Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0147

Het slachtoffer is in 2008, toen hij 3 jaar oud was, door een auto aangereden. De WAM-verzekeraar heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde voor de gevolgen van het ongeval erkend. De WAM-verzekeraar heeft € 18.500 (inclusief € 7.500 aan kosten) vergoed. In deze procedure gaat het om de vraag of het slachtoffer– bovenop hetgeen de WAM-verzekeraar aan schade heeft vergoed – schade heeft geleden als gevolg van het ongeval. De rechtbank heeft – nadat eerst een deskundigenbericht is ingewonnen – de door de WAM-verzekeraar gevorderde verklaring voor recht toegewezen en de vorderingen van het slachtoffer afgewezen. Het slachtoffer heeft net als in de rechtbankprocedure ook in hoger beroep aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is geweest om, net als de WAM-verzekeraar, een medisch adviseur in te schakelen om het (concept)rapport van de deskundige te laten beoordelen. De WAM-verzekeraar heeft namelijk geweigerd de kosten van de medisch adviseur voor deze beoordeling te betalen. Het hof volgt het slachtoffer hierin niet. Naar het oordeel van het hof volgt uit de inhoud van de reactie van het slachtoffer dat ten minste dat een medisch adviseur het conceptrapport heeft bestudeerd en een inhoudelijke reactie daarop kenbaar heeft gemaakt aan de advocaat van het slachtoffer. Maar zelfs als moet worden aangenomen dat de terugkoppeling van de medisch adviseur niet als een volwaardig medisch advies kan worden gekwalificeerd, gaat het standpunt van het slachtoffer niet op. Niet kan worden gesteld dat de WAM-verzekeraar wist van de gestelde onmogelijkheid van betaling. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat sprake is van een aan de WAM-verzekeraar te verwijten oneerlijke procedurele gang van zaken. Het hof gaat net als de rechtbank uit van de conclusies van de deskundige en dat, nu er geen sprake is van licht traumatisch hersenletsel, er geen grond is om een neuropsychologisch onderzoek te laten doen naar de (neuropsychologische) gevolgen van het ongeval. Het hof beslist dat de bezwaren van het slachtoffer tegen de beslissing van de rechtbank niet opgaan. Het eindvonnis van de rechtbank blijft in stand.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0145

Verwijzing na cassatie door de Hoge Raad. De bestuurder heeft in 2014 onder invloed van alcohol met de auto van zijn ouders een ongeval veroorzaakt waardoor de inzittende van de auto schade heeft geleden. De verzekeraar wil het bedrag dat zij als schadevergoeding heeft uitgekeerd aan de inzittende van de auto verhalen op de bestuurder. De verzekeraar kan de schadevergoeding op de bestuurder verhalen als hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. De vraag is of dat het geval is. Het hof Den Haag is na verwijzing van oordeel dat de bestuurder gelet op de volgende feiten en omstandigheden goede reden had om te twijfelen over de vraag of zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Bestuurder heeft de auto zonder toestemming van zijn ouders gebruikt. Hij is schuldig aan het veroorzaken van een ongeval met letsel, terwijl hij onder invloed was van te veel alcohol. Het was niet de eerste keer dat de bestuurder voor het rijden onder invloed is bestraft. Hij besefte dat hij in de staat waarin hij verkeerde niet in de auto mocht rijden, dat dit onverstandig was, niet was toegestaan en (mogelijk) strafbaar was. Ook geeft het hof aan dat verzekeraars steeds vaker uitsluitingsclausules in geval van alcoholgebruik opnemen in verzekeringsvoorwaarden. Gelet op de overwegingen van de Hoge Raad mocht de bestuurder niet te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Dat leidt tot het oordeel dat de verzekeraar de schadevergoeding die zij aan de inzittende heeft betaald op grond van artikel 15 lid 1 WAM in beginsel op de bestuurder kan verhalen. Wel komt de daarbij opgetreden letselschade gedeeltelijk voor eigen rekening van de inzittende, gelet op de aan hem toe rekenen omstandigheid dat hij uit eigen beweging is meegereden met de bestuurder terwijl hij, mede gelet op de waarschuwingen die hij van derden had gekregen, wist of had moeten beseffen dat de bestuurder – zwaar – onder invloed van alcohol was en dat het gevaarlijk was dat hij in die staat een auto ging besturen. Het hof acht een percentage van 35%, met inbegrip van een billijkheidscorrectie vanwege de ernst van het letsel, reëel.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 03-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0143

