Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0019

Strafrecht. Op 12 februari 2024 omstreeks 20.04 uur ontving de politie een melding dat bij het treinstation Purmerend een schietpartij had plaatsgevonden. De politie is ter plaatse gegaan en trof net voorbij de spoortunnel op het trottoir twee ernstig gewonde personen aan. Het eerste slachtoffer had een schotwond in de linkerzij en geen ademhaling meer. Na vergeefse pogingen tot levensreddend handelen overleed hij diezelfde avond in het ziekenhuis. Het tweede slachtoffer werd met een schotwond en twee steekverwondingen in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Dankzij medisch ingrijpen heeft hij het overleefd. De nabestaanden van het overleden slachtoffer (de moeder, de vader, de zus, het zusje en het broertje) hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De moeder vordert € 20.000 aan affectieschade en € 20.000 aan shockschade. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen maar de shockschade wordt afgewezen. De vader van het slachtoffer vordert dezelfde bedragen en de rechtbank oordeelt hetzelfde omtrent de affectieschade en de shockschade. De zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan shockschade en € 2.000 aan toekomstige (medische) kosten. Door de zus is echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van een confrontatie waarbij zij direct geconfronteerd werd met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad en er is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van geestelijk letsel, dus de shockschade wordt afgewezen. Om deze reden worden ook de toekomstige medische kosten afgewezen. Over de vorderingen van het broertje en het zusje van het slachtoffer oordeelt de rechtbank dat deze op dit moment onvoldoende onderbouwd zijn en daarom worden zij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Naast de nabestaanden heeft het tweede slachtoffer zich ook gevoegd als benadeelde partij. Naast de materiële schade vordert het slachtoffer € 50.000 aan immateriële schade. Het slachtoffer is levensgevaarlijk gewond geraakt en heeft door het incident lichamelijk maar ook geestelijk letsel in de vorm van PTSS opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk.
Rechtbank Noord-Holland, 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0018

Strafrecht. In de avond van 22 mei 2022 hebben de verdachte en zijn mededader zich schuldig gemaakt aan de koelbloedige moord op het slachtoffer. In het strafproces hebben de moeder, de vriendin, de twee zonen en een familievriend zich gevoegd als benadeelde partij. De moeder vordert naast de materiële schade een bedrag van € 87.500 aan immateriële schade, bestaande uit € 17.500 aan affectieschade en € 70.000 aan shockschade. Het hof kent het bedrag aan affectieschade toe en oordeelt over de shockschade dat deze naar maatstaven zich leent voor toewijzing van een bedrag van € 35.000. De moeder is enkele minuten na het incident op het plaats delict geweest en is geconfronteerd met de schoenen van haar zoon, vervolgens wilde de moeder naar de zoon toe maar werd daarin tegengehouden. Bij haar heeft dit geleid tot een emotionele shock en na de gebeurtenis is er bij de moeder PTSS vastgesteld. De vriendin van het slachtoffer vordert € 55.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000,aan affectieschade en € 35.000 aan shockschade. De vriendin kan volgens het hof niet als levensgezel worden gezien maar er kan wel worden vastgesteld dat zij een hechte latrelatie hadden, zij droegen samen de zorg voor hun zoon en de vriendin was ten tijde van het overlijden ook in verwachting van hun tweede zoon. De vriendin kan worden aangemerkt als slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW en het hof acht een bedrag van € 17.500 toewijsbaar. Met betrekking tot de gevorderde shockschade overweegt het hof dat uit het dossier en de door de benadeelde partij overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is geweest van een (directe) confrontatie met de gevolgen van het bewezen verklaarde, het hof verklaart dit deel niet-ontvankelijk. De zoon van het slachtoffer vordert € 80.000 aan immateriële schade, bestaande uit € 20.000 aan affectieschade, € 30.000 aan shockschade en € 30.000 wegens aantasting in de persoon op andere wijze. Het hof acht het gevorderde bedrag aan affectieschade toewijsbaar en verklaart de zoon niet-ontvankelijk in het deel van de vordering die ziet op de shockschade. Omtrent de aantasting in de persoon op andere wijze oordeelt het hof dat deze behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De vorderingen van de andere zoon worden op dezelfde manier afgedaan. Tot slot heeft een familievriend zich gevoegd en vordert, naast de materiële schade, een bedrag van € 25.000,- aan shockschade. Het hof verklaart de familievriend in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0016

