Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0166

Een bestuurder van een personenauto is in 2016 aan de rechterkant aangereden door een vrachtwagen. De WAM-verzekeraar van de vrachtwagen heeft aansprakelijkheid erkend. Bij het ongeval liep de bestuurder letsel aan de borstkas (mogelijke ribfracturen) op. Ook heeft hij sinds het ongeval rugpijn en nekklachten en last van duizeligheid, hoofdpijn, vermoeidheid en geheugen- en concentratieproblemen. In 2022 heeft het UWV de man volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard. Partijen verschillen van mening over de vraag of op dit moment op basis van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld dat de klachten en beperkingen die de man sinds het ongeval ervaart het gevolg van het ongeval zijn, of dat nog een medische expertise nodig is om daarover duidelijkheid te scheppen. De rechtbank kan op basis van de stukken die zich op dit moment in het dossier bevinden niet vaststellen dat de klachten en beperkingen van de man inderdaad door het ongeval zijn veroorzaakt. Zij acht een onafhankelijke medische expertise nodig om meer duidelijkheid over dat oorzakelijk verband te krijgen. Hoewel vaststaat dat de man de klachten die hij sinds het ongeval ervaart voor het ongeval niet had, dat het ongeval hoog energetisch was en dat er duidelijk een knik is in het functioneren voor en na het ongeval, is niet duidelijk of er sprake is van een (volledig) consistent en samenhangend klachtenpatroon. De rechtbank beveelt een deskundigenonderzoek en benoemt een neurochirurg als deskundige. De rechtbank laat het aan het oordeel van de deskundige over of er nog aanvullende medische informatie aangeleverd en opgevraagd moet worden.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0165

Een werkneemster verzoekt onder meer dat voor recht wordt verklaard dat haar werkgever aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden tijdens haar dienstverband. De vrouw lijdt aan het syndroom van De Quervain, CMC-1 artrose en reumatoïde artritis. De partijen twisten over de vraag of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is. De vrouw stelt dat zij als gevolg van de zware werkomstandigheden klachten aan handen, polsen, ellebogen en schouders is gaan ontwikkelen die tot de aandoeningen hebben geleid. De werkgever heeft de door de vrouw geschetste werkomstandigheden gemotiveerd weersproken, in het bijzonder de frequentie en de intensiteit van de werkzaamheden. De kantonrechter overweegt dat niet ter discussie staat dat het werk dat de vrouw verrichtte fysiek zwaar is, maar dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw bloot is gesteld aan schadelijke werkomstandigheden. Verder heeft de vrouw ook geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat de aandoeningen door de werkomstandigheden kunnen zijn veroorzaakt. De vrouw stelt slechts dat haar bedrijfsarts mondeling tegen haar zou hebben gezegd dat het werk te zwaar was en dat zij daardoor ziek is geworden. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel is in dit geval niet van toepassing. De volledige bewijslast rust op de vrouw. Op basis van het huidige dossier kan geen causaal verband worden vastgesteld tussen de klachten van de vrouw en de werkomstandigheden.
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 19-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0162

De vrouw, destijds in opleiding tot chirurg, is door medisch onzorgvuldig handelen ongewenst zwanger geraakt van haar derde kind. Zij heeft een spiraal laten zetten in het ziekenhuis en bij een nacontrole is de ligging van de spiraal gemanipuleerd. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend en aangegeven bereid te zijn de schade die voortvloeit uit het onzorgvuldig handelen te vergoeden. Het lukt partijen niet de schade vast te stellen, onder andere omdat zij het er niet over eens zijn welke gevolgen de derde zwangerschap heeft gehad op het carrièreverloop van de vrouw. De rechtbank komt tot het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot het oordeel te kunnen komen dat de vrouw zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap, de opleiding tot chirurg (zonder meer) met succes zou hebben doorlopen. Het is niet uitgesloten dat de opleiding alsnog met succes zou zijn afgerond, maar er zijn meerdere factoren die aan het succesvol afronden in de weg hadden kunnen staan, ook in het geval er van een derde zwangerschap geen sprake zou zijn geweest. De twee eerdere beoordelingstrajecten in twee ziekenhuizen waren verre van vlekkeloos verlopen. Er waren op cruciale momenten meerdere punten van kritiek, zowel bij tussentijdse beoordelingen als bij eindbeoordelingen. Er wordt gewezen op gebrekkige communicatie, het niet uit elkaar houden van hoofd- en bijzaken, het niet openstaan voor kritiek, gebrek aan leerbaarheid, onvoldoende tempo en gebrek aan zelfvertrouwen, en ook in techniek liep zij geregeld achter. De rechtbank constateert dat de vrouw een zwaar traject stond te wachten waarbij haar functioneren onder een vergrootglas zou liggen. Het is niet uitgesloten dat zij erin geslaagd zou zijn de punten van kritiek te overwinnen, maar niet kan gezegd worden dat enkel de ongewenste zwangerschap aan het welslagen in de weg heeft gestaan. Ook zonder die zwangerschap had de vrouw nog heel wat te overwinnen alvorens zij na het intensieve beoordelingstraject in de gelegenheid zou zijn gesteld de opleiding voort te zetten. Al met al concludeert de rechtbank dat niet vastgesteld kan worden dat de vrouw zonder het onzorgvuldig medisch handelen, dus zonder de ongewenste derde zwangerschap de opleiding tot chirurg met succes zou hebben doorlopen. De rechtbank komt wel tot het oordeel dat door het medisch onzorgvuldig handelen voor de vrouw een kans verloren is gegaan om de opleiding tot chirurg met succes af te ronden. De rechtbank schat de kans dat de vrouw zonder het medisch onzorgvuldig handelen de opleiding tot chirurg met succes zou hebben afgerond, alle omstandigheden in ogenschouw nemend, ex aequo et bono op 30%.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 26-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0161

De belangenbehartiger staat particulieren bij die letselschade hebben geleden. In een aantal letselschadezaken die de belangenbehartiger behandelt, is de verzekeraar betrokken als verzekeraar van de aansprakelijke partij. De verzekeraar weigert met de belangenbehartiger samen te werken en heeft de belangenbehartiger geregistreerd in verschillende (fraude)registers. De rechtbank oordeelt dat de belangenbehartiger op een dermate misleidende wijze te werk is gegaan, dat de verzekeraar terecht heeft vastgesteld dat de belangenbehartiger niet (voldoende) betrouwbaar is als belangenbehartiger. Belangenbehartiger was niet transparant zijn over de financiële afspraken (of erger: de werkelijke afspraken bewust buiten het zicht houden). Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat de verzekeraar onderbouwd naar voren heeft gebracht, onder meer door naar rechtspraak te verwijzen, dat de belangenbehartiger niet alleen bij één zaak op deze wijze te werk gaat, maar dat dit vaker is gebeurd. Alle genoemde redenen samengenomen vormen voldoende grond voor de verzekeraar om de samenwerking met de belangenbehartiger te beëindigen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat voldaan wordt aan de regelgeving (PIFI) omtrent de registratie in de registers. De rechtbank concludeert dat voldoende vaststaat dat de belangenbehartiger door haar handelwijze dermate misleidend te werk is gegaan, dat dit onoorbare gedragingen opleveren als bedoeld in artikel 5.2.1 sub a van het PIFI. Het zijn gedragingen die een bedreiging vormen voor de (financiële) belangen van cliënten en verzekeraar zelf of de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector. De slotsom is dat de registraties gerechtvaardigd zijn en de daarmee samenhangende vorderingen moeten worden afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 18-03-2026