Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0436

In deze zaak is sprake van een kop-staartbotsing na remactie in verband met overstekende eenden. De voorop rijdende bestuurder reed buiten de bebouwde kom op een 80 km-weg. Nadat hij volledig tot stilstand was gekomen, werd hij van achter aangereden door de achterliggende auto. De vraag is of de verzekeraar van de achterop rijdende bestuurder aansprakelijk is voor de schade die de voorop rijdende bestuurder heeft geleden. De rechtbank stelt voorop dat de voorop rijdende bestuurder de bewijslast heeft, dit is vaste rechtspraak bij kop-staartbotsingen. Volgens diezelfde vaste rechtspraak biedt het enkele feit dat de achterste rijdende bestuurder op de voorste auto is gebotst, onvoldoende basis om de bestuurder van de voorste auto voorshands geslaagd te achten in het bewijs dat de bestuurder van de achterste auto een aan hem toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. De voorop rijdende bestuurder stelt dat de achterste bestuurder in de gegeven omstandigheden te hard reed en te weinig afstand heeft gehouden. De rechtbank concludeert op basis van camerabeelden gemaakt door de camera uit de voorop rijdende auto dat de achterste bestuurder significant harder reed dan de voorop rijdende bestuurder. De achterop rijdende bestuurder reed tot kort voor de aanrijding 80 km/h terwijl de adviessnelheid 60 km/h was. Van belang is verder dat de achterste bestuurder niet heeft gesteld dat de voorop rijdende bestuurder niet mocht remmen omdat de achterste bestuurder al dicht op de voorop rijdende auto reed. Integendeel, hij stelt juist dat hij steeds voldoende afstand tot de voorop rijdende bestuurder heeft gehouden. Voor de achterste bestuurder geldt de norm dat hij zijn auto tot stilstand moet kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg waarop hij rijdt kan overzien. In de gegeven omstandigheden kan niet geconcludeerd worden dat de achterste bestuurder voldoende afstand tot de voorop rijdende bestuurder heeft gehouden. Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat de achterste bestuurder in dit geval door niet tijdig tot stilstand te kunnen komen niet heeft voldaan aan de norm van artikel 19 RVV. Daarmee heeft hij onzorgvuldig jegens de voorop rijdende bestuurder gehandeld, wat ertoe leidt dat de verzekeraar aansprakelijk is voor de schade. Het beroep op eigen schuld aan de kant van de voorop rijdende bestuurder slaagt niet.
Rechtbank Oost-Brabant, 18-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0435

Strafrecht. De verdachte heeft als bestuurster van een personenauto een ongeval veroorzaakt door tegen een haar tegemoetkomende personenauto te rijden. Het slachtoffer heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het slachtoffer is ongeveer een jaar na de aanrijding overleden. Causaal verband tussen de aanrijding en het overlijden is niet gebleken. De zoon van het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gesteld en affectieschade gevorderd. In die vordering wordt hij niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overweegt hierbij dat de eisen voor toekenning van affectieschade streng zijn. Er moet bijvoorbeeld sprake zijn van een blijvende functiestoornis van 70% of meer, of van andere zeer ernstige letsels die van grote invloed zijn op de relatie en die als ‘ernstig’ en ‘blijvend’ kunnen kwalificeren. Het gaat hier om gevallen waarin het letsel niet alleen voor het slachtoffer zelf ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren teweegbrengt, maar vanwege de nauwe persoonlijke band die zijn naasten met hem hebben, ook voor dezen. In het bijzonder in die gevallen waarin niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een dergelijke hoge en blijvende functiestoornis, kan ook de invloed van het letsel op het leven van de gekwetste en de naaste van belang zijn bij de beoordeling of een naaste aanspraak kan maken op een vergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de zoon onvoldoende onderbouwd dat sprake is van het hiervoor bedoelde ernstig en blijvend letsel dat door het ongeval is veroorzaakt. In elk geval volgt uit de onderbouwing niet dat sprake was van een blijvende functiestoornis van 70% of meer. Maar ook zijn onvoldoende concrete en objectieve gegevens beschikbaar om te kunnen beoordelen wat de invloed van het letsel op het leven van het slachtoffer en zijn zoon zijn geweest. De informatie die de zoon heeft verstrekt en de overige informatie, zoals daarvan is gebleken uit de inhoud van het dossier en de toelichting van de benadeelde partij ter terechtzitting, is te fragmentarisch en te beperkt om de vergaande conclusies te kunnen dragen dat sprake is van ernstig en blijvend letsel als gevolg van het ongeval en dat dit letsel van grote invloed is geweest op (de relatie met) de zoon van het slachtoffer.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 04-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0434

