Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0456

Deelgeschil. In 2022 is een bezoekster van een evenement ten val gekomen toen zij in een lege stenen vijver stapte. Bij de val heeft de bezoekster haar linkerarm gebroken. De bezoekster verzoekt de rechtbank om nu voor recht te verklaren dat de gemeente en/of haar verzekeraar (op grond van artikel 6:174 BW dan wel artikel 6:162 BW) en/of de organisator van het evenement en/of haar verzekeraar (op grond van artikel 6:162 BW) hoofdelijk aansprakelijk is/zijn voor de schade die zij lijdt door de val. De rechtbank overweegt dat de bezoekster met de door haar overgelegde stukken niet helemaal duidelijk heeft weten te maken wat er precies is gebeurd. De bezoekster stelt dat zij is uitgegleden toen zij haar voet in de vijver zette, omdat het daar glad was door algvorming en regenachtig weer. De gemeente betwist dat de vijver glad was door algvorming. De rechtbank oordeelt dat op basis van de verklaringen van partijen en de overgelegde stukken niet als vaststaand kan worden aangenomen dat er op de bewuste avond sprake was van algvorming in de vijver. De bezoekster gaat er weliswaar van uit dat dit de oorzaak was van haar val, maar zij heeft de aanwezigheid van groene aanslag niet zelf vastgesteld. Dat zij heeft mogen concluderen dat die aanslag er wel was, vanwege de vlekken op haar broek en schoenen, heeft zij onvoldoende onderbouwd. Hoe die vlekken er precies uitzagen is niet bekend (foto’s van de broek en schoenen zijn niet overgelegd) en deze vlekken kunnen mogelijk ook zijn veroorzaakt doordat er wat vuil of blad in de vijver lag. Foto’s die kunnen aantonen dat er algaanslag in de vijver aanwezig was, zijn niet overgelegd. Door de bezoekster zijn ook geen getuigen genoemd die daarover kunnen verklaren. De bezoekster heeft wel een schriftelijke verklaring van haar zoon overgelegd, maar deze verklaring, die een jaar later is opgesteld, overtuigt niet. De rechtbank overweegt dat zelfs als vast zou komen te staan dat er wel algvorming aanwezig was in de vijver, dit nog niet betekent dat een van de verwerende partijen aansprakelijk is voor het ongeval. Er was namelijk geen sprake van schending van een zorgplicht of onrechtmatige gevaarzetting. De gemeente hoefde er zowel tijdens als buiten het evenement om geen rekening mee te houden dat mensen de vijver zouden betreden. Verder mocht de gemeente verwachten dat als er dan toch iemand in de vijver zou stappen, deze persoon daarbij bijzonder oplettend en voorzichtig zou zijn. Dat er een ongeval, met mogelijk nare gevolgen, zou gebeuren, was dan ook zeer onwaarschijnlijk en de gemeente hoefde met het oog daarop de vijver niet af te zetten met een hek of lint. Ook de organisator hoefde niet te verwachten dat bezoekers over de hoge brede rand heen, ín de vijver zouden stappen. Daarvoor boden het kunstwerk op het plein en de uitgezette looproute geen enkele aanleiding.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 20-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0455

In 2019 is een man een ongeval overkomen. Als gevolg van dit ongeval zijn diverse klachten ontstaan. In 2021 heeft de AOV-verzekeraar van de man bericht dat ter beoordeling van zijn arbeids(on)geschiktheid een specialistisch onderzoek nodig is. Er zijn vervolgens een psychiatrische expertise, een neuropsychologisch onderzoek en een psychologisch onderzoek verricht door een deskundigenbureau, waarna een rapport is uitgebracht. De man was en is het niet eens met de conclusies van het specialistisch onderzoek van het deskundigenbureau maar wist destijds niet hoe hij dat kenbaar moest maken aan de verzekeraar. De verzekeraar heeft de man niet gewezen op artikel 5.3 van de polisvoorwaarden op basis waarvan de man recht heeft op een (medische) second opinion. Deze discussie is destijds ook op de achtergrond geraakt door het beroep van de verzekeraar op onder meer de alcoholclausule, op grond waarvan zij weigerde nog langer een AOV-uitkering te verstrekken. De verzekeraar heeft, onder de voorwaarde dat haar beroep op de (uitsluitings)clausules in de polisvoorwaarden wordt afgewezen, verklaard haar medewerking te willen verlenen aan een second opinion. Omdat de rechtbank dat beroep in een eerder tussenvonnis heeft afgewezen, moet worden beslist over de wijze waarop deze second opinion wordt vormgegeven. Partijen verschillen daarover van mening. De rechtbank volgt het standpunt van de man en oordeelt dat de medische second opinion moet worden verricht in volle omvang, dus door een neuroloog, neuropsycholoog en een psychiater. Aanleiding daarvoor is, in het kader van het partijdebat, dat er gerede twijfel bestaat over de zorgvuldigheid van het eerdere onderzoek dat door het deskundigenbureau is uitgevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding zich uit te laten over de personen van de medisch specialisten of de vraagstelling die aan hen moet worden voorgelegd. De rechtbank vertrouwt erop dat partijen daar in goed overleg uit kunnen komen. Mocht dat niet het geval zijn, dan kunnen partijen deze vragen in een andere procedure aan de rechtbank voorleggen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 30-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0453