Op 16 augustus 2023 hebben partijen een auto-ongeluk gehad, waarbij de bestuurder langs de gehele zijkant van de auto van de man is geschampt, dan wel aangereden. Tijdens de mondelinge behandeling van het deelgeschil heeft de rechtbank in overleg met partijen besloten dat een getuigenverhoor zou moeten worden gelast om meer opheldering te krijgen over de toedracht. De man heeft tijdens het getuigenverhoor onder ede verklaard dat hij ten tijde van de aanrijding in de auto zat. De bestuurder heeft tijdens het getuigenverhoor onder ede verklaard dat hij de man direct na de aanrijding buiten de bus heeft zien staan bellen. Met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per 1 januari 2025, is de beperkte bewijskracht van een partijgetuigenverklaring afgeschaft. Aan de partijgetuigenverklaring van de man komt daarom vrije bewijskracht toe net als aan de verklaring van de bestuurder, die als gewone getuige wordt gezien. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van deze nieuwe regeling en zal geen beperkte bewijskracht toekennen aan de verklaring van de man. De verklaring van de man vindt steun in de door hem overgelegde stukken. Dit geldt niet voor de verklaring van de bestuurder. Daarom zijn, met de door de man onder ede afgelegde verklaring en de door hem overgelegde stukken, voldoende feiten en omstandigheden komen vast te staan waaruit kan worden afgeleid dat hij ten tijde van het ongeval van 16 augustus 2023 in de auto zat. De man heeft in dit deelgeschil geen verzoek ingediend om de hoogte van de door de man geleden letselschade vast te stellen, zodat de rechtbank zich daar niet over uit zal laten.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0142

Een man was werkzaam als uitzendkracht. Hij verbleef in een vakantiewoning, die hij huurde van zijn werkgever, een uitzendorganisatie. De woning was door de eigenaar verhuurd aan een verhuurbedrijf die op haar beurt de woning had onderverhuurd aan de uitzendorganisatie. Als gevolg van een val van de trap bij die woning heeft de werknemer letsel opgelopen. De werknemer heeft de uitzendorganisatie aansprakelijk gesteld. De uitzendorganisatie heeft de aansprakelijkstelling doorgestuurd naar de aansprakelijkheidsverzekeraar van de eigenaar en de verhuurder. Deze aansprakelijkheidsverzekeraar heeft aansprakelijkheid afgewezen omdat volgens de verzekeraar niet vaststaat dat er ten tijde van het ongeval sprake was van een losliggende steen en niet is aangetoond dat de werknemer ten val is gekomen als gevolg van een losliggende steen c.q. gebrekkige opstal. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de werknemer is gevallen van de trap nabij de toegangsdeur van de woning. De rechtbank is van oordeel dat de trap kwalificeert als gebrekkige opstal. Het gaat volgens de rechtbank om een oude, stenen trap met scheuren tussen de stenen en ongelijke en deels afgebroken traptreden. In het midden kan blijven of de werknemer is gestruikeld over de losliggende steen of anderszins ten val is gekomen, nu de staat van de trap als geheel dusdanig ondeugdelijk was dat het risico op vallen groter was dan normaal gesproken verwacht mag worden. Inherent hieraan is dat de woning en trap werden gebruikt door mensen die daar maar kort verbleven en dus niet bekend waren met specifieke gebreken, zoals ongelijke traptreden. Daarnaast acht de rechtbank het plegen van onderhoud aan de trap voor de eigenaar niet bezwaarlijk, terwijl het risico dat iemand valt zoals hiervoor overwogen aanmerkelijk is. Als verweer tegen de vordering op grond van artikel 6:174 BW heeft de eigenaar van de woning een beroep gedaan op artikel 6:181 BW. Volgens de eigenaar is het verhuurbedrijf waaraan hij de woning verhuurde aan te merken als kwalitatief aansprakelijke partij, zodat de eigenaar niet aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:174 BW. Het ontstaan of bestaan van het gebrek aan de trap heeft naar het oordeel van de rechtbank niets te maken met de bedrijfsuitoefening van het verhuurbedrijf of de uitzendorganisatie. Zo is niet gebleken van een specifieke eigenschap die de trap gezien het bedrijfsmatige gebruik ervan gebrekkig of onveilig heeft gemaakt; de trap is bijvoorbeeld niet aangepast naar de bedrijfsmatige behoeftes van het verhuurbedrijf of de uitzendkracht. De eigenaar hield daarnaast zeggenschap over de (trap bij) de woning. Zij heeft de woning immers kort voor verhuur aan het verhuurbedrijf gerenoveerd. Uit het onderzoeksrapport blijkt daarnaast dat de eigenaar ‘eindverantwoordelijk [is] voor de algehele staat en veiligheid van het pand’ en ‘zorgdraagt voor het herstellen c.q. oplossen van de vastgestelde gebreken c.q. beschadigingen’. De eigenaar heeft dit met zoveel woorden tijdens de mondelinge behandeling herhaald en daaraan toegevoegd dat de opstalverzekering op haar naam is afgesloten. Hieruit volgt dat de eigenaar zeggenschap had over het schadeveroorzakende gebrek in de opstal. Gelet op het voorgaande is de slotsom dat de aansprakelijkheid van de eigenaar niet kan worden verlegd naar het verhuurbedrijf of de uitzendorganisatie als bedrijfsmatige gebruikers en dat de eigenaar aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:174 BW voor het ongeval.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 04-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0139

