Naar boven ↑

Update

Number 12, 2020
Uitspraken van 17 maart 2020 tot 23 maart 2020
Redactie: prof. mr. dr. S.D. Lindenbergh, mr. drs. I. van der Zalm, mr. Y. Bosschaart, mr. E.S. Engelhard, M. de Groot, J.J. Kempkes, mr. J.L.M. Limpens, M. Mellaard, mr. F.M. Ruitenbeek-Bart, mr. J.K. Stam en J.H.G. Verweij-Hoogendijk.

Geachte heer/mevrouw,


Bijgaand treft u een nieuwe PS Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.


Nieuws
De afgelopen week verschenen verschillende nieuwsberichten. Deze zijn op frequente tijden te lezen op de website.


Rechtspraak
Graag wijzen wij u op de sinds de vorige nieuwsbrief verschenen uitspraken, welke zijn opgenomen onder aan deze nieuwsbrief. Wij lichten de volgende uitspraken hier voor u uit.

Werkgeversaansprakelijkheid Staat.
Vier ambtenaren zijn tijdens hun werk blootgesteld aan chroom-6. Op grond van een RIVM-rapport staat vast dat deze vier personen tijdens hun werkzaamheden direct zijn blootgesteld aan chroom-6 alsook dat bij alle vier sprake is ziekten/aandoeningen die mogelijk kunnen zijn veroorzaakt door chroom-6. Daarmee is door de Staat niet alleen erkend dat door de blootstelling aan chroom-6 jegens deze vier personen de zorgplicht als werkgever is geschonden, maar is ook het causaal verband – in de zin van csqn-verband – tussen die blootstelling en de schade erkend. Aldus is voldaan aan de vereisten voor aansprakelijkheid van de Staat als werkgever. De ambtenaren vorderen immateriële schadevergoeding omdat de Staat zijn informatieplicht zou hebben geschonden. Werknemers werden namelijk niet op de hoogte gesteld van de gevaren van chroom-6, waardoor zij geen maatregelen hebben kunnen nemen. Zij baseren hun vordering op angstschade, ze menen dat sprake is van ‘aantasting van persoon op andere wijze’.
Het hof (PS 2020-0186) is van oordeel dat niet valt in te zien waaruit deze angst bestaat, nu juist de wetenschap van blootstelling aan chroom-6 voor angst zal zorgen, en niet de onwetendheid. Het hof wijst de vordering daarom af. Verder verklaart het hof de Stichting, die opkomt voor de belangen van de ambtenaren, niet-ontvankelijk in haar vorderingen. De Stichting baseert haar vorderingen op de groepsactie van artikel 3:305a BW, maar naar het oordeel van het hof heeft de Stichting onvoldoende onderbouwd dat sprake is van gelijksoortige belangen. Daarbij is van belang dat een verklaring voor recht wordt gevorderd ten aanzien van eenieder die op de POMS-sites werkzaam is geweest, ongeacht functie en dus ook ongeacht mate en duur van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Aldus is de vordering onvoldoende concreet en onvoldoende bepaald.

Dwarslaesie door val in indoor skihal.
Een bezoeker (eiser) komt bij het nemen van een schans ten val in het Funpark van een indoor skihal, met een dwarslaesie tot gevolg. De vraag is of de exploitant aansprakelijk is. Het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS) is niet van toepassing. De rechtbank (PS 2020-0191) stelt voorop dat bij iedere volwassene bekend mag worden verondersteld dat skiën een sport is, waarbij gevaar op vallen bestaat met mogelijk (ernstig) letsel tot gevolg. Op de exploitant van een indoor skihal rust de plicht om ervoor zorg te dragen dat het gebruik van de aangeboden faciliteiten veilig kan gebeuren. Wel mag worden uitgegaan van een zekere eigen verantwoordelijkheid en oplettendheid van (volwassen) bezoekers. Het Funpark was, blijkens de waarschuwingen op de borden, ingericht voor ervaren skiërs en snowboarders. De rechtbank meent dat er, gelet op de eigen verantwoordelijkheid en oplettendheid van bezoekers en de waarschuwingen, geen sprake is geweest van gevaarzetting. Verder wordt geoordeeld dat voldoende is gewaarschuwd. Volgens de rechtbank zijn de door SnowWorld genomen maatregelen voldoende. Gelet op de inherente gevaarlijkheid van skiën, mag SnowWorld namelijk bij deelnemers in elk geval die mate van achtzaamheid veronderstellen dat voldoende zichtbare borden ten minste worden waargenomen. Ook is er volgens de rechtbank ook geen sprake van een onrechtmatige daad, omdat SnowWorld de zorgplicht niet heeft geschonden. Ten slotte slaagt ook een beroep op aansprakelijkheid op grond van artikel 6:173 of 6:174 BW niet. De vorderingen van eiser worden dan ook afgewezen.

