Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0275

Strafrecht. Verdachte is veroordeeld voor poging tot doodslag, waarbij verdachte tweemaal op het slachtoffer heeft geschoten. Het slachtoffer heeft hierdoor een dwarslaesie opgelopen. Het slachtoffer voegt zich als benadeelde partij in het strafproces en vordert € 300.000 aan vergoeding van immateriële schade. Vast staat dat aan het slachtoffer door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Het fysieke letsel dat de benadeelde partij door het handelen van de verdachte heeft opgelopen, onder andere een dwarslaesie, maakt dat de benadeelde partij in een rolstoel terecht is gekomen en aanzienlijk is beperkt in zijn dagelijks leven en daarbij ondersteuning nodig heeft. Daarnaast is het voor de rechtbank evident dat de benadeelde partij ook psychisch letsel heeft opgelopen. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zoekt aansluiting bij categorie 1.2 Paraplegie met bandbreedte € 150.000 - € 195.000. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 120.000. De rechtbank begroot de schade op dit bedrag omdat verdachte opzettelijk en van dichtbij op de benadeelde partij heeft geschoten waardoor de benadeelde partij een dwarslaesie heeft opgelopen. Het bedrag is lager dan de hiervoor genoemde ondergrens zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal, omdat de rechtbank het aannemelijk vindt dat de benadeelde partij zelf in enige mate heeft bijgedragen aan het incident, en daarmee aan het ontstaan van zijn schade.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0274

Strafrecht. De schutter heeft het slachtoffer, na enkele uren voorverkenningen, met een vuurwapen opgewacht. In het bijzijn van het toen pas 9-jarige zoontje van het slachtoffer heeft de schutter het slachtoffer vervolgens onder vuur genomen. De schutter is vervolgens gevlucht, het zoontje van het slachtoffer in hevige paniek achterlatend bij zijn stervende vader. Verdachte maakte deel uit van de dadergroep. Hij is bij de uitvoering van de moord betrokken geweest door op de avond van de moord in zijn auto door de wijk van het slachtoffer rondjes te rijden en de vluchtroute te bepalen. Ook heeft hij een van de spotters in de wijk afgezet. Met deze voorverkenningen is hij behulpzaam geweest bij de uiteindelijke moord. De verdachte wordt veroordeeld voor medeplichtigheid aan moord. De twee zonen van het slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. Een van de zonen zat op dat moment naast zijn vader in de auto. De andere zoon was thuis toen zijn vader voor de deur werd neergeschoten en werd geconfronteerd met zijn broertje die volledig overstuur en in paniek voor de deur stond. In de zaak tegen de schutter van de moord op hun vader heeft het gerechtshof Amsterdam op 17 mei 2023 geoordeeld dat de inzittende zoon in aanmerking komt voor vergoeding van € 30.000 wegens shockschade. Hij vordert € 10.000 aan aanvullende vergoeding voor shockschade. In dezelfde zaak van het gerechtshof Amsterdam heeft het hof geoordeeld dat de tweede zoon in aanmerking komt voor vergoeding van € 20.000 wegens shockschade. De tweede zoon vordert € 7.000 aan aanvullende vergoeding voor shockschade. De gevorderde aanvullende vergoedingen van schokschade komen de rechtbank op voorhand niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0272

Een werknemer, als chauffeur werkzaam bij een van de twee aangesproken werkgevers, is tijdens het dweilen op het werk dat hij voor beide werkgevers verrichtte ten val gekomen. Na de val is de werknemer arbeidsongeschikt geraakt en spreekt hij zijn werkgevers aan. Vast staat dat de werkzaamheden van de werknemer niet enkel en alleen bestonden uit het bezorgen van maaltijden. Nu de schoonmaakwerkzaamheden wel zijn uitgevoerd in de frituur en vallen onder werkzaamheden die gebruikelijk zijn in een frituur, voldoen deze werkzaamheden volgens de rechtbank aan de kwalificatie van ‘uitoefening van zijn werkzaamheden’. De werkgevers voeren aan dat het niet glad was in de frituur omdat de vloer in de nabijheid van de frituurpannen voorzien zijn van antisliptegels en dat het voor de werknemer, voor de uitoefening van zijn functie als bezorger, helemaal niet nodig was om achter de frituurpannen te komen of daarmee samenhangende schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Daardoor waren de werkgevers volgens de rechtbank niet verplicht om de werknemer veiligheidsschoenen ter beschikking te stellen. Het ongeluk dat de werknemer is overkomen, hoort volgens de rechtbank thuis in de categorie ‘huis-tuin-en-keukengevaren’ waarvoor een werkgever niet kan of hoeft te waarschuwen. Het is van algemene bekendheid dat een natte vloer glad(der) is, zodat er meer oplettendheid mag worden verwacht van degene die dweilt. De werkgevers hebben al de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om te voorkomen dat hun werknemers kunnen uitglijden door het (laten) leggen van antisliptegels voor de frituurpannen. Daarmee hebben zij aan hun zorgplicht voldaan. Hoe ongelukkig de val van de werknemer ook is geweest, het kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat de werkgevers ter zake enig verwijt te maken valt. De vorderingen van de werknemer worden afgewezen.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 27-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0271

