Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

8.705 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0466

Een man stelt in 2023 gevallen te zijn nabij de vakantiewoning die hij huurde. Volgens de man liep hij vanaf het goed verlichte terras een (begroeid) onverlicht grindpad op. Dit grindpand bleek achteraf de bovenkant van een klifmuur te zijn. De rechtbank overweegt dat het voorstelbaar is dat men bij aankomst op een vakantiepark niet zo goed let op de omgeving, althans daar minder mee bezig is. Men gaat immers op vakantie om leuke dingen te doen; doorgaans zal daar de nadruk op liggen. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank in het onderhavige geval van oordeel is dat op basis van het overgelegde fotomateriaal – in ieder geval bij daglicht – sprake is van een duidelijke, overzichtelijke situatie. Er is volgens de rechtbank geen sprake van een gevaarlijke situatie. Het is te verwachten dat men bij een vakantiewoning gebruik maakt van de tuin, het terras en de betegeling die is aangelegd en het looppad dat (daarmee) is gecreëerd. Niet te verwachten is dat men in de richting van het grind aan de zijkant van een vakantiewoning zal lopen en daar overheen zal stappen, zoals de man stelt te hebben gedaan, omdat dit grind afwijkt van de verdere inrichting van de tuin en het terras, en men zich daarmee begeeft op onbekend(er) terrein, waarvan men niet weet wat zich daar bevindt en dat vanwege het gebruikte materiaal kennelijk – anders dan de tuin, het terras en het looppad – niet bedoeld is als looproute. Nu geen sprake is van een gebrekkige opstal, kan evenmin sprake zijn van onrechtmatige gevaarzetting. Uit de eerdere overwegingen van de rechtbank kan immers worden afgeleid dat de gedaagde partijen en/of het park geen gevaarzettende situatie in het leven heeft/hebben geroepen of bewust heeft/hebben laten voortduren, zodat evenmin kan worden geoordeeld dat de gedaagde partijen en/of het park onrechtmatig jegens de man heeft/hebben gehandeld.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 18-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0465

Een vader verzoekt dat de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor beveelt. De vader stelt dat toen zijn dochter onder behandeling was bij een oogarts, de oogarts en de moeder van het kind een affectieve relatie hadden met elkaar. Volgens de vader heeft de oogarts hierdoor onrechtmatig jegens zowel hem als zijn dochter gehandeld, waardoor zij schade hebben geleden. Hij wil zijn schade op de oogarts verhalen, maar de oogarts ontkent dat hij met de moeder een affectieve relatie heeft gehad. De vader wil middels een getuigenverhoor bewijs krijgen van het onrechtmatig handelen van de oogarts en van de schade. De kantonrechter overweegt dat uit het verzoekschrift niet blijkt dat de vader zijn verzoek mede namens de dochter heeft gedaan. Ook is niet gebleken dat zij op de hoogte is van de procedure. De kantonrechter is bevoegd en wijst het verzoek af. Op basis van hetgeen de vader ter onderbouwing in deze procedure heeft aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat de door hem voorgenomen jegens de oogarts in te stellen vordering geen kans van slagen heeft. Als een dokter een affectieve relatie heeft met een vrouw, die al een partner heeft, is dat op zichzelf in juridische zin niet onrechtmatig jegens de partner van de desbetreffende vrouw. Ook niet als, zoals in dit geval, de dokter de behandelend arts is van het minderjarig kind van de vrouw en haar partner. Ook als veronderstellenderwijs moet worden aangenomen dat, zoals de vader stelt en de oogarts betwist, de oogarts jarenlang een affectieve relatie zou hebben gehad met de moeder, heeft de oogarts daarmee niet onrechtmatig jegens de vader gehandeld. Van een aanspraak tot vergoeding van schade is daarom geen sprake. Bijkomende bijzondere omstandigheden, die in een eventuele hoofdzaak tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, heeft de vader niet aangevoerd. Nog afgezien van het voorgaande heeft de vader op geen enkele manier duidelijk gemaakt welke schade hij als gevolg van een en ander zou (kunnen) hebben geleden.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 28-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0462

