In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank aangegeven dat zij voornemens is om de rekenkundige te vragen om inzake de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van LOVCK/LOVCH van 1 augustus 2024 (de Aanbevelingen). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Door het slachtoffer worden bezwaren geuit tegen het hanteren van de Aanbevelingen. Volgens het slachtoffer is de in de Aanbeveling gehanteerde spaarrente van 1,5% in de eerste vijf jaar niet haalbaar en het slachtoffer stelt dat het bepalen van de rente en inflatie voor de jaren 6-30 een gok is. De rente moet volgens het slachtoffer worden gesteld op 0,5%. Ook stelt het slachtoffer dat de gehanteerde inflatie van 2% voor de eerste vijf jaar te laag is gezien de CAO-ontwikkeling voor supermarktmedewerkers die gebaseerd is op de (hogere) inflatie. De rechtbank overweegt dat het zowel ten aanzien van de te hanteren rente als de inflatie niet gaat om het verleden, maar om de rente en inflatie die verwacht wordt in de toekomst. De stelling dat moet worden uitgegaan van een lagere rente is door het slachtoffer onvoldoende onderbouwd, terwijl de Aanbevelingen volgens de rechtbank goed zijn onderbouwd. Ten aanzien van de inflatie wijst de rechtbank erop dat het niet gaat om de inflatie in het verleden, maar om de inflatie die verwacht wordt in de toekomst. Bovendien nemen de Aanbevelingen de prijsinflatie (CPI) tot uitgangspunt, niet de (hogere) looninflatie, omdat met de looninflatie al rekening wordt gehouden in de begroting van de jaarschade. Bij de berekening van het inkomen in de fictieve situatie wordt al uitgegaan van een stijging van het loon. Indien uitgegaan zou worden van looninflatie (zoals [eiser] lijkt te betogen) dan zou dat dubbelop zijn. De rechtbank verwijst verder naar de (notitie bij de) Aanbevelingen rekenrente waarin is gemotiveerd dat voor de inflatie is uitgegaan van voorspellingen van het CPB, DNB en het ECB voor de periode 2025 t/m 2029 en dat die uitkomen op 2%. Voor de tweede periode wordt uitgegaan van het percentage waar de ECB naar streeft, namelijk 2%, en wat ook ongeveer overeenkomt met het langjarig gemiddeld inflatiepercentage. Het percentage is ook in lijn met de middellange termijnverkenningen van het CPB. De Ultimate Forward Rate (UFR) gaat ook uit van een inflatie van 2%. Voor de derde periode wordt ook van 2% uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het slachtoffer onvoldoende gemotiveerd waarom deze voorspellingen niet zouden kunnen worden gevolgd. De rechtbank verwerpt de bezwaren van het slachtoffer, wijst een deskundige toe en stelt de vraagstelling aan de deskundige vast.
Rechtbank Limburg, 25-06-2025