Een man, veroordeeld tot 29 jaar en 6 maanden wegens betrokkenheid bij meerdere levensdelicten, is in 2016 in de gevangenis neergeschoten. Hij is onmiddellijk overleden. Tot nu toe is onbekend gebleven wie hem heeft omgebracht. Het Gerecht oordeelt dat het Land jegens de man een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat het Land voor de eventuele schade van de echtgenote van de man en hun zoon als gevolg van de moord aansprakelijk is. De Raad voor de Rechtshandhaving heeft al jarenlang gerapporteerd dat het slecht is gesteld met de interne veiligheid van de gevangenis. Het Gerecht overweegt dat het hebben en onderhouden van een gevangenis een basisverplichting voor het Land is die voortvloeit uit zijn eigen regelgeving, te weten artikel 30 van de Staatsregeling en de Landsverordening Beginselen Gevangeniswezen. Dit artikel waarborgt dat gedetineerden moeten worden behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid, inherent aan de menselijke persoon. Daarvoor moeten voldoende geld, personeel en middelen worden vrijgemaakt. Op het Land rust dus de verplichting om een veilige gevangenis neer te zetten en te handhaven. Duidelijk is echter dat het Land dit niet voor elkaar heeft gekregen. Er is sprake van een patroon van geweld in de gevangenis dat slachtoffers blijft maken. Daarmee is de schending van artikel 3 Staatsregeling gegeven. De gedetineerden in de gevangenis leven onder gevaarlijke omstandigheden. Het Land weet dat al vele jaren maar slaagt er niet in dat ten goede te keren. Daarmee heeft het Land een situatie in het leven geroepen die neerkomt op een wrede en onmenselijke bestraffing. Hierdoor schiet het Land tekort in zijn zorgplicht jegens gedetineerden die na een rechterlijke beslissing worden ondergebracht in de gevangenis. Het Gerecht gaat de verschillende schadeposten langs. De vordering tot vergoeding van levensonderhoud wordt afgewezen. Het Gerecht overweegt dat de man ten tijde van zijn overlijden al geruime tijd niet meer kon voorzien in het levensonderhoud van zijn echtgenote en hun zoon omdat hij door eigen toedoen was gedetineerd. Zolang de man gedetineerd zou zijn, kunnen de echtgenote en de zoon het Land hiervoor niet aansprakelijk houden omdat de man zichzelf in de positie heeft gebracht dat hij zijn gezin niet meer kon onderhouden. Wat betreft de mogelijkheid van gratieverlening oordeelt het Gerecht dat dit zodanig onwaarschijnlijk is dat daarmee geen rekening kan worden gehouden. Dat de man enige jaren voor zijn pensioenleeftijd zou vrijkomen maakt dit oordeel niet anders, vooral omdat nu niet kan worden voorzien of en hoe de echtgenote voor haar levensonderhoud van de man nog afhankelijk is. De vordering tot vergoeding van shockschade wordt ook afgewezen. Het Land is niet aan te merken als een dader. Het Land heeft immers de man niet om het leven gebracht; dat heeft hoogstwaarschijnlijk een medegedetineerde gedaan in de gevangenis die onder beheer van het Land stond. Daarom vindt het Gerecht de eventuele shockschade van de echtgenote niet geheel toerekenbaar aan het Land in de zin van artikel 6:98 BW. Verder oordeelt het Gerecht dat artikel 6:101 BW met zich brengt dat er sprake is van een aan de man toerekenbare omstandigheid. Uit de uitspraak van het strafhof immers volgt dat de man opzettelijk zeer ernstige levensdelicten, als deelnemer aan criminele bendeoorlogen, heeft gepleegd en daarmee willens en wetens zich in levensgevaarlijke omstandigheden heeft gebracht, waarmee hij ook het levensonderhoud van vrouw en kind op het spel zette. Op grond hiervan oordeelt het Gerecht al dat schadevergoeding wegens shockschade in dit geval niet kan worden toegewezen. Het Gerecht overweegt verder dat overigens geen sprake is geweest van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de moord. Wat betreft de gevorderde vergoeding wegens shockschade voor de zoon geldt specifiek dat gesteld noch gebleken is dat hij direct geconfronteerd is geweest met de gevolgen van de moord op zijn vader. Bovendien blijkt uit de stukken dat hij weigert mee te werken aan een onderzoek door een psychiater zodat shockschade ook niet kan worden vastgesteld.
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 22-02-2022

