Naar boven ↑
8.873 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0447

Strafrecht. De verdachte krijgt acht jaar gevangenisstraf en tbs met dwang opgelegd voor elf strafbare feiten, waaronder het verkrachten van een destijds 87-jarige vrouw. Zij betrapt de verdachte in haar woning. De verdachte heeft fors geweld tegen haar gebruikt, haar onder meer van de trap getrokken en meermaals tegen de grond gegooid. Toen zij al weerloos en zwaar toegetakeld op de grond lag, heeft de verdachte haar meermaals verkracht en haar voor dood achtergelaten. De vrouw heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De rechtbank overweegt dat zij, als een vrouw op zeer hoge leeftijd, op zeer ernstige wijze is aangetast in haar lichamelijke integriteit, maar ook in haar gevoel van veiligheid in haar eigen woning. Naar het oordeel van de rechtbank kan zonder meer worden aangenomen dat deze gedragingen een blijvende psychische impact hebben op de benadeelde. Uit de onderbouwing volgt dat zij sinds het incident in oktober 2025 een verlies van levensvreugde ervaart met veel depressieve klachten tot gevolg, waar zij blijkens de stukken medicatie voor gebruikt. Naast de psychische gevolgen heeft de benadeelde na het incident lange tijd in het ziekenhuis gelegen en moeten revalideren. De rechtbank slaat acht op de Rotterdamse schaal en op de bedragen die Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen. Alles overziend acht de rechtbank het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 40.000 billijk.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 13-10-2026

Rechtspraak

PS 2026-0446

Raad van State. Een man heeft bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: CSG) een aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds ingediend. Hij heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij geboren is uit incestueus seksueel misbruik van zijn (destijds) minderjarige moeder door haar vader. Zijn biologische vader is dus ook zijn grootvader en de biologische vader van zijn moeder. Zowel de man als zijn moeder hebben een leven vol psychische problemen hieraan overgehouden. De CSG heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het seksueel misbruik van de moeder van de man niet aangemerkt zou kunnen worden als een tegen de man opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Ook zou de man niet als waarnemer van het seksueel misbruik van zijn moeder kunnen worden aangemerkt, omdat hij niet vanuit eigen waarneming en/of herinnering kan verklaren wat zijn moeder is overkomen. De man zou evenmin als naaste van een slachtoffer voor een uitkering in aanmerking komen, omdat het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf vóór 1 januari 2019 heeft plaatsgevonden en de wet die mogelijkheid toen nog niet bood. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man ook als (direct) slachtoffer kan worden aangemerkt in de zin van artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). De CSG gaat hiertegen in hoger beroep en voert aan dat de rechtbank de afbakening van het slachtofferbegrip – en daarmee de kring van uitkeringsgerechtigden bij het Schadefonds – heeft miskend. De Afdeling stelt voorop dat de Wsg in principe leidend is bij de beantwoording van de vraag of een aanvrager aanspraak heeft op een tegemoetkoming uit het Schadefonds en niet de uitleg die aan het slachtofferbegrip in andere regelgeving wordt gegeven of de gevallen waarin een derde in aanmerking komt voor schadevergoeding op grond van het civiele recht. Het staat vast dat de man rechtstreeks is verwekt als gevolg van het seksuele misbruik van zijn moeder door haar vader. Zijn bestaan is niet slechts feitelijk, maar ook causaal onlosmakelijk verbonden met het misdrijf waarvan zijn moeder slachtoffer is geworden. Zonder dat misbruik zou hij, in zijn concrete persoon en identiteit, niet zijn ontstaan. Verder wordt de man als gevolg hiervan geconfronteerd met zelfstandige en voortdurende gevolgen. De man wordt door de wijze van zijn verwekking geraakt in zijn psychische integriteit en identiteitsontwikkeling, belangen die worden beschermd door artikel 8 EVRM. Deze gevolgen kunnen niet worden aangemerkt als uitsluitend afgeleid leed dat voortvloeit uit de positie van zijn moeder. Zij raken hem persoonlijk en treffen hem rechtstreeks in de kern van zijn eigen bestaan en identiteitsontwikkeling. Hierbij is in het bijzonder ook van belang dat de afstamming van de man als kind van zijn grootvader op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in het geheel niet mag bestaan. Weliswaar is de (slachtoffer)positie van de man en zijn moeder verschillend, maar de aard van het gepleegde misdrijf maken het voor de hand liggend dat niet enkel de moeder van de man rechtstreeks letsel ondervindt ten gevolge van het misdrijf, maar ook de man zelf. Een kind dat wordt geboren uit incestueus seksueel misbruik, wordt door dit misdrijf direct aangetast in zijn recht op psychische integriteit en identiteitsontwikkeling. Dat het hieruit voortvloeiende geestelijke letsel zich pas kan voordoen na de geboorte van het kind, maakt niet dat er geen voldoende verband bestaat tussen het misdrijf en het letsel om te kunnen aannemen dat het kind door het misdrijf rechtstreeks letsel heeft opgelopen. De Afdeling is dus met de rechtbank van oordeel dat de man ten gevolge van het seksuele misbruik van zijn moeder door haar vader ernstig geestelijk letsel heeft bekomen en aanspraak heeft op een uitkering uit het Schadefonds.
Raad van State, 07-10-2026