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal zedenfeiten, waaronder het seksueel misbruiken van zijn 3-jarige zoon. De moeder van het zoontje vordert vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade voor de gevolgen die het misbruik van haar kind voor haar heeft gehad. Schriftelijk zijn voor deze schade meerdere rechtsgronden genoemd: affectieschade, schokschade, verplaatste schade en daarnaast op grond van een onrechtmatig handelen jegens de benadeelde zelf. Ter zitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake zou zijn van affectie- dan wel schokschade. Daarnaast heeft zij gesteld dat de verdachte jegens de moeder ook rechtstreeks een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Voor zover de raadsvrouw stelt dat benadeelde op grond van schokschade recht heeft op vergoeding, kan de rechtbank haar daarin niet volgen. Benadeelde is niet direct getuige geweest van het misbruik van haar zoon. Gesteld noch gebleken is dat zij daarna met beelden van het misbruik is geconfronteerd. Evenmin kan de vordering op basis van geleden affectieschade worden toegewezen. Dat er sprake is van ernstig misbruik van het zoontje kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat sprake is van zodanig ernstig en blijvend letsel dat op grond daarvan recht op vergoeding ontstaat bij de moeder. De rechtbank overweegt verder dat voor zover al rechtens kan worden aangenomen dat in geval van seksueel misbruik van een kind, tevens een onrechtmatige daad wordt gepleegd jegens de ouder van dat kind, daarvoor in dit geval onvoldoende is gesteld.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 02-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0461

Twee automobilisten zijn tegen elkaar aangebotst terwijl zij beiden aan het parkeren waren. Partijen hebben toen een schadeformulier ingevuld, waarna de verzekeraar van de verzoekende partij heeft geoordeeld dat beide partijen (voor de helft) aansprakelijk zijn voor het ongeval. Vanwege de gedeelde aansprakelijkheid heeft de verzekeraar het eigen risico van de verzoekende partij voor de duur van twee jaar verhoogd naar € 500 in plaats van € 0, en is hij een trede gedaald op de ‘no-claimladder’. De verzoekende partij is het niet eens met de beoordeling van de verzekeraar dat beide partijen voor de helft aansprakelijk zijn (en de gevolgen daarvan). Daarom wil hij in rechte laten vaststellen dat hij geen schuld heeft aan het ongeval, en daartoe de verwerende partij en zichzelf als getuigen doen laten horen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de verzoekende partij gesteld dat een vervolgprocedure zich ook tot de verwerende partij zou kunnen richten, in die zin dat een verklaring voor recht zou kunnen worden gevorderd over de verdeling van de aansprakelijkheid. Uit alles blijkt echter dat het geschil in een eventueel nog te volgen bodemprocedure zich tot de verzekeraar richt, en niet tot de verwerende partij. Daarom heeft de verzoekende partij geen belang bij een voorlopige bewijsverrichting in een procedure tegen de verwerende partij. Deze verzoekschriftprocedure heeft de verzoekende partij echter wel tegen de verwerende partij gericht, en niet tegen de verzekeraar. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af bij gebrek aan belang daarbij.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0459

Strafrecht. De rechtbank legt 42 maanden gevangenisstraf op, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaren. In 2024 heeft een aan de schuld van de verdachte te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft met 140 km/uur gereden waar 60 km/uur was toegestaan, dit terwijl hij onder invloed van alcohol was. Door dit verkeersongeval is een mede-inzittende overleden en liep een tweede mede-inzittende een borstbeenbreuk op. Een benadeelde partij vordert vergoeding van affectieschade. De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verzekeringsmaatschappij van verdachte al contact heeft gehad met de benadeelde en dat er ook al zaken zouden zijn toegezegd, namelijk vergoeding van affectieschade ter hoogte van 75% van € 20.000, en indien het gaat om een misdrijf de volledige € 20.000. Betreffende deze ontvankelijkheid van de benadeelde partij stelt de rechtbank aan de hand van de door de verdediging overgelegde e-mail vast dat bij de verzekeraar enkel de bereidheid aanwezig is om de affectieschade van de benadeelde partij te vergoeden. Deze toezegging is naar het oordeel van de rechtbank van een geheel andere orde dan hetgeen blijkt uit het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2010:BK9031). Nu in het onderhavige geval enkel sprake is van een bereidheid om de schade te vergoeden is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering in deze strafprocedure. De rechtbank maakt daarbij wel de opmerking dat het niet de bedoeling is dat twee keer de affectieschade aan de benadeelde partij wordt vergoed en daarmee ook twee keer voor rekening van verdachte zou komen. De gevorderde affectieschade wordt toegewezen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 29-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0458