Deelgeschil. In 2014 heeft een ongeval plaatsgevonden tussen een auto en een voetgangster van 16 jaar. De voetgangster verzoekt nu dat de rechtbank voor recht verklaart dat de bestuurder, althans de eigenaar van de auto, althans de in het buitenland gevestigde WAM-verzekeraar van de auto aansprakelijk zijn voor de schade die zij als gevolg van het ongeval heeft geleden en zal leiden. De rechtbank overweegt dat hoewel het ongeval heeft inmiddels bijna elf jaar geleden heeft plaatsgevonden, er nog geen duidelijkheid is over de toedracht van het ongeval. Ook het letsel en de beperkingen die de vrouw als gevolg van het ongeval heeft, zijn niet of nauwelijks nader onderzocht, hoewel de vrouw na het ongeval nog vier andere gebeurtenissen is overkomen (waaronder een scooterongeval en de val van een trap) die van invloed kunnen zijn geweest op haar huidige beperkingen. De rechtbank oordeelt dat de bestuurder en de eigenaar op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk zijn voor 80% van de schade. Er is sprake van 20% eigen schuld. De vrouw heeft in aanzienlijke mate aan het ontstaan van de aanrijding bijgedragen doordat zij de weghelft waar de voor haar van rechts komende bestuurder reed is gaan oversteken zonder hem op te merken en zonder hem voorrang te verlenen hoewel zij daartoe verplicht was. De rechtbank overweegt verder dat de bestuurder zijn snelheid in onvoldoende mate heeft aangepast aan de verkeerssituatie en met name in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van fouten van andere verkeersdeelnemers, die zouden gaan oversteken om de bushalte te bereiken. Naast het voorgaande wordt bij het beroep op eigen schuld betrokken dat aan de vrouw vanwege haar destijds jeugdige leeftijd niet een al te ernstig verwijt kan worden gemaakt van de verkeersfout die zij als voetganger heeft gemaakt. Verder is van belang dat het ongeval tot aanzienlijk(e) letsel(schade) bij de vrouw heeft geleid en dat de bestuurder, wiens aansprakelijkheid is verzekerd, des te meer verwijt treft omdat hij als bestuurder van een motorvoertuig onvoldoende voorzichtigheid heeft betracht. Schulddeling wordt toegepast op de kosten van het deelgeschil.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 14-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0451

Verzekeringsrecht. Twee WAM-verzekeraars stonden ten tijde van een verkeersongeval bij de RDW geregistreerd als WAM-verzekeraar van hetzelfde voertuig. Het voertuig was op dat moment overgedragen aan een derde – de bestuurder – die geen eigen WAM-verzekering had afgesloten. De bestuurder veroorzaakt een ongeval. De benadeelde heeft met succes een van de twee WAM-verzekeraars aangesproken. De verzekeraar die heeft uitbetaald zoekt (deels) regres op de andere WAM-verzekeraar. De vraag is of de uitkerende WAM-verzekeraar in deze procedure een vordering heeft op de andere geregistreerde WAM-verzekeraar. De rechtbank oordeelt bevestigend omdat beide WAM-verzekeraars niet aan de benadeelde kunnen tegenwerpen dat zij geen WAM-verzekeraar zijn (artikel 13 lid 7 WAM), zodat zij allebei door de WAM gehouden zijn om dezelfde schade (namelijk die van de benadeelde) te vergoeden. Van samenloop ex artikel 7:961 BW is in het onderhavige geval geen sprake. Op grond van artikel 6:102 BW zijn zij hoofdelijk verbonden en gehouden om in hun onderlinge verhouding aan de schade-uitkering bij te dragen. Artikel 13 lid 5 WAM over het van kracht worden van een nieuwe verzekering ten aanzien van hetzelfde voertuig ziet op het narisico van artikel 13 lid 4 WAM en kent geen andere zelfstandige betekenis. De zaak wordt verwezen naar de rol zodat partijen zich kunnen uitlaten over de nog vast te stellen omvang van de schade.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 23-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0450