Rechtspraak

PS 2026-0445

Verzekeringsrecht. Een man heeft jarenlang gewerkt als zelfstandig fysiotherapeut. Als gevolg van toenemende spierpijnklachten, vermoeidheid in armen en benen, en krachtsverlies heeft hij zich arbeidsongeschikt gemeld. Ondanks uitgebreide onderzoeken kon geen diagnose worden gesteld. De man is voor een second opinion naar een neuroloog in Leuven gegaan, alwaar de diagnose metabole myopathie werd gesteld. Nader DNA-onderzoek leverde geen bevestiging op van deze diagnose. De arbeidsongeschiktheidsverzekeraar stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de polisvoorwaarden, waarvoor vereist is dat de verzekerde als gevolg van ziekte of een ongeval medisch vast te stellen stoornissen heeft. De man heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat zijn klachten en beperkingen als gevolg van metabole myopathie onder de dekking vallen en dat de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar tot uitkering moet overgaan. De rechtbank heeft zijn vorderingen toegewezen. De arbeidsongeschiktheidsverzekeraar gaat in hoger beroep. Het hof komt, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat niet is voldaan aan het arbeidsongeschiktheidsbegrip volgens de polis. Het hof is namelijk van oordeel dat, met inachtneming van het rapport dat in gezamenlijke opdracht tot stand is gekomen, niet kan worden vastgesteld dat de man als gevolg van ziekte (in het bijzonder metabole myopathie) medisch vast te stellen stoornissen heeft. Uit dat rapport volgt dat op basis van alle bekende medische gegevens neurologisch niet de diagnose metabole myopathie kan worden gesteld. Het standpunt van de man dat enkel op basis van een klachtenpatroon dat zou kunnen passen bij de diagnose metabole myopathie zou kunnen worden geconcludeerd dat is voldaan aan het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de polisvoorwaarden omdat daarin het woord ‘objectief’ ontbreekt, miskent dat dat begrip wel een relatie met een ziekte vereist. Die relatie met een ziekte (specifiek metabole myopathie) is nu juist blijkens het rapport medisch niet vast te stellen. Het hof verwerpt het bewijsaanbod van de man, aangezien het rapport van de gezamenlijk aangezochte deskundige geen verdere vragen oproept en de man verder ook geen concrete feiten te bewijzen heeft aangeboden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 29-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0444

