenbaar waren. Bovendien heeft zij de implantaten in 2018 van de markt gehaald, op het moment dat het statistisch relevante risico tussen de implantaten en BIA-ALCL voldoende wetenschappelijk onderbouwd kon worden. De farmaceut is dus niet aansprakelijk op grond van productaansprakelijkheid, maar ook op andere juridische gronden is zij dat niet. Dit betekent dat de vorderingen in de hoofdzaak van de stichting worden afgewezen. Ook het verzoek van de stichting tot inzage in bepaalde stukken van de farmaceut, wijst de rechtbank af, met name omdat die stukken niet van invloed kunnen zijn op de beoordeling in de hoofdzaak.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0644

Een bestuurder van een Dodge Ram (bedrijfsauto) is in januari 2021 achterop een andere auto gereden. De WAM-verzekeraar heeft met de andere bestuurder een minnelijke regeling getroffen in die zin dat de verzekeraar 75% van diens schade heeft vergoed. De verzekeraar vordert dit bedrag thans van de bestuurder met een beroep op de polisvoorwaarden omdat de bestuurder volgens de verzekeraar dit ongeval heeft veroorzaakt door met veel te hoge snelheid te rijden en daarmee roekeloos heeft gehandeld. De bestuurder heeft volgens de verzekeraar bovendien zijn mededelingsplicht geschonden. De eerste grief ziet op het oordeel van de rechtbank dat de bestuurder roekeloos rijgedrag heeft vertoond. De tweede grief heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de mate van eigen schuld aan het ongeval van de bestuurder van de personenauto. Met de derde grief brengt de bestuurder nog eens onder de aandacht dat haar verweer in eerste aanleg tevens inhield dat zij haar informatie- en medewerkingsplicht niet heeft geschonden, zodat (ook) om die reden de verzekeraar niet mocht overgaan tot uitsluiting van de dekking van de verzekering. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank, die geleid hebben tot het oordeel dat het verkeersgedrag van de bestuurder als roekeloos in de zin van de verzekeringsvoorwaarden is aan te merken. Omtrent de eigen schuld oordeelt het hof dat de in hoger beroep aangevoerde feiten niet anders zijn verwoord dan in eerste aanleg. Het oordeel van de rechtbank wordt feitelijk niet bestreden, hoogstens gaat het om de waardering van die feiten. Het hof sluit zich bij dat oordeel van de rechtbank aan, omdat het recht doet aan die feiten. Aan de behandeling van de voorwaardelijke derde grief komt het hof niet toe. Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 09-12-2025