Voetballer raakt tijdens een training op het kunstgrasveld geblesseerd aan zijn linkerknie. Bijna een jaar later loopt hij tijdens een wedstrijd op hetzelfde kunstgrasveld een blessure aan zijn rechterknie op. Het kunstgrasveld is eigendom van de gemeente. De voetballer stelt dat het kunstgras gebrekkig is geweest en stelt de gemeente aansprakelijk voor zijn schade ex artikel 6:174 BW in verbinding met artikel 6:162 BW. De rechtbank gaat voor de beantwoording van de vraag of het kunstgrasveld gebrekkig was, uit van de normen van het NOC*NSF en de KNVB ten aanzien van de hardheid (balstuit), de stroefheid en het schokabsorberend vermogen. Met de overgelegde stukken is volgens de rechtbank (nog) niet bewezen dat het kunstgrasveld – op die specifieke dagen dat de voetballer training had – niet heeft voldaan aan de destijds geldende normen ten aanzien van de hardheid, de stroefheid en het schokabsorberend vermogen. Omdat op de voetballer de bewijslast van deze stelling rust en hij ook bewijs heeft aangeboden, wordt hij in de gelegenheid gesteld om (aanvullend) bewijs te leveren. Indien de voetballer slaagt in deze bewijsopdracht, dan staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank vast dat het kunstgrasveld op deze data een gevaar heeft opgeleverd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 04-09-2024