Tussenbeschikking. In 2021 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen twee auto’s. De WAM-verzekeraar van de achteroprijdende auto heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. In het kader van de schaderegeling heeft op gezamenlijk verzoek van partijen een neurologische expertise plaatsgevonden. Partijen hebben gesproken over de vervolgstappen, maar kunnen het niet eens worden over (nader) te verstrekken medische informatie. De verzoekende partij vraagt de rechtbank nu om onder meer een orthopedisch, verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek te bevelen. De WAM-verzekeraar verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. De rechtbank acht het verzoek van de man tot het bevelen van een orthopedische expertise bij de huidige stand van zaken (nog) niet toewijsbaar. Partijen hebben na de mondelinge behandeling opnieuw geprobeerd om het eens te worden, maar dit is niet gelukt: de discussie tussen partijen over de te verstrekken informatie heeft zich ook na het inwinnen van aanvullende informatie voortgezet en lijkt zich op punten zelfs te hebben uitgebreid. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een reëel risico dat de discussie over de benodigde medische informatie zich simpelweg verplaatst van de rechtszaal naar de deskundige. Het verstrekken van een onvoorwaardelijke machtiging aan de deskundige biedt in dat geval geen, althans onvoldoende uitkomst. Uit de door partijen overgelegde stukken komt namelijk naar voren dat nog niet voldoende duidelijk is welke informatie voorhanden is en – nog belangrijker – waar deze eventueel zou kunnen worden opgevraagd. Een verstrekte machtiging lost in dat geval niets op. Daarbij komt dat (in ieder geval) de medisch adviseur van de WAM-verzekeraar tot op heden nog niet heeft kunnen adviseren op basis van een compleet medisch dossier. Niet uit te sluiten valt dat nadere informatie van belang is voor de manier waarop het te bevelen deskundigenonderzoek wordt ingestoken. De rechtbank ziet aanleiding, gelet op het zelfstandig tegenverzoek van de WAM-verzekeraar, eerst te beslissen over de vraag welke nadere medische informatie door de verzoekende partij verstrekt moet worden en de beslissing over het bevelen van een orthopedische expertise voorlopig aan te houden totdat partijen zich hebben kunnen uitlaten over de gevolgen van de nader te verstrekken informatie voor het verdere verloop van de procedure. De verzoeken om een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige expertise acht de rechtbank (voorshands) prematuur en niet toewijsbaar.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 22-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0443

Een vrouw is in 2016 en 2019 betrokken geraakt bij verkeersongevallen. Voor beide ongevallen hebben de verzekeraars van de tegenpartijen aansprakelijkheid erkend. In de jaren daarna zijn er brieven over en weer gestuurd, maar tot een schadeafwikkeling is het niet gekomen. De vrouw is nu een deelgeschilprocedure gestart tegen beide verzekeraars. De rechtbank komt tot het oordeel dat de zaak zich niet leent voor een deelgeschil. De verzoeken van de vrouw om de verzekeraars te veroordelen tot betaling van alle door haar als gevolg van het ongeval geleden schade zien niet op een geschil dat partijen verdeeld houdt, aangezien beide verzekeraars aansprakelijkheid hebben erkend en zich dus reeds hebben verbonden om alle schade te betalen die het gevolg is van de ongevallen in 2016 en/of 2019. Wat partijen verdeeld houdt is beantwoording van de vraag of die ongevallen daadwerkelijk tot letsel en/of schade hebben geleid. Door de vrouw zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van concrete schadeposten blijkt en/of die het causaal verband tussen een of beide ongevallen en die concrete schadeposten kunnen onderbouwen. Dat maakt de zaak niet geschikt voor behandeling in een deelgeschil, nu voor nadere bewijslevering in deze deelgeschilprocedure in beginsel geen plaats is. Bovendien hebben beide verzekeraars van meet af aan om nadere medische informatie verzocht om de schadeafwikkeling ter hand te kunnen nemen. De vrouw heeft aan die informatieverzoeken geen gehoor gegeven. Zij heeft slechts (delen uit) de rapportages van haar eigen medisch adviseurs overgelegd. Inzicht in de medische voorgeschiedenis is niet gegeven en evenmin zijn rapporten overgelegd van enig medisch specialist waarin letsel wordt gediagnosticeerd die in oorzakelijk verband staat tot een van de ongevallen. Daarmee beschikken partijen over onvoldoende noodzakelijke (medische) informatie om een eventuele schadeafwikkeling ter hand te nemen. Onder die omstandigheden ontbreken de bouwstenen benodigd voor het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst, zodat daaruit andermaal volgt dat de zaak zich thans niet leent voor een deelgeschil. Bovendien is ter zitting desgevraagd gebleken dat de vrouw sinds 2020 feitelijk niet meer inhoudelijk met de eerste verzekeraar over de zaak gesproken heeft en sinds mei 2025 niet meer met de tweede verzekeraar, alvorens deze deelgeschilprocedure te starten. Van een situatie waarin partijen in buitengerechtelijke onderhandelingen verkeren die door middel van een beslissing in deze deelgeschilprocedure zouden kunnen worden bevorderd, is dan ook geen sprake. Bij de begroting van de kosten van het deelgeschil merkt de rechtbank op dat dit deelgeschil in feite is ingezet als een gewone (bodem)procedure. Indiening van het verzoek was daarom onnodig en onterecht. Dat brengt met zich dat er geen aanleiding bestaat de kosten van het verzoek te begroten. Van in redelijkheid gemaakte kosten is onder die omstandigheden geen sprake. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 02-10-2026