De man is een verkeersongeval overkomen waarbij hij letsel heeft opgelopen. Het betrof een aanrijding waarbij de man met zijn auto door een vrachtwagen tegen de vangrail werd gedrukt en tweehonderd meter werd meegesleurd tussen de vrachtwagen en de vangrail. Na het ongeval heeft de man lichamelijke en psychische klachten gekregen waardoor hij arbeidsongeschikt is geworden. Een orthopeed en psychiater hebben onafhankelijke medisch-specialistische onderzoeken verricht. De klachten en beperkingen van de man zijn ná die twee onderzoeken toegenomen. Volgens de man moeten deze toegenomen klachten ook aan het ongeval van 25 maart worden toegerekend. De man is daartoe reeds een deelgeschilprocedure gestart op 2 april 2024. Tijdens de mondelinge behandeling van de voornoemde procedure hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de uitleg van de tussen hen getroffen minnelijke regeling. Partijen verschillen van mening over de betekenis van de daarin opgenomen afspraken. De rechtbank dient de minnelijke regeling daarom uit te leggen. De kern van het geschil betreft daarbij de vraag of de man zijn aanspraak op een psychiatrisch expertiseonderzoek heeft verloren, dan wel of op de verzekeraar nog steeds de verplichting rust medewerking te verlenen aan het verrichten van een dergelijk deskundigenonderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank laten de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst geen andere uitleg toe dan dat onder het verlenen van medewerking moet worden verstaan: het verstrekken van medische gegevens voor zover deze daadwerkelijk beschikbaar zijn. De formulering van de overeenkomst duidt erop dat partijen hebben beoogd dat de man zich bereid verklaart alle relevante informatie te verstrekken die hem ter beschikking staat, en niet dat hij gehouden zou zijn gegevens te verschaffen die feitelijk niet (meer) bestaan of niet (meer) voorhanden zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat partijen hebben beoogd dat de man medewerking verleent aan het verstrekken van bepaalde medische gegevens, van een specifieke aard en over een begrensde periode, voor zover deze gegevens beschikbaar zijn. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat de man zich in aanzienlijke mate heeft ingespannen om de relevante medische informatie te verkrijgen, maar dat een deel daarvan niet (meer) voorhanden is. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de man in volle omvang aan zijn verplichting tot het verlenen van medewerking heeft voldaan. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank zal bepalen dat de verzekeraar gehouden is medewerking te verlenen aan een psychiatrische expertise, teneinde onderzoek te doen naar de gestelde verslechtering van de gezondheidstoestand van de man na de reeds uitgevoerde onderzoeken.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 27-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0269