De zoon heeft samen met zijn vader en zijn oom de woning van zijn oma ontruimd. Voor het verwijderen van het tapijt heeft de vader bij een professionele partij een tapijtstripper gehuurd. De oom hield zich bezig met de tapijtstripper en heeft deze gekanteld op de grond gezet, bij het monteren is de kunststof mesbeschermer doorgesneden en heeft de oom zich gesneden. De zoon is toen naar de oom toe gelopen en heeft zich daarbij in zijn rechterkuit gesneden aan het mes van de tapijtstripper. Zowel de pezen als de spieren en de zenuwen waren doorgesneden. De zoon vordert voor recht dat de oom primair aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad en subsidiair dat de oom (althans diens verzekeraar) de schade uit hoofde van zaakwaarneming moet vergoeden. Volgens de zoon heeft de oom gevaarzettend gehandeld door geen veiligheidshandschoenen te dragen omdat hij de tapijtstripper met het mes naar boven had geplaatst. De oom is volgens de zoon gehouden de schade te vergoeden uit hoofde van zaakwaarneming omdat hij zich aan de tapijtstripper heeft gesneden toen hij handdoeken wilde halen om de bloeding bij de oom, die zich ook gesneden had, te stelpen. De verhuurder is volgens de zoon aansprakelijk omdat deze een tapijtstripper heeft verhuurd zonder handleiding en bijbehorende beschermingsmiddelen. De rechtbank oordeelt dat de oom niet aansprakelijk is. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden; de oom heeft niet onrechtmatig gehandeld. Aan de voorwaarden voor zaakwaarneming is bovendien niet voldaan. De rechtbank oordeelt dat de verhuurder van de tapijtstripper wel aansprakelijk is doordat deze niet heeft voldoende heeft gewaarschuwd voor de gevaren. Zo heeft de verhuurder niet gewezen op de op haar website geplaatste instructievideo. De door haar wel verstrekte schriftelijke veiligheidsinstructie was niet volledig en bevatte geen verwijzing naar de instructievideo. Tevens heeft de verhuurder alleen een smalle kunststof mesbeschermer meegeleverd en niet een lederen mesbeschermer die zichtbaar is op de instructievideo. Het beroep op het ontbreken van relativiteit en eigen schuld wijst de rechtbank af. De verhuurder is aansprakelijk.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 17-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0015

Deelgeschil. De man is, rijdend op zijn bromfiets, aangereden door een auto. Hij heeft daarbij letsel opgelopen. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend. De rechtbank oordeelt dat het verzoek zich leent voor een deelgeschil, ook al is het vrij uitgebreid. Daarnaast oordeelt de rechtbank ook dat ondanks dat de verzekeraar voorafgaand aan het deelgeschil een aantal toezeggingen heeft gedaan, het verzoek grotendeels niet prematuur is. De rechtbank gaat uitgebreid in op de verzoeken die zien op het verlies van verdienvermogen. De man verzoekt de rechtbank dat de verzekeraar in redelijkheid niet mag verlangen dat de man als werkvoorbereider (welk werk hij niet leuk vindt en zonder ongeval ook niet zou hebben verricht) inkomen genereert om verlies van arbeidsvermogen te voorkomen en verzoekt ook dat, nu hij gestart is als ondernemer, niet mag worden verwacht dat hij zich laat omscholen naar werk in een andere functie of branche, teneinde zijn verlies arbeidsvermogen te beperken. De rechtbank neemt in dit deelgeschil beslissing over diverse facetten van het verlies van verdienvermogen (de omvang schadebeperkingsplicht, recht op begeleiding, bevoorschotting) en over de buitengerechtelijke kosten (o.a. kosten voor voorbereiding verzoekschriftprocedures die niet zijn doorgegaan). De rechtbank oordeelt dat van de man in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij inkomen genereert als werkvoorbereider, ook niet als hij daartoe wel in staat zou zijn. De rechtbank acht hierbij van belang dat de keuze van de man om de (vervolg)opleiding tot werkvoorbereider te gaan doen geen volledig vrije keuze was, maar hem min of meer is opgedrongen door de omstandigheid dat het ongeval hem is overkomen. Zijn recht op zelfbeschikking dient hier te prevaleren boven zijn schadebeperkingsplicht. Het recht van de man om zelf zijn carrière te kiezen gaat naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat van hem, ook als hij als zelfstandig ondernemer niet in zijn inkomen kan voorzien, niet kan worden verwacht dat hij zich op enig moment laat omscholen naar werk in een andere functie of een andere branche. De rechtbank wijst een voorschot op het verlies van verdienvermogen toe, evenals een voorschot op de buitengerechtelijke kosten. Een verzoek tot het toewijzen van een voorschot op het smartengeld wordt afgewezen. Dit verzoek is te prematuur omdat niet is gebleken dat partijen voorafgaand aan de deelgeschillenprocedure contact hebben gehad over het smartengeld.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 18-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0012