Rechtspraak

PS 2025-0433

Deelgeschil. In 2020 is een bestuurder van een scooter aangereden door een automobilist die rechtsaf wilde slaan. Hierbij is de bestuurder van zijn scooter gevallen, op zijn rechterzijde en met zijn hoofd op de grond. Daardoor heeft hij een bult op zijn hoofd gekregen. De bestuurder stelt dat hij als gevolg van het ongeval verschillende klachten heeft. De WAM-verzekeraar van de automobilist heeft aansprakelijk erkend en partijen hebben onderhandeld over de schadevergoeding. De WAM-verzekeraar heeft voorschotten betaald. In 2023 heeft de WAM-verzekeraar de onderhandelingen afgebroken. De bestuurder van de scooter verzoekt nu onder andere te bepalen dat de WAM-verzekeraar de onderhandelingen hervat en dat de WAM-verzekeraar een aanvullend voorschot van € 35.000 betaalt. De rechtbank wijst de verzoeken af. Het verzoek om de WAM-verzekeraar te veroordelen tot het hervatten van de onderhandelingen leent zich niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De WAM-verzekeraar kan niet onderhandelen met de bestuurder zolang de schadetechnische stukken niet overlegd zijn en zolang een deskundige niet heeft beoordeeld of er sprake is van klachten en beperkingen die in causaal verband staan tot het ongeval. Ook om inhoudelijke redenen kan dit verzoek niet in dit deelgeschil worden toegewezen. In beginsel staat het een verzekeraar vrij om de buitengerechtelijke onderhandelingen eenzijdig af te breken, tenzij dit op grond van gerechtvaardigd vertrouwen van de andere partij of in verband met andere (bijzondere) omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. In dit geval is het niet onredelijk of onaanvaardbaar dat de WAM-verzekeraar de onderhandelingen heeft afgebroken, en de bestuurder mocht er ook niet op vertrouwen dat de WAM-verzekeraar de onderhandelingen zou voortzetten. Ook het verzoek strekkende tot een aanvullend voorschot wordt afgewezen. Ten eerste kan ook dit verzoek bij de voornoemde stand van zaken niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, ten tweede is er ook inhoudelijk geen reden voor toewijzing. Er is al € 15.824,73 aan schadevergoeding betaald. De bestuurder heeft nagelaten te onderbouwen dat hij daadwerkelijk meer schade heeft geleden door het ongeval dan dat bedrag. Het verzoekt om de kosten van het deelgeschil te begroten op € 10.681,28 wordt afgewezen. De voorgaande inhoudelijke beoordeling van de verzoeken lag naar het oordeel van de deelgeschillenrechter zo voor de hand, dat het indienen van het verzoek als volstrekt onterecht moet worden aangemerkt. Het had de bestuurder duidelijk moeten zijn dat bij deze stand van zaken, dus zonder de nadere onderbouwing, zijn verzoeken zich niet zouden lenen voor een deelgeschil. Het enkele feit dat de bestuurder in deze procedure voor de derde keer een andere gemachtigde heeft, die niet eerder in de onderhandelingen betrokken was en de onderhandelingen nu wel vlot zou kunnen trekken, maakt dit niet anders. Het instellen van een deelgeschilprocedure was op dit moment niet de aangewezen procedure. De bestuurder had de rechtbank beter kunnen verzoeken een deskundige te benoemen, zodat er (mogelijk) duidelijkheid kan komen over de vraag of er sprake is van klachten en beperkingen en of die het gevolg zijn van het ongeval. Ook de advocaat van de bestuurder zelf benadrukt dat het starten van expertises de eerste vervolgstap zou moeten zijn.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 23-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0431

