Naar boven ↑

Update

Nummer 18, 2026
Uitspraken van 5 mei 2026 tot 11 mei 2026
Redactie: Mr. H. Vorsselman, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart en J. Stulp.

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij treft u de nieuwe PS Updates aan. 

Rechtspraak
In deze nieuwsbrief hebben wij een selectie opgenomen van de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, die te raadplegen zijn via de hyperlinks onder aan deze nieuwsbrief. 

Deze week is een tweetal zaken voor u uitgelicht. In de eerste uitspraak gaat het hof in op de problematiek rondom de aanwezigheid van een uitkering uit hoofde van de Participatiewet in relatie tot een te ontvangen schadevergoeding. De tweede uitspraak gaat over de reflexwerking van artikel 185 WVW. In dit geval wordt geoordeeld dat een vrouw die op een opgevoerde snorfiets reed en die met een voetganger is botsing is gekomen 20% van haar schade vergoed krijgt. 

Hof: Participatiewet en verlies van verdienvermogen.
De man is in 2004, als fietser, gewond geraakt bij een ongeval dat is veroorzaakt door een bij de verzekeraar verzekerde bromfietser. In dit tussenarrest gaat het hof nader in op de schade ten titel van het verlies van verdienvermogen. In een eerder tussenarrest heeft het hof bepaald dat in de situatie zonder ongeval ervan moet worden uitgegaan dat de man vanaf 1 juli 2004 een inkomen zou hebben gehad gelijk aan 110% van het minimumloon. In de situatie zonder ongeval moet worden uitgegaan van het feitelijk inkomen van de man. Als over de peridode vanaf 1 juli 2012 sprake is van schade wegens verlies van verdienvermogen dan dient de man de helft van deze schade zelf te dragen wegens schending van zijn schadebeperkingsplicht aldus het hof in een eerder tussenarrest. Uit dit arrest blijkt dat de man meent dat in de berekening van de deskundige ten onrechte geen rekening is gehouden met mogelijke fiscale schade (‘vooral box 3 schade’), met pensioenschade en met schade vanwege een mogelijke terugvordering van een in het verleden toegekende uitkering op grond van de Participatiewet. Ook de verzekeraar heeft diverse bezwaren tegen het rapport van de deskundige. De bijstandsuitkering heeft volgens het hof, gelet op de genoemde vangnetfunctie van de Participatiewet, een aanvullend karakter. Dat betekent dat bij de begroting van de schade vanwege verlies verdienvermogen in beginsel geen rekening moet worden gehouden met een bijstandsuitkering. Maar hier geldt dat een principieel uitgangspunt in de praktijk tot praktische problemen kan leiden. Als de benadeelde bij de afwikkeling van de schade al enige tijd een bijstandsuitkering heeft ontvangen en daarmee bij de afwikkeling geen rekening wordt gehouden is het mogelijk dat de gemeente geen (of niet volledig) gebruik maakt van haar terugvorderingsbevoegdheid. In dat geval ontvangt de benadeelde over de periode waarover hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen meer schadevergoeding dan hij feitelijk aan schade heeft geleden. Het hof bepaalt dat als rekening moet worden gehouden met de bijstandsuitkering, de volledige (gezins)bijstandsuitkering aan de man moet worden toegerekend. Hoewel een belangrijk uitgangspunt bij de begroting van letselschade is dat de schade van het individuele slachtoffer moet worden begroot, los van zijn gezinssituatie, ziet het hof daarbij onvoldoende reden om bij de begroting van de feitelijke situatie te abstraheren van deze realiteit. Het hof kiest ervoor om (alleen) voor de periode van de bijstandsuitkering de zaak te verwijzen naar de schadestaat. Het hof stelt het begin van die periode op 1 juli 2012 en het einde op 1 oktober 2026, waarbij het ervan uitgaat dat de man per die datum aanspraak heeft op betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding vanwege verlies arbeidsvermogen dat zijn aanspraken op bijstand komen te vervallen. De gemeente kan vervolgens over het verleden de balans opmaken en bepalen of en in hoeverre zij de betaalde uitkering wil terugvorderen. Indien dat het geval is, kan de man alsnog aanspraak maken op betaling door de verzekeraar van het terug te vorderen bedrag. Het hof gaat er daarbij van uit dat de gemeente er bij de terugvordering rekening mee houdt dat de man ook over de periode van de bijstandsverlening slechts aanspraak heeft op de helft van zijn schade (bestaande uit het verschil tussen een inkomen op basis van 110% van het minimumloon, te vermeerderen met de daarnaast te ontvangen toeslagen en de daadwerkelijk ontvangen toelagen). Naar het oordeel van het hof moet bij de begroting van de schade vanaf 1 oktober 2026 wel rekening worden gehouden met de gevolgen van het volledig wegvallen van inkomen uit arbeid en de daartegenover staande ontvangst van een schadevergoedingsuitkering op de aanspraken op toeslagen. Nu de deskundige ten aanzien van een eventuele heffing in box 3 heeft aangegeven dat deze wordt verrekend met de vrijgevallen heffingskortingen gaat het hof ervan uit dat er geen sprake is van belastingschade vanwege box 3-heffing over de te ontvangen schadevergoedingsuitkering. Tot slot oordeelt het hof dat de vordering omtrent de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kan doorstaan. Het hof schat de kosten op € 20.000. De man dient nog een akte in het geding te brengen, waarna de verzekeraar daarop mag reageren. (PS 2026-0207)