Strafrecht. Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan verschillende zeer ernstige strafbare feiten. Zo heeft hij in opdracht van medeverdachte in de periode van februari 2022 tot en met april 2022 brandgesticht aan auto’s, bedrijfsbussen en panden met als doel om de medeverdachte verzekeringsgeld uitgekeerd te laten krijgen. De dag na het plegen van de laatste vier brandstichtingen, heeft verdachte zich aan een poging tot moord schuldig gemaakt. In opdracht van medeverdachte is hij op 11 april 2022 naar het vakantiepark gegaan waar het slachtoffer, de partner van de medeverdachte, verbleef. Voor het om het leven brengen van het slachtoffer werd verdachte een geldbedrag van € 50.000 in het vooruitzicht gesteld. Het slachtoffer heeft ernstig letsel overgehouden aan de poging tot moord. Zo is er sprake van blijvende schade op neurologisch gebied, waardoor het slachtoffer beperkt is in het gebruik van haar armen. Dagelijkse bezigheden zijn daardoor geen vanzelfsprekendheid meer. Ook beperkt het letsel haar in sterke mate in het kunnen zorgen voor haar twee kinderen. Daarnaast is er op psychiatrisch gebied sprake van een posttraumatische stressstoornis. Een deskundige heeft vastgesteld dat er sprake is van deels blijvende invaliditeit. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij heeft een bedrag van € 100.000 aan smartengeld gevorderd. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en de aard en de ernst van het letsel is het hof van oordeel dat het letsel van het slachtoffer valt onder categorie 5.1a ‘(Zeer) ernstig nekletsel’, onder II van de Rotterdamse schaal. Het hof beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht een bedrag van € 75.000 voor dit letsel billijk. De door de benadeelde partij opgelopen posttraumatische stressstoornis beschouwt het hof als het secundair letsel. De posttraumatische stressstoornis zoals bij de benadeelde partij is gediagnosticeerd, valt naar het oordeel van het hof onder categorie 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’, onder b ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Op basis daarvan is in beginsel een bedrag van € 37.500 billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een bedrag van € 17.500. Het hof past de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 25% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel. Tot slot past het hof de aanbeveling toe om de bedragen te verhogen met 15%, omdat het slachtoffer op 11 april 2022 een jongvolwassen vrouw was van 28 jaar oud. Gezien het voorgaande komt het hof tot een vaststelling van een bedrag aan immateriële schade die het gevorderde bedrag van € 100.000 overschrijdt. De vordering kan in hoger beroep niet worden verhoogd en het hof wijst de vordering daarom toe tot het maximale bedrag dat is gevorderd, te weten € 100.000.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0138

Strafrecht. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 3 juni 2023 een snelle motorboot heeft bestuurd. Het slachtoffer was zijn passagier en deze zat telkens voorin de boot. Verdachte beschikte niet over het vereiste vaarbewijs en hij wist dat hij onvoldoende kennis en ervaring had om de snelle motorboot te besturen. Hij heeft de gehele middag deze boot bestuurd en heeft ondertussen meerdere blikjes bier genuttigd. De gehele middag heeft hij veel te snel gevaren met de boot. Hij voer vaak met de boot in plané (met de punt van de boot omhoog, boven het water uit). De verdachte heeft tussen de 30 en 40 kilometer per uur gevaren. Bij het naderen van de lage burg heeft hij zijn snelheid niet verminderd of afgestopt, waardoor zijn boot lager zou komen te liggen en er meer tijd was om te acteren op de lage brug. Ook heeft hij het slachtoffer niet tijdig gewaarschuwd en heeft zich er niet van vergewist dat het slachtoffer laag genoeg zat alvorens onder de burg door te varen. Hierdoor is het slachtoffer met zijn hoofd tegen een draagbalk van de brug gekomen en heeft hij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het slachtoffer heeft een bedrag gevorderd van in totaal € 37.218,16 ter vergoeding van materiële schade en € 50.000 ter vergoeding van immateriële schade. De rechtbank oordeelt dat het slachtoffer in aanmerking komt voor immateriële schadevergoeding gezien de ernst van het letsel. De rechtbank zal naar billijkheid de hoogte van deze schade vaststellen en heeft hierbij acht geslagen op hetgeen in de vordering is aangevoerd en op de Rotterdamse schaal en aansluiting gezocht bij de categorie voor toekenning van smartengeld bij de categorie middelzwaar hersenletsel, waarbij het concentratievermogen en het geheugen zijn aangetast en er een verminderd vermogen is om arbeid te verrichten. In dit geval acht de rechtbank het gevorderde bedrag aan schadevergoeding van € 50.000 billijk. De rechtbank acht het beroep op eigen schuld aan de kant van het slachtoffer onvoldoende onderbouwd.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 05-03-2026