Rechtspraak

PS 2026-0440

Hof. Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren en zes maanden wegens poging tot doodslag en mishandeling van zijn vriendin. De verdachte heeft het slachtoffer meerder malen en met kracht geslagen, onder meer met een metalen pijp, en geschopt, onder meer op en tegen haar hoofd, waardoor zij ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft lange tijd in coma gelegen en het was onduidelijk of zij ooit nog zou ontwaken. Op dit moment is er geen sprake meer van een revalidatietraject. Het slachtoffer beweegt uitsluitend onder begeleiding om te voorkomen dat een proces van afsterven van spieren zal intreden. Door het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer naar het zich laat aanzien geen enkel perspectief meer op een normaal leven. Het slachtoffer heeft zich gevoegd in het strafproces als benadeelde partij. Zij vordert in totaal € 887.875,56 aan materiële schadevergoeding. Verdachte heeft geen verweer gevoerd. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de imperatieve bepaling in artikel 10.2.1 Wet langdurige zorg (Wlz) aanspraken die het slachtoffer heeft op basis van de Wlz in mindering moeten worden gebracht op de geleden schade. Dit leidt ertoe dat de advocaat-generaal vordert dat ten aanzien van de post ‘verlies verdienvermogen’ uitsluitend schattenderwijs een bedrag van € 200.000 wordt toegewezen. Het hof is echter van oordeel dat artikel 10.2.1 Wlz geen imperatieve bepaling betreft die dusdanig moet worden gelezen dat de rechter de verplichting heeft om bij de vaststelling van het verlies verdienvermogen de eventuele aanspraken die de benadeelde partij heeft krachtens de Wlz daarop in mindering te brengen. Het hof zal de gevorderde materiële schade dan ook volledig toewijzen. Het slachtoffer vordert ter zake van immateriële schade een vergoeding van € 350.000. Het hof wijst ook deze vordering volledig toe. De ouders van het slachtoffer hebben zich ook gevoegd als benadeelde partijen. Zij krijgen ieder € 15.000 toegekend aan immateriële schadevergoeding.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 22-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0439

In 2025 is de eisende partij in een auto van achteren aangereden door een auto. De LAM-verzekeraar van de laatstgenoemde auto heeft aansprakelijkheid erkend. De eisende partij heeft de volgende dag de huisarts bezocht, die haar heeft doorverwezen naar de afdeling neurologie van een ziekenhuis. In een rapport van de afdeling neurologie wordt geconcludeerd dat er geen posttraumatische afwijkingen zijn gevonden op de CT- en MRI-scan van de nekwervelkolom. Later dat jaar heeft een medisch adviseur, in opdracht van de LAM-verzekeraar, medisch advies uitgebracht. Daarin staat dat geen objectieve medische grond bestaat voor structurele afwijkingen of neurologische uitval. Volgens het advies berusten de klachten van de eisende partij voornamelijk op subjectieve pijnbeleving en mogelijk psychische klachten. Langdurige arbeidsongeschiktheid is medisch niet onderbouwd. Wel kan arbeidsverzuim gedurende maximaal vier weken direct na het ongeval medisch worden gerechtvaardigd. Van blijvende functionele invaliditeit is volgens het advies geen sprake. Een neuroloog die de eisende partij heeft onderzocht concludeerde dat sprake was van chronische posttraumatische gegeneraliseerde myogene pijnklachten. In deze procedure stelt de eisende partij dat zij nog steeds arbeidsongeschikt is en vordert zij onder meer verdere betalingen ter zake van geleden letselschade. Het gerecht oordeelt dat de langdurige arbeidsongeschiktheid van de eisende partij niet aan het ongeval kan worden toegerekend. Het gerecht overweegt verder dat de eisende partij wisselend heeft verklaard over haar inkomsten. Onder deze omstandigheden is het dus ook niet aannemelijk geworden dat de vrouw verlies aan verdiencapaciteit heeft geleden.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 29-06-2026