Deelgeschil. Een uitzendkracht heeft in 2022 letsel aan zijn been opgelopen tijdens zijn werkzaamheden die bestonden uit het helpen bij het losmaken van stalen banden rond bundels ‘anodes’, een grondstof voor aluminium. Een anode weegt ongeveer 1020 kg per stuk. De uitzendkracht verzoekt nu een verklaring voor recht dat de inlener jegens hem aansprakelijk is voor het door hem opgelopen arbeidsongeval. Daartoe stelt de uitzendkracht dat de inlener niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Voor wat betreft de schade stelt hij dat hij nog steeds onder medische behandeling staat en dat er nog geen medische eindtoestand is bereikt. Om de omvang van de schade in kaart te brengen is verder medisch onderzoek nodig. De kantonrechter overweegt dat het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Dat er in het onderhavige geval nog geen daadwerkelijke buitengerechtelijke onderhandelingen hebben plaatsgevonden staat niet aan het starten van de deelgeschilprocedure in de weg. De aansprakelijkheidsvraag betreft immers doorgaans een geschilpunt aan het begin van het traject van minnelijke onderhandelingen en vaststaat dat de inlener na aansprakelijk gesteld te zijn door de uitzendkracht, de aansprakelijkheid direct van de hand heeft gewezen. De onderhandelingen zijn dan ook niet verder van de grond gekomen. De beslissing op de aansprakelijkheidsvraag kan de tussen partijen bestaande impasse doorbreken en de onderhandelingen op gang brengen. Dat dit niet direct tot een vaststellingsovereenkomst zal leiden is niet doorslaggevend. De inlener voert aan dat de uitzendkracht zijn klachtplicht ex artikel 6:89 BW geschonden heeft door van juni 2023 tot januari 2025 niets van zich te laten horen. De kantonrechter is gelet op de omstandigheden van het geval van oordeel dat van een schending van de klachtplicht geen sprake is geweest. De inlener was vanaf de dag van het ongeval al op de hoogte dat de uitzendkracht letsel aan zijn been had opgelopen. De inlener had vanaf dat moment de mogelijkheid om (uitvoerig) onderzoek te verrichten naar de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en de veiligheidsmaatregelen en instructies die op dat moment binnen haar bedrijf golden. De inlener was daarbij niet afhankelijk van het klagen van de arbeidskracht. Verder geldt dat de arbeidskracht aanvankelijk nog in een afhankelijke positie verkeerde en dat het niet ondenkbaar is dat de eventuele (medische) klachten van de arbeidskracht gedurende een bepaalde periode zijn verminderd en later weer (meer) zijn gaan opspelen. Het enkele tijdsverloop maakt dan nog niet dat dus te laat is geprotesteerd. De kantonrechter overweegt daarnaast dat de arbeidskracht ook heeft voldaan aan de stelplicht. Dat de arbeidskracht schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden staat voldoende vast. In hoeverre de door de arbeidskracht geleden en nog te lijden schade al dan niet een gevolg is van het ongeval, betreft een vraag die pas in een later stadium nog aan de orde zal komen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de inlener niet, althans onvoldoende, aangetoond dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. In dit kader acht de kantonrechter van belang dat de Arbeidsinspectie uitvoerig onderzoek heeft verricht, een ongevalsrapport heeft opgemaakt en een boete vanwege overtreding van artikel 16 lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet jo. artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit aan de inlener heeft opgelegd. De Arbeidsinspectie heeft haar oordeel onder meer gebaseerd op haar bevinding dat het ongeval heeft kunnen gebeuren omdat er geen veilige werkwijze werd gehanteerd om de metalen banden te verwijderen en het daarna verplaatsen van de anodes. Hoewel juist is dat een door de Arbeidsinspectie vastgestelde overtreding niet automatisch en in alle gevallen civielrechtelijke aansprakelijkheid met zich brengt, hecht de kantonrechter in dit geval wel betekenis aan de bevindingen van de Arbeidsinspectie. Weliswaar stelt de inlener de bevindingen en conclusies van de Arbeidsinspectie niet te delen, maar zij heeft op geen enkele wijze toegelicht waarom zij deze bevindingen niet deelt en/of waarom deze onjuist zouden zijn. Daarbij komt dat het in deze procedure op de weg van de inlener ligt om aan te tonen dat zij wel aan haar zorgplicht heeft voldaan. Dat en, zo ja, op welke wijze de inlener aan haar zorgplicht heeft voldaan, is door haar in deze procedure echter in het geheel niet toegelicht en onderbouwd. De kantonrechter ziet dan ook aanleiding om van de juistheid van de bevindingen van de Arbeidsinspectie uit te gaan. De arbeidskracht is weliswaar onzorgvuldig/onoplettend geweest ten tijde van het ongeval, maar er is geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. De verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0429

