Deelgeschil over overlijdensschade. Twee minderjarige kinderen hebben hun ouders verloren bij een eenzijdig verkeersongeval in 2018 met een personenauto. Tot aan het overlijden van de ouders woonden de kinderen in Nederland. Sinds het overlijden van hun ouders wonen de kinderen bij hun grootouders, tevens hun voogden, en de bij hen wonende tante in het buitenland. De centrale vraag die beantwoord moet worden is of het door de kinderen gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in Nederland, zoals namens de kinderen is verzocht, of in het buitenland, zoals de verzekeraar, verwerende partij, verzoekt. De rechtbank komt tot beantwoording van deze vraag (r.o. 5.8-26) en oordeelt dat het gederfde levensonderhoud in natura moet worden begroot op basis van (bespaarde) kosten van professionele hulp in het buitenland, zolang de kinderen daar wonen. De omstandigheid dat naar redelijke verwachting de ouders met de kinderen in Nederland waren blijven wonen indien zij niet zouden zijn overleden, leidt niet tot een ander oordeel. Ook niet als wordt meegewogen dat de daarbij behorende levenstandaard uitgangspunt is voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Voor de compensatie van het gederfde levensonderhoud in natura is namelijk van belang dat de kinderen in dezelfde mate zorg en aandacht krijgen als wanneer de ouders niet zouden zijn overleden. Dat vertaalt zich in het aantal uren dat daaraan wordt besteed en dus moet worden vergoed. Het betalen van een hoger tarief voor ingehuurde of bespaarde professionele hulp dan gebruikelijk is voor professionele hulp in het land waar de kinderen wonen, draagt niet aan dat resultaat bij. Ook het belang van de kinderen bij het behoud van de mogelijkheid om voor hun meerderjarigheid in Nederland terug te keren, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de (bespaarde) kosten van professionele hulp van meet af aan op basis van Nederlandse tarieven moeten worden vergoed. Wel moet bij het begroten van de schade door gederfd levensonderhoud in natura rekening worden gehouden met de kans dat de kinderen in Nederland zullen terugkeren. Daarnaast zijn partijen verdeeld over de vraag of een bedrag van € 16.760,91 als buitengerechtelijke kosten door de verzekeraar van de personenauto moet worden vergoed. Tot slot is aan de orde de vraag of de verzekeraar bevrijdend aan haar verplichtingen kan voldoen door betaling op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van de lasthebber van de voogden van de kinderen. De rechtbank oordeelt dat de verzekeraar een bedrag van € 14.337,60 aan buitengerechtelijke kosten moet vergoeden en dat de verzekeraar bevrijdend aan haar verplichtingen kan voldoen door betaling op de derdengeldenrekening van het notariskantoor van de lasthebber van de voogden van de kinderen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21-01-2026