Raad van State. Een man heeft bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: CSG) een aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds ingediend. Hij heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij geboren is uit incestueus seksueel misbruik van zijn (destijds) minderjarige moeder door haar vader. Zijn biologische vader is dus ook zijn grootvader en de biologische vader van zijn moeder. Zowel de man als zijn moeder hebben een leven vol psychische problemen hieraan overgehouden. De CSG heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het seksueel misbruik van de moeder van de man niet aangemerkt zou kunnen worden als een tegen de man opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Ook zou de man niet als waarnemer van het seksueel misbruik van zijn moeder kunnen worden aangemerkt, omdat hij niet vanuit eigen waarneming en/of herinnering kan verklaren wat zijn moeder is overkomen. De man zou evenmin als naaste van een slachtoffer voor een uitkering in aanmerking komen, omdat het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf vóór 1 januari 2019 heeft plaatsgevonden en de wet die mogelijkheid toen nog niet bood. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man ook als (direct) slachtoffer kan worden aangemerkt in de zin van artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). De CSG gaat hiertegen in hoger beroep en voert aan dat de rechtbank de afbakening van het slachtofferbegrip – en daarmee de kring van uitkeringsgerechtigden bij het Schadefonds – heeft miskend. De Afdeling stelt voorop dat de Wsg in principe leidend is bij de beantwoording van de vraag of een aanvrager aanspraak heeft op een tegemoetkoming uit het Schadefonds en niet de uitleg die aan het slachtofferbegrip in andere regelgeving wordt gegeven of de gevallen waarin een derde in aanmerking komt voor schadevergoeding op grond van het civiele recht. Het staat vast dat de man rechtstreeks is verwekt als gevolg van het seksuele misbruik van zijn moeder door haar vader. Zijn bestaan is niet slechts feitelijk, maar ook causaal onlosmakelijk verbonden met het misdrijf waarvan zijn moeder slachtoffer is geworden. Zonder dat misbruik zou hij, in zijn concrete persoon en identiteit, niet zijn ontstaan. Verder wordt de man als gevolg hiervan geconfronteerd met zelfstandige en voortdurende gevolgen. De man wordt door de wijze van zijn verwekking geraakt in zijn psychische integriteit en identiteitsontwikkeling, belangen die worden beschermd door artikel 8 EVRM. Deze gevolgen kunnen niet worden aangemerkt als uitsluitend afgeleid leed dat voortvloeit uit de positie van zijn moeder. Zij raken hem persoonlijk en treffen hem rechtstreeks in de kern van zijn eigen bestaan en identiteitsontwikkeling. Hierbij is in het bijzonder ook van belang dat de afstamming van de man als kind van zijn grootvader op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in het geheel niet mag bestaan. Weliswaar is de (slachtoffer)positie van de man en zijn moeder verschillend, maar de aard van het gepleegde misdrijf maken het voor de hand liggend dat niet enkel de moeder van de man rechtstreeks letsel ondervindt ten gevolge van het misdrijf, maar ook de man zelf. Een kind dat wordt geboren uit incestueus seksueel misbruik, wordt door dit misdrijf direct aangetast in zijn recht op psychische integriteit en identiteitsontwikkeling. Dat het hieruit voortvloeiende geestelijke letsel zich pas kan voordoen na de geboorte van het kind, maakt niet dat er geen voldoende verband bestaat tussen het misdrijf en het letsel om te kunnen aannemen dat het kind door het misdrijf rechtstreeks letsel heeft opgelopen. De Afdeling is dus met de rechtbank van oordeel dat de man ten gevolge van het seksuele misbruik van zijn moeder door haar vader ernstig geestelijk letsel heeft bekomen en aanspraak heeft op een uitkering uit het Schadefonds.
Raad van State, 07-10-2026