In 2014 is een huurster gevallen van een vlizotrap. Zij heeft daarbij letsel opgelopen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de verhuurder aansprakelijk is voor de letselschade en dat zij samen met de verzekeraar verplicht is de materiële en immateriële schade van de huurster te vergoeden. Dit vonnis is door het gerechtshof bekrachtigd. Partijen zijn sindsdien in onderhandeling over de afwikkeling van de schade van de huurster. De huurster verzoekt nu de kantonrechter om voorlopige deskundigenberichten te bevelen met benoeming van een neuroloog en een neuropsycholoog. De huurster stelt dat haar schade en het causaal verband tussen haar klachten en beperkingen en het ongeval moeten worden vastgesteld. Partijen komen hier niet uit, waardoor zij ook niet komen tot een gezamenlijke opdracht aan de deskundigen. De verhuurder en verzekeraar verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Volgens hen blijkt uit de overgelegde medische informatie dat de huurster voor het ongeval ook al kampte met (ernstige) psychische klachten en vermoeidheidsklachten en wil de huurster niet de door de verzekeraar ter beoordeling hiervan nodig geachte medische informatie verstrekken. De kantonrechter stelt dat niet snel sprake is van een situatie dat het niet overleggen van gevraagde medische informatie leidt tot afwijzing van het gevraagde voorlopige deskundigenbericht. De kantonrechter wijst de verzoeken toe van de huurster. Het verzoek is niet prematuur, zoals de verhuurder en de verzekeraar betogen. Dat de verzekeraar op basis van de verstrekte medische informatie (nog) niet kan vaststellen of de gestelde klachten het gevolg zijn van het ongeval, leidt niet tot de conclusie dat de huurster daarom geen belang heeft bij de gevraagde onderzoeken. Er is door de huurster informatie overgelegd. Verder is het juist aan de deskundige om op basis van de anamnese en de beschikbare medische informatie, eventueel aangevuld met door de deskundige op te vragen nadere informatie, een antwoord te geven op de voorgelegde vragen, die onder meer een licht kunnen werpen op de vraag of er causaal verband bestaat tussen de gestelde klachten en het ongeval. Een neuroloog en neuropsycholoog worden benoemd. Aan de neuroloog wordt de IWMD-vraagstelling voorgelegd.
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 07-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0428

Kort geding. In 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een scooterrijder en een fietser. De destijds 17-jarige scooterrijder had voorrang moeten krijgen. Zelf reed hij 30 km/u waar de adviessnelheid 15 km/u was. De verzekeraar van de fietser heeft aansprakelijkheid erkend. De verzekeraar heeft aangegeven slechts twee derde van de schade te vergoeden vanwege de snelheid van de scooterrijder en het betriebsgefahr. De scooterrijder stelt dat hij als gevolg van het ongeval chronische klachten heeft en dat hij in totaal € 70.470 aan schade heeft geleden. Hij beroept zich in het kader van de causaliteit op de omkeringsregel. Hij verzoekt dat de verzekeraar veroordeeld wordt tot betaling van een voorschot van € 32.000. De verzekeraar voert verweer en stelt dat de scooterrijder de schadeposten en het causaal verband met het ongeluk onvoldoende heeft onderbouwd, waardoor niet is komen vast te staan dat sprake is van méér schade dan de schade die al door haar is vergoed. De voorzieningenrechter volgt de verzekeraar hierin. Uit de summiere medische informatie uit 2022 en 2023 kan niet worden afgeleid dat de man ook op dit moment nog klachten ervaart die voortvloeien uit het ongeval en die de door hem gestelde, maar niet met de juiste stukken onderbouwde, schadeposten veroorzaken. Over 2024 en 2025 zijn in het geheel geen medische gegevens overgelegd. Zonder aantoonbare schade kan aan eventuele toepassing van een omkeringsregel ten aanzien van het causaal verband niet worden toegekomen. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de schade, als die er nog is, (deels of geheel) voortvloeit uit de vastgestelde schildklieraandoening van de scooterrijder. De vordering van de scooterrijder wordt afgewezen. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de scooterrijder de door hem gestelde schade (en het causaal verband) dient te objectiveren met stukken, zoals ook door de verzekeraar verschillende keren gevraagd. Dat kan bijvoorbeeld door stukken en verklaringen van artsen, zijn (voormalig) werkgever en (voormalig) leraren over te leggen waaruit een en ander blijkt. Uit de thans overgelegde stukken blijkt die objectivering onvoldoende.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 09-07-2025