Reflexwerking art. 185 WVW.
De zaak gaat over een aanrijding tussen een snorfiets die door de vrouw werd bestuurd en een voetganger. Als gevolg van de aanrijding is de voetganger overleden en heeft de vrouw letsel opgelopen. De vrouw vraagt in dit deelgeschil een verklaring voor recht dat er aan haar zijde sprake was van overmacht en dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van de voetganger gehouden is de door haar als gevolg van de aanrijding geleden en nog te lijden materiële en immateriële te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat van overmacht geen sprake is, maar dat de gedragingen van de voetganger wel in enige mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Vast staat dat de voetganger in donkere kleding, zonder verlichting over een vrij donker fietspad liep. Hierdoor was hij niet goed zichtbaar voor andere weggebruikers. Daarbij liep de voetganger ‘met het verkeer mee’ in plaats van ‘tegen het verkeer in’, waardoor hij zelf niet kon anticiperen op het verkeer dat hem van achteren naderde. De rechtbank is van oordeel dat de voetganger hiermee in enige mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en dat de voetganger daarmee verwijtbaar heeft gehandeld jegens de vrouw. Aan de andere kant heeft de vrouw, gelet op de omstandigheden dat het donker was en het regende, onvoldoende geanticipeerd op de aanwezigheid van een andere weggebruiker, zoals in dit geval een voetganger. Hoewel is vastgesteld dat de vrouw reed op een snorfiets met een niet goed functionerend remsysteem, kan dit niet leiden tot een hogere mate van aansprakelijkheid aan haar zijde. Uit het onderzoek ter plaatse is immers gebleken dat zij in het geheel niet heeft geremd of is uitgeweken. Juist daaruit kan de fout van de vrouw – het onvoldoende anticiperen – worden afgeleid. Dat de vrouw op een opgevoerde snorfiets reed, vormt ook geen grond om een groter deel van de schuld voor het ontstaan van het ongeval aan haar toe te rekenen, omdat niet is komen vast te staan dat zij ten tijde van het ongeval harder dan 25 km/u heeft gereden. De rechtbank is van oordeel dat de fouten van de vrouw aanzienlijk meer hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval dan de fouten van de voetganger. Dit leidt tot de slotsom dat de fouten van de voetganger voor 15% hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de fouten van de vrouw voor 85%. Omtrent de billijkheidscorrectie ziet de rechtbank in wat de vrouw heeft aangevoerd – haar jeugdige leeftijd, de ernst van het letsel dat zij heeft opgelopen en de gevolgen voor de studie, in combinatie met het feit dat zij niet (volledig) verzekerd is voor haar schade – aanleiding om de vastgestelde causale verdeling met toepassing van de billijkheidscorrectie zodanig te corrigeren dat de aansprakelijkheidsverzekeraar gehouden is 20% van de schade van de vrouw te vergoeden. (PS 2026-0211)

Literatuur
A.E. Schilder, ‘Lokale regulering van fatbikes – een heilloze weg?’, VR 2026/44. 

J. Haarsma, ‘Vergoeding van shockschade in medische kwesties na Hoogeveen’, VR 2026/45. 

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps-updates@boom.nl.

Met vriendelijke groet,

Ilona van der Zalm & Armin Vorsselman 
PS Updates

Hof

Rechtbank