Deelgeschil. De motorrijder is betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij heeft sindsdien lichamelijke en psychische klachten. De verzekeraar heeft namens haar verzekerde de aansprakelijkheid erkend, maar partijen komen niet tot een definitieve schadeafwikkeling. Zij twisten met name over de omvang van de arbeidsongeschiktheid en (de uitgangspunten bij de berekening aan) het verlies aan verdienvermogen van de motorrijder. De motorrijder heeft de rechtbank in dit deelgeschil gevraagd om onder andere hierover te beslissen. Een beslissing hierover kan de impasse tussen partijen doorbreken, maar om daarover duidelijkheid te krijgen is een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige nodig. Het verzoek in deelgeschil over zijn arbeidsongeschiktheid kan daarom niet worden toegewezen. Zijn verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige (dat gelijktijdig met het deelgeschil is behandeld) wordt toegewezen. De motorrijder heeft verder in het deelgeschil vrijwel het gehele geschil voorgelegd en dat is niet de bedoeling van een deelgeschil. Toch verklaart de rechtbank de motorrijder niet niet-ontvankelijk in al zijn verzoeken. Onder andere omdat de afwikkeling van de schade al bijna tien jaar loopt en de motorrijder begrijpelijkerwijs de noodklok heeft geluid met zijn (te uitgebreide) verzoekschrift, moet er schot in de zaak komen. De rechtbank beslist daarom op drie van zijn verzoeken en wijst zijn andere verzoeken, die onder andere zien op smartengeld, rekenrente en openstaande kosten van rechtsbijstand (van vooral eerdere belangenbehartigers), zonder inhoudelijke beoordeling af omdat deze zich niet lenen voor de deelgeschilprocedure.
Rechtbank Midden-Nederland, 25-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0011

In deze zaak wordt een eindvonnis gegeven na een deskundigenbericht. De vrouw verwijt dat de dokter een fout heeft gemaakt tijdens de operatie op 17 juni 2020 door bij het hechten de ureter te beschadigen. Daarnaast verwijt zij dat de dokter nalatig heeft gehandeld bij de nazorg door de pijnklachten van de vrouw niet serieus te nemen en geen grondig onderzoek daarnaar te doen. Het gerecht heeft bij tussenvonnis van 10 maart 2025 een deskundige benoemd ter beantwoording van de in dat tussenvonnis vermelde vragen. Het gerecht oordeelt dat er geen sprake is van een ondeugdelijke motivering of van zwaarwegende steekhoudende formele of inhoudelijke bezwaren, waardoor het toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het deskundigenbericht. Uit de bevindingen van de deskundige volgt onder meer dat er geen ureterletsel is geweest, maar er wel hydronefrose is opgetreden en dat dat vaker optreedt na aan gynaecologische operatie. Ook rapporteert de deskundige dat het ontstaan van de hydronefrose niet het gevolg is van onzorgvuldig medisch handelen van de dokter. Als hij tijdens de operatie een hechting door de ureter had gelegd was de hydronefrose als gevolg daarvan niet verdwenen, maar was een re-operatie noodzakelijk geweest, aldus de deskundige. De deskundige rapporteert ook dat de hydronefrose mild is geweest en is verdwenen. Ten aanzien van de vragen rondom het handelen van de dokter na de operatie heeft de deskundige gerapporteerd dat de hydronefrose niet voorkomen had kunnen worden, maar wel eerder had kunnen worden vastgesteld waardoor de vrouw wellicht minder klachten had ervaren. Tevens volgt uit de bevindingen dat dit aan de uitkomst op langere termijn niets had veranderd omdat de nierfunctie van de vrouw nu normaal is. Verder volgt uit de rapportage dat de hydronefrose en de wijze waarop de dokter nazorg heeft verleend niet van invloed kunnen zijn op de klachten die de vrouw thans ervaart. Op basis van het deskundigenbericht is het gerecht van oordeel dat niet komt vast te staan dat de dokter niet de zorg in acht heeft genomen die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gerecht is van oordeel dat de dokter niet onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld en dat daarom de vorderingen van de vrouw zullen worden afgewezen.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 08-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0010

