Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0378

Strafrecht. Verdachte heeft zich gedurende een periode van zes jaar schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn minderjarige dochter. De bijzondere curator heeft zich namens de dochter als benadeelde partij gevoegd en vordert een schadevergoeding van € 50.000 (immateriële schade). Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de dochter rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De aard en de ernst van de normschending van die feiten zijn zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook zonder de vaststelling van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven. De rechtbank weegt in het bijzonder mee de vergaande aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, mede gezien haar leeftijd, en de gevolgen daarvan voor haar geestelijke gezondheid naar algemene ervaringsregels en gelet op wat namens haar ter toelichting op de vordering is aangevoerd. De rechtbank sluit bij de vaststelling van dit bedrag aan bij de Rotterdamse schaal, categorie 15.2a (ontucht met binnendringen, meest ernstig), waarvoor een bedrag van € 12.500 tot € 32.000 wordt aanbevolen. In de jonge leeftijd van het slachtoffer en de mate van verwijtbaarheid van de verdachte ziet de rechtbank wel grond voor een correctie van 10%, oftewel 2 x € 3.200 bovenop het genoemde maximum. De rechtbank stelt de geleden immateriële schade derhalve naar billijkheid vast op een bedrag van € 38.400.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 23-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0376

Appellant en geïntimeerde hebben enkele jaren naast elkaar gewoond. Op 20 maart 2021 heeft er zich een incident voorgedaan tussen partijen. Hierbij hebben partijen een woordenwisseling met elkaar gehad en is er geduwd en geslagen. De appellant heeft hierdoor letsel opgelopen. De eerste drie grieven in het principaal hoger beroep richten zich met name tegen de overwegingen van de rechtbank dat de appellant zich in de tweede fase van de confrontatie tussen partijen had moeten onttrekken aan het geweld van geïntimeerde. De vierde grief is gericht tegen de overweging dat er geen condicio sine qua non-verband is tussen het letsel en het onrechtmatig handelen van geïntimeerde. Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat op de appellant de stelplicht en bewijslast rust. Naar het oordeel van het hof volgt uit de navolgende bewijsmiddelen dat de appellant de door hem gestelde feiten heeft bewezen. De vraag die vervolgens voorligt, is of de geïntimeerde aansprakelijk is voor het letsel dat de appellant heeft opgelopen. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Door de appellant aan te vallen op de vastgestelde wijze, heeft de geïntimeerde jegens hem onrechtmatig gehandeld. Het hof is voorts van oordeel dat zonder het onrechtmatig handelen van de geïntimeerde het handletsel bij de appellant niet zou zijn ontstaan. Er is dan ook voldaan aan het condicio sine qua non-verband. Voorts staat deze schade in een zodanig verband met de gebeurtenis, zijnde de aanvallen van de geïntimeerde, dat deze schade aan de geïntimeerde als gevolg van zijn handelingen kan worden toegerekend. Dat bij deze aanvallen van de geïntimeerde letsel zou kunnen ontstaan bij de appellant, is een te verwachten gevolg, ook als dat gebeurt als gevolg van een verdediging met gebruik van enig geweld. De grieven in het principaal hoger beroep slagen in die zin dat de vorderingen van de appellant alsnog kunnen worden toegewezen. De grieven in het incidenteel hoger beroep worden door het hof verworpen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 30-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0375

De vrouw is in haar stilstaande personenauto aan de voorkant aangereden door een voor haar staande vrachtwagen die voor de vrouw onverwacht naar achteren reed. De vrouw heeft na de aanrijding gezondheidsklachten gekregen en is tevens arbeidsongeschikt verklaard. In dit tussenvonnis moet worden beoordeeld of tussen de aanrijding en de gezondheidsklachten van de vrouw causaal verband kan worden aangenomen. Er zijn door een orthopedisch chirurg en een neuroloog op verzoek van de rechtbank in het verleden deskundigenberichten uitgebracht. In het laatste tussenvonnis heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek door een psychiater bevolen, omdat de neuroloog van mening was dat bij de vrouw mogelijk sprake was van een psychiatrische aandoening. Uit het rapport van de psychiater volgt volgens de rechtbank dat de vrouw lijdt aan een zogenoemde functioneel-neurologisch-symptoomstoornis. De vraag is of dit als een gevolg van de aanrijding kan worden beschouwd. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Op grond van de uitgebrachte deskundigenrapporten in onderling verband en samenhang beschouwd en tegen de achtergrond van de in deze zaak vaststaande feiten en omstandigheden, oordeelt de rechtbank dat de vrouw deze stoornis niet zou hebben ontwikkeld als zij niet zou zijn aangereden. Nu dient de omvang van de hierdoor door de vrouw geleden schade te worden vastgesteld. Hiervoor moeten nieuwe deskundigen worden benoemd die zullen moeten rapporteren over de beperkingen van de vrouw als gevolg van de door de rechtbank als vaststaand aangenomen klachten en onder andere over het verlies aan verdienvermogen. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de te nemen vervolgstappen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 27-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0371