Hoog bedrag aan immateriële schadevergoeding wegens schieten op voorbijganger.
Strafrecht. Verdachte heeft geschoten op een voorbijganger (slachtoffer). Het slachtoffer heeft ernstig letsel opgelopen. Het hof (PS 2020-0198) kent een bedrag van € 250.000 aan immateriële schadevergoeding toe aan het slachtoffer. Het verzoek om schadevergoeding is onderbouwd met medische stukken en deskundigenverslagen. Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de volstrekte willekeur waarmee de benadeelde partij (slachtoffer) groot onrecht is aangedaan. Er was sprake van een zeer gewelddadig handelen. De benadeelde partij is zonder aanleiding eerst in zijn onderlichaam geschoten waarna hij al wegvluchtend onder meer in zijn rug is geraakt. Het gewelddadig handelen van verdachte heeft zeer diep ingegrepen in het leven van benadeelde partij. Zijn leven is op de jonge leeftijd van 21 jaar voorgoed veranderd en de gevolgen daarvan zijn enorm. Hij heeft een hoge dwarslaesie opgelopen en uit de in het dossier aanwezige medische gegevens en eveneens uit hetgeen de benadeelde partij ter terechtzitting van het hof heeft toegelicht blijkt hoe overweldigend de gevolgen van deze ernstige handicap voor hem zijn op veel verschillende vlakken van zijn leven en zijn toekomstplannen. Daarnaast heeft de benadeelde partij eveneens geestelijk letsel opgelopen in de vorm van een posttraumatische stressstoornis.

Immateriële schadevergoeding wegens onthouden van rechtsbijstand na nemen crisismaatregel.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een crisismaatregel op grond van artikel 7:6 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Ook vordert ze immateriële schadevergoeding wegens de onthouding van rechtsbijstand. De rechtbank (PS 2020-0188) is van oordeel dat het toevoegen van een advocaat weliswaar behoort tot de verantwoordelijkheid van de burgemeester rondom het nemen van een crisismaatregel, maar dat het achterwege laten daarvan niet leidt tot onrechtmatigheid van de crisismaatregel zelf. Artikel 7:2 lid 3 Wvggz bepaalt immers dat de burgemeester ervoor zorg moet dragen dat ná het nemen van de crisismaatregel betrokkene wordt bijgestaan door een advocaat. Dat het toewijzen van een advocaat een fundamenteel recht is, zoals door de advocaat gesteld, doet aan de rechtmatigheid van de crisismaatregel niet af. Wel oordeelt de rechtbank dat de burgemeester ten onrechte heeft aangetekend dat verzoekster bedenkingen naar voren heeft gebracht tegen het zich laten bijstaan door een advocaat. Hierdoor is aan verzoekster het recht op bijstand van een advocaat onthouden. Verzoekster heeft onder meer verklaard dat zij zich zonder advocaat alleen heeft gevoeld en het gevoel heeft gehad dat er niemand aan haar kant stond. Mede gelet op deze verklaring vindt de rechtbank het aannemelijk dat verzoekster door de schending nadeel heeft ondervonden. De rechtbank wijst de immateriële schade die verzoekster daardoor heeft geleden dan ook toe.


Literatuur
Sinds het verschijnen van de vorige nieuwsbrief zijn verschillende signaleringen onder literatuur geplaatst. Zie ook het overzicht onderaan deze nieuwsbrief.


Inzenden eigen rechtspraak
Beschikt u zelf over een nog niet gepubliceerde uitspraak die relevant is voor de personenschadepraktijk en rechtsontwikkeling, klik dan hier om de geanonimiseerde uitspraak in te zenden. Wij stellen dat erg op prijs.


Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar ps.updates@law.eur.nl.


Met vriendelijke groet,

Siewert Lindenbergh, Femke Ruitenbeek-Bart & Barbara Rozema

PS Updates



Literatuur
Sinds het verschijnen van de vorige nieuwsbrief zijn de volgende signaleringen onder literatuur geplaatst.

A.E.M. Leijten, ‘Urgenda, het EVRM, en het recht op een rechtvaardiging voor overheidsbeleid’, Overheid & Aansprakelijkheid 2020/3. [Rechtsorde*] [Legalintelligence*]
Leijten bespreekt het Urgenda-arrest, vanuit mensenrechtelijk perspectief. Hij behandelt onder meer de volgende vragen: welke rol spelen mensenrechten hierin precies, waarin verschilt dit van de hofuitspraak, en wat kunnen we ervan vinden? Hij laat zien dat het meest opvallende aan de mensenrechtelijke argumentatie, de nadruk op de (ontbrekende) rechtvaardiging voor het beleid van de Staat is.

R.J.B. Schutgens, ‘Urgenda en de grens tussen recht en politiek’, Overheid & Aansprakelijkheid 2020/2. [Rechtsorde*] [Legalintelligence*]
Schutgens gaat in deze bijdrage in op de vraag of in het Urgenda-arrest de grens tussen het domein van de rechter en het domein van de politiek op de juiste plaats is getrokken. Hij bespreekt de pluspunten van de uitspraak van de Hoge Raad, maar geeft ook een aantal tegenargumenten.

* Let op: toegang tot de volledige tekst van deze publicatie bestaat alleen bij een abonnement op het tijdschrift in (één van) deze databank(en).

Hof

Rechtbank