Een 7-jarige zoon heeft in 2014 op jonge leeftijd ernstige brandwonden opgelopen door een ongeval met een barbecue. Zijn vader heeft namens hem geprobeerd de schade vergoed te krijgen onder de aansprakelijkheidsverzekering van de vader. Dat is niet gelukt, omdat de rechter heeft geoordeeld dat de door de vader afgelegde verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om te kunnen concluderen dat hij op onrechtmatige wijze de schade van zijn zoon heeft veroorzaakt. In deze procedure stelt de curator van het zoontje dat de vader door het afleggen van tegenstrijdige en onware verklaringen (wederom) onrechtmatig heeft gehandeld, voor welke onrechtmatige daad de APV-verzekeraar van de vader dekking moet verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zoontje voldoende belang bij toewijzing van zijn vordering in het geval zijn vordering op de APV-verzekeraar niet toewijsbaar is (vergelijk artikel 3:303 BW). Maar de rechtbank oordeelt dat het zoontje geen betaling van de APV-verzekeraar kan vorderen omdat er niet is voldaan aan de vereisten van de directe actie. De geleden schade bestaan namelijk niet uit dood of letsel maar uit vermogensschade, namelijk de verzekeringsuitkering die het zoontje zou hebben ontvangen als zijn vader die tegenstrijdige en deels onware verklaringen niet zou hebben afgelegd. Het zoontje moet het hebben van een vordering op zijn vader, die vervolgens kan proberen de vordering op grond van de verzekering af te wentelen op de APV-verzekeraar. De rechtbank volgt de APV-verzekeraar in zijn betwisting dat vermogensschade niet onder de dekking valt. Het zoontje doet een beroep op het arrest De Onderlinge/NN van de Hoge Raad. Maar naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de functie van een APV-verzekeraar in het maatschappelijk verkeer meebrengt dat een verzekerde (de vader) redelijkerwijs heeft mogen verwachten dat de verzekering dekking zou bieden voor vermogensschade die het gevolg is van zijn eigen onrechtmatig handelen waarmee hij dekking onder diezelfde verzekering voor letselschade heeft gedwarsboomd. De curator beroept zich ook op de bijzondere positie van jonge kinderen in het aansprakelijkheidsrecht. Echter, de rechtbank oordeelt dat het zoontje de dupe is van het onrechtmatig handelen maar dat dit zich niet laat oplossen via de band van het verzekeringsrecht. Tot slot oordeelt de rechtbank dat het causale verband tussen het onrechtmatig handelen van de vader en de schade niet is komen vast te staan. Uit een eerdere procedure volgt dat er meerdere scenario’s denkbaar zijn waardoor de APV-verzekeraar niet verplicht is om over te gaan tot uitkering. De rechtbank concludeert dat de vader aansprakelijk is voor de schade die het zoontje heeft geleden en mogelijk nog lijdt als gevolg van het afleggen van wisselende en tegenstrijdige verklaringen over de toedracht van het incident op 14 juni 2014.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17-12-2025