Tijdens werkzaamheden in Parijs voor de Olympische Spelen is een zzp’er gewond geraakt door een schaarhoogwerker die werd bestuurd door een medewerkster van een ander bedrijf. Hierbij heeft de man zijn voet op meerdere plaatsen gebroken. De belangenbehartiger van de man heeft zowel de werkgever van de vrouw die de schaarhoogwerker bestuurde als haar AVB-verzekeraar aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. De AVB-verzekeraar heeft dekking afgewezen en is van mening dat de WAM-verzekeraar van de hoogwerker moet worden aangesproken. De man en de werkgever vorderen dat de AVB-verzekeraar op grond van de AVB-polis dekking verleent, althans de schade in behandeling neemt. De voorzieningenrechter acht voorshands aannemelijk dat sprake is van een ongeval dat veroorzaakt is door een WAM-plichtig voertuig tijdens deelname aan het verkeer. Vast staat immers dat het ongeval is ontstaan doordat de hoogwerker een stukje achteruit is gereden en daarbij op de voet van de man is gekomen. Uit overgelegde foto’s blijkt duidelijk dat de hoogwerker zich op een weg bevond. Bovendien is niet zonder meer vereist dat een ongeval op de openbare weg plaatsvindt. Ook het (tijdelijk) afgesloten zijn van een weg is niet van doorslaggevend belang voor de vraag of in een concreet geval WAM-dekking moet worden verleend. Het is dus aannemelijk dat de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval gedekt is op een (Franse) WAM-verzekering en dus niet op de AVB-polis, waarin een uitsluiting is opgenomen voor WAM-schades. Weliswaar is nog niet duidelijk welke verzekeraar feitelijk betrokken is, maar dat moet alsnog te achterhalen zijn, nu de eigenaar en het registratienummer van de hoogwerker bekend zijn. De vordering wordt afgewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 18-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0457

Deelgeschil. In 2020 heeft een monteur de opdracht gekregen om samen met een collega acht markiezen aan de gevel van een boerderij te bevestigen. Tijdens het handmatig verplaatsen van een van de markiezen heeft de monteur een bicepspeesruptuur opgelopen. De werkgever van de monteur wijst iedere aansprakelijkheid af. Partijen hebben gecorrespondeerd over het gewicht van de markiezen. In opdracht van de werkgever en haar verzekeraar is onderzoek gedaan naar de afmetingen en het gewicht van de markiezen en heeft een toedrachtsonderzoeker onderzoek gedaan naar de oorzaak van het bedrijfsongeval. Ondertussen is het dienstverband beëindigd. De monteur verzoekt de kantonrechter nu om te bepalen dat de werkgever aansprakelijk is voor de door hem geleden schade als gevolg van het bedrijfsongeval. De kantonrechter overweegt dat de markiezen circa 19,2 kilogram per stuk wogen en dat de monteur over een circa halve meter brede (mest)goot moest stappen, waarna hij de markiezen vervolgens over een afstand van minstens 70 meter over een oneffen boerenerf naar de gevel van de boerderij moest verplaatsen. Bovendien betrof het markiezen van een zodanig formaat dat deze door één persoon niet eenvoudig hanteerbaar waren. Onder deze omstandigheden mocht redelijkerwijs van de werkgever worden verwacht dat zij de monteur – hoewel ervaren en gecertificeerd – instrueerde over de wijze waarop de markiezen moesten worden verplaatst: bijvoorbeeld door deze gezamenlijk te tillen ofwel door daarbij gebruik te maken van mechanische hulpmiddelen. Door die instructies na te laten en de wijze van verplaatsing ter beoordeling aan de monteur en zijn collega over te laten, heeft de werkgever onvoldoende invulling gegeven aan de ingevolge artikel 7:658 BW op haar als werkgever rustende zorgplicht. Het verzoek van de monteur wordt toegewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 11-10-2022