Een man is bij een ongeval op een tokkelbaan in een klimpark gewond geraakt en uiteindelijk overleden. Hij ging via een zipline (kabel) naar beneden. Het onderdeel waarmee de zipline aan een paal was bevestigd, de long zip clamp, is bij de arm afgebroken. De producent van de zipline had de zipline, genaamd de saferoller, op de markt gebracht. Het afgebroken onderdeel was geproduceerd door de fabrikant van dat onderdeel. De verzekeraar van de producent vordert in de hoofdzaak schadevergoeding van de fabrikant van het afgebroken onderdeel. De verzekeraar stelt dat hij de verhaalsvordering op de fabrikant heeft overgenomen van de nabestaanden van de man. Volgens de verzekeraar is de fabrikant als producent van het afgebroken onderdeel aansprakelijk voor de schade. In de hoofdzaak staat de vraag centraal of de fabrikant een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht en daarvoor aansprakelijk is. In de vrijwaringszaak stelt de fabrikant van het afgebroken onderdeel dat de ontwikkelaar van de zipline en de bouwer van het klimpark gehouden zijn te vergoeden waartoe hij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. Volgens de fabrikant heeft de ontwikkelaar mede de ontwerpkeuze voor de saferoller bepaald. Daarnaast zou de bouwer van het klimpark een tweede klem, de pole clamp, onjuist hebben gemonteerd, waardoor geen back-upbeveiliging aanwezig was voor de afgebroken long zip clamp. De rechtbank neemt als vaststaand feit aan dat de verzekeraar van de producent de vordering van de nabestaanden op de fabrikant van het afgebroken onderdeel heeft gekocht en in die hoedanigheid schadevergoeding vordert. De verzekeraar baseert zijn vordering tot schadevergoeding primair op de regeling van de productaansprakelijkheid en subsidiair op onrechtmatige daad. De rechtbank concludeert dat de fabrikant op grond van artikel 6:185 BW aansprakelijk is. De verweren van de fabrikant slagen niet. De vorderingen van de fabrikant in de vrijwaringszaak worden afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de fabrikant de schadevergoeding van de verzekeraar moet betalen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 27-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0369

Strafrecht. De verdachte heeft zich in de periode 2007-2013 schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van zijn tweelingzusjes die toen tussen de zes en twaalf jaar oud waren. Na het plegen van de hands-on delicten is verdachte vervolgens in de periode van 2017-2025 doorgegaan met het plegen van hands-off delicten. Ook nu heeft hij binnen zijn familie een slachtoffer gemaakt door het vervaardigen, verspreiden en bezitten van kinderporno van zijn destijds driejarige nichtje. In deze periode heeft hij ook ruim 2500 kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit gehad, waaronder van zijn destijds minderjarige ex-vriendin. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zeven jaar en tbs met dwangverpleging. De tweelingzusjes hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De rechtbank overweegt dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. Bovendien is voldoende aannemelijk gemaakt dat de benadeelde partijen psychische schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het seksueel misbruik. Ze zijn immers in hun ouderlijk huis, een plek waar zij zich veilig horen te voelen, op zeer jonge leeftijd jarenlang seksueel misbruikt door hun broer. Gelet op de ernst, duur, frequentie en locatie van de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partijen en de gevolgen die deze inbreuk voor de zusjes heeft gehad, gaat de rechtbank uit van de bovengrens van categorie A (meest ernstig) van de Rotterdamse schaal, te weten € 32.000. Gelet op de zeer jeugdige leeftijd waarop de benadeelde partijen het langdurig misbruik hebben moeten ondergaan acht de rechtbank een verhoging van voornoemd bedrag met 25%, overeenkomstig aanbeveling 2 van de Rotterdamse schaal, passend. Beide zusjes krijgen dus € 40.000 aan immateriële schadevergoeding toegekend.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 13-08-2026