In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank aangegeven dat zij voornemens is om de rekenkundige te vragen om inzake de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van LOVCK/LOVCH van 1 augustus 2024 (de Aanbevelingen). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Door het slachtoffer worden bezwaren geuit tegen het hanteren van de Aanbevelingen. Volgens het slachtoffer is de in de Aanbeveling gehanteerde spaarrente van 1,5% in de eerste vijf jaar niet haalbaar en het slachtoffer stelt dat het bepalen van de rente en inflatie voor de jaren 6-30 een gok is. De rente moet volgens het slachtoffer worden gesteld op 0,5%. Ook stelt het slachtoffer dat de gehanteerde inflatie van 2% voor de eerste vijf jaar te laag is gezien de CAO-ontwikkeling voor supermarktmedewerkers die gebaseerd is op de (hogere) inflatie. De rechtbank overweegt dat het zowel ten aanzien van de te hanteren rente als de inflatie niet gaat om het verleden, maar om de rente en inflatie die verwacht wordt in de toekomst. De stelling dat moet worden uitgegaan van een lagere rente is door het slachtoffer onvoldoende onderbouwd, terwijl de Aanbevelingen volgens de rechtbank goed zijn onderbouwd. Ten aanzien van de inflatie wijst de rechtbank erop dat het niet gaat om de inflatie in het verleden, maar om de inflatie die verwacht wordt in de toekomst. Bovendien nemen de Aanbevelingen de prijsinflatie (CPI) tot uitgangspunt, niet de (hogere) looninflatie, omdat met de looninflatie al rekening wordt gehouden in de begroting van de jaarschade. Bij de berekening van het inkomen in de fictieve situatie wordt al uitgegaan van een stijging van het loon. Indien uitgegaan zou worden van looninflatie (zoals [eiser] lijkt te betogen) dan zou dat dubbelop zijn. De rechtbank verwijst verder naar de (notitie bij de) Aanbevelingen rekenrente waarin is gemotiveerd dat voor de inflatie is uitgegaan van voorspellingen van het CPB, DNB en het ECB voor de periode 2025 t/m 2029 en dat die uitkomen op 2%. Voor de tweede periode wordt uitgegaan van het percentage waar de ECB naar streeft, namelijk 2%, en wat ook ongeveer overeenkomt met het langjarig gemiddeld inflatiepercentage. Het percentage is ook in lijn met de middellange termijnverkenningen van het CPB. De Ultimate Forward Rate (UFR) gaat ook uit van een inflatie van 2%. Voor de derde periode wordt ook van 2% uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het slachtoffer onvoldoende gemotiveerd waarom deze voorspellingen niet zouden kunnen worden gevolgd. De rechtbank verwerpt de bezwaren van het slachtoffer, wijst een deskundige toe en stelt de vraagstelling aan de deskundige vast.
Rechtbank Limburg, 25-06-2025

Rechtspraak

PS 2026-0268

De werkneemster was in dienst van een organisatie van dealers voor dealers in de kunstwereld. De werkneemster is naar aanleiding van klachten over haar op non-actief gesteld. De werkneemster heeft in februari 2022 aan de werkgever laten weten dat zij gediagnostiseerd is met borstkanker. In maart 2022 heeft de werkneemster zich ziek gemeld. Met de brief van 1 juli 2024 heeft de werkgever het dienstverband met de werkneemster opgezegd per 1 september 2024, nadat zij hiervoor toestemming had verkregen van het UWV. De werkneemster is in 2024 overleden. De partner van de werkneemster vordert onder andere de werkgever te veroordelen tot betaling van € 2.000.000 netto ten titel van schadevergoeding als gevolg van de schending van de zorgplicht/onrechtmatig handelen. De partner stelt dat de werkneemster door toedoen van de werkgever letsel-, vermogens- en immateriële schade heeft opgelopen. Deze schade is opgelopen in de uitoefening van haar werk en begon met de onterechte non-actiefstelling. Er is ook een causaal verband tussen de schade en het werk. Niet valt uit te sluiten dat het gedrag van de werkneemster werd beïnvloed door de kanker die zich ontwikkelde in haar lichaam. De reactie van de werkgever daarop is verkeerd geweest. De werkgever heeft niet genoeg gedaan aan de bescherming van de werkneemster. Vast staat dat de handelwijze van de werkgever chronische stress heeft opgeleverd bij de werkneemster. De stress die de werkgever heeft veroorzaakt heeft mogelijk geleid tot het niet aanslaan van de immuuntherapie, aldus de partner. De partner stelt dat deze handelswijze van de werkgever in strijd is geweest met artikel 7:658 BW. De stelling dat de handelwijze van de werkgever ervoor heeft gezorgd dat de immuuntherapie mogelijk niet aansloeg, is onvoldoende onderbouwd. Voor zover de vordering tot schadevergoeding gegrond is op een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW, volgt uit het voorgaande tevens dat onvoldoende is gesteld voor het bestaan van een causaal verband tussen de gestelde schade en de gestelde onrechtmatige handelingen. Daarnaast is onvoldoende gesteld dat de werkgever door haar handelwijze heeft gezorgd voor stress. Evenmin blijkt dat de werkgever zich niet heeft gedragen als goed werkgever als bedoeld in artikel 7:611 BW. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de werkgever, heeft de partner onvoldoende onderbouwd gesteld dat de werkgever te weinig deed aan de bescherming van de werkneemster. Zoals hiervoor is overwogen, blijkt uit de overgelegde stukken dat de werkgever heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20-02-2025