Deelgeschil. In 2020 is een bestuurder van een scooter aangereden door een automobilist die rechtsaf wilde slaan. Hierbij is de bestuurder van zijn scooter gevallen, op zijn rechterzijde en met zijn hoofd op de grond. Daardoor heeft hij een bult op zijn hoofd gekregen. De bestuurder stelt dat hij als gevolg van het ongeval verschillende klachten heeft. De WAM-verzekeraar van de automobilist heeft aansprakelijk erkend en partijen hebben onderhandeld over de schadevergoeding. De WAM-verzekeraar heeft voorschotten betaald. In 2023 heeft de WAM-verzekeraar de onderhandelingen afgebroken. De bestuurder van de scooter verzoekt nu onder andere te bepalen dat de WAM-verzekeraar de onderhandelingen hervat en dat de WAM-verzekeraar een aanvullend voorschot van € 35.000 betaalt. De rechtbank wijst de verzoeken af. Het verzoek om de WAM-verzekeraar te veroordelen tot het hervatten van de onderhandelingen leent zich niet voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De WAM-verzekeraar kan niet onderhandelen met de bestuurder zolang de schadetechnische stukken niet overlegd zijn en zolang een deskundige niet heeft beoordeeld of er sprake is van klachten en beperkingen die in causaal verband staan tot het ongeval. Ook om inhoudelijke redenen kan dit verzoek niet in dit deelgeschil worden toegewezen. In beginsel staat het een verzekeraar vrij om de buitengerechtelijke onderhandelingen eenzijdig af te breken, tenzij dit op grond van gerechtvaardigd vertrouwen van de andere partij of in verband met andere (bijzondere) omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. In dit geval is het niet onredelijk of onaanvaardbaar dat de WAM-verzekeraar de onderhandelingen heeft afgebroken, en de bestuurder mocht er ook niet op vertrouwen dat de WAM-verzekeraar de onderhandelingen zou voortzetten. Ook het verzoek strekkende tot een aanvullend voorschot wordt afgewezen. Ten eerste kan ook dit verzoek bij de voornoemde stand van zaken niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, ten tweede is er ook inhoudelijk geen reden voor toewijzing. Er is al € 15.824,73 aan schadevergoeding betaald. De bestuurder heeft nagelaten te onderbouwen dat hij daadwerkelijk meer schade heeft geleden door het ongeval dan dat bedrag. Het verzoekt om de kosten van het deelgeschil te begroten op € 10.681,28 wordt afgewezen. De voorgaande inhoudelijke beoordeling van de verzoeken lag naar het oordeel van de deelgeschillenrechter zo voor de hand, dat het indienen van het verzoek als volstrekt onterecht moet worden aangemerkt. Het had de bestuurder duidelijk moeten zijn dat bij deze stand van zaken, dus zonder de nadere onderbouwing, zijn verzoeken zich niet zouden lenen voor een deelgeschil. Het enkele feit dat de bestuurder in deze procedure voor de derde keer een andere gemachtigde heeft, die niet eerder in de onderhandelingen betrokken was en de onderhandelingen nu wel vlot zou kunnen trekken, maakt dit niet anders. Het instellen van een deelgeschilprocedure was op dit moment niet de aangewezen procedure. De bestuurder had de rechtbank beter kunnen verzoeken een deskundige te benoemen, zodat er (mogelijk) duidelijkheid kan komen over de vraag of er sprake is van klachten en beperkingen en of die het gevolg zijn van het ongeval. Ook de advocaat van de bestuurder zelf benadrukt dat het starten van expertises de eerste vervolgstap zou moeten zijn.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 23-07-2025