In 2019 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een motorfiets betrokken was. De bestuurder van de motorfiets stelt dat hij door het ongeval gezondheidsklachten heeft opgelopen en beperkingen ervaart, waardoor hij niet meer (volledig) kan werken. In een eerdere beschikking is vast komen te staan dat de WAM-verzekeraar van de andere bestuurder 75% aansprakelijkheid heeft erkend en dat van de zijde van de bestuurder van de motorfiets sprake is van 25% eigen schuld. Partijen hebben een neuroloog verzocht een neurologisch onderzoek te verrichten. De neuroloog heeft te kennen gegeven dat hij zijn definitieve deskundigenrapport eerst kan afgeven nadat neuropsychologisch onderzoek is verricht. De WAM-verzekeraar verzoekt nu dat de rechtbank voorlopige deskundigenberichten gelast door een neuropsycholoog en een arbeidsdeskundige. De WAM-verzekeraar wil kunnen beoordelen of het zin heeft om de bestuurder van de motorfiets op korte termijn te laten begeleiden door een arbeidsdeskundige naar fulltime betaalde arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige en wil haar proceskansen voor een eventuele civiele bodemprocedure kunnen inschatten. Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de uit te voeren deskundigenonderzoeken, namelijk een neuropsychologisch deskundigenonderzoek, een verzekeringsgeneeskundig deskundigenonderzoek, een arbeidsdeskundig deskundigenonderzoek en een bedrijfseconomisch deskundigenonderzoek. Partijen zijn het ook eens geworden over de te benoemen (personen van de) deskundigen en (grotendeels) de aan de deskundigen voor te leggen vraagstelling. De bevindingen van de neuroloog in zijn (nog af te geven) definitieve rapport kunnen ertoe leiden dat eerst nader (psychiatrisch) deskundigenonderzoek nodig is, voordat kan worden aangevangen met het verzekeringsgeneeskundig onderzoek (en het arbeidsdeskundig en bedrijfseconomisch onderzoek). Partijen zullen de rechtbank daarom na afgifte van het definitieve neurologische rapport berichten of zij hun verzoeken ten aanzien van de uitvoering van de deskundigenonderzoeken handhaven. Dit daargelaten heeft de rechtbank omwille van de voortvarendheid in dit dossier met partijen ter zitting afgesproken dat alvast een verzekeringsgeneeskundig, een arbeidsdeskundig en een bedrijfseconomisch onderzoek zal worden bevolen en dat de door partijen beoogde deskundigen alvast door de rechtbank zullen worden benaderd en zullen worden benoemd indien zij bereid zijn het gevraagde onderzoek uit te voeren. De deskundigen hebben laten weten in staat en bereid te zijn de gevraagde onderzoeken te verrichten.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 01-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0447

Deelgeschil. In 2010 is een 3-jarig jongentje in een kermisattractie met zijn hand tussen de loopband en de vloer terechtgekomen. Door het ongeval heeft de jongen zijn hand gekneusd en had hij op de rug van zijn hand en zijn vingers tweedegraads brandwonden en ontvellingen. Na het ongeval is hij in het ziekenhuis opgenomen. Hij is aan zijn hand geopereerd en er is een huidtransplantatie verricht. De jongen staat nog jaarlijks onder controle bij het Brandwondencentrum in Beverwijk. In 2011 heeft de gemachtigde van de moeder van de jongen namens de jongen de eigenaresse van de kermisattractie aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval. Uit documenten van de NVWA en krantenartikelen blijkt dat een vergelijkbaar ongeval op de loopband in de attractie meerdere keren heeft plaatsgevonden, steeds met (jonge) kinderen. De rechtbank overweegt dat als het gevaar van struikelen en vallen voorzienbaar is, de bedrijfsmatig exploitant van een kermisattractie in verband met de daaraan verbonden risico’s adequate veiligheidsvoorzieningen dient te treffen. Op de exploitant rust een zware zorgplicht ten aanzien van de veiligheidsaspecten van de attractie, te meer als jonge kinderen tot de attractie worden toegelaten. Dat geldt te meer nu van kinderen (en zeker kinderen van 3 jaar oud) slechts een beperkt inzicht in gevaar kan worden verwacht. Het lag dan ook op de weg van de eigenaresse om zodanige voorzieningen te treffen dat het gebruik van de attractie, waarbij kennelijk vallen en struikelen regelmatig voorkomt, geen risico’s zou opleveren voor het ontstaan van ernstig letsel zoals dat bij de jongen is ontstaan. Ook in het geval dat het bekneld raken aan het eind van de loopband een onvoorziene gebeurtenis zou zijn, is de rechtbank van oordeel dat de eigenaresse onvoldoende voorzieningen heeft getroffen. De noodknop bij de kassa was niet snel genoeg en contact maken met de kassamedewerker was moeilijk, mede vanwege de drukte en de harde muziek op de kermis. Ten slotte werkte de sensor onder de loopband kennelijk niet. De attractie voldeed dus niet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld en was dus gebrekkig. De eigenaresse is aansprakelijk.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 05-08-2025