Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2024-0452

Schadebegroting na achteropaanrijding. Het hof komt niet terug op bindende eindbeslissingen. Het gaat om whiplashklachten die passen bij een aanrijding van achteren en waarvoor geen andere verklaring aangewezen kan worden. De levensloop van mevrouw ná ongeval is volstrekt niet te rijmen met het verweer van de verzekeraar dat er geen sprake is van een consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon bij het in aanmerking genomen causaal verband. Het lagesnelheidsverweer van de verzekeraar wordt verworpen. Ten aanzien van de gestelde arbeidsvermogensschade is het hof van oordeel dat het feit dat zij geen betaalde arbeid heeft kunnen vinden, rechtstreeks het gevolg is van haar klachten. Omdat die klachten ongevalsgevolg zijn, zal het hof bij de schadebegroting uitgaan van de daadwerkelijke situatie. Daarbij betrekt het hof ook dat de schadeafhandeling inmiddels meer dan twinitg jaar sinds het ongeval heeft geduurd en dat de verzekeraar van de wederpartij ook nauwelijks heeft ingezet op re-integratie, daar waar mevrouw wel gemotiveerd was om te re-integreren en daarvoor zelf moeite heeft gedaan. Het hof gaat ervan uit dat mevrouw, die een afgeronde havo-opleiding heeft gevolgd en een hbo-studie was aangevangen (die zij na het ongeval heeft gestaakt) in de situatie zonder ongeval een mastergraad zou hebben behaald en – mede vanwege de specifieke affiniteit met deze studie en (top)sport – zou zijn gaan werken als sportfysiotherapeut met een werkweek van 40 uur. Tot 1 januari 2024 gaat het hof uit van de feitelijke situatie (geen resterend verdienvermogen). Vanaf 1 januari 2024 gaat het hof mede op basis van de uitkomst van het rapport van een arbeidsdeskundige uit van een resterend verdienvermogen van 115% van het minimumloon, te bereiken binnen vijf jaren na 1 januari 2024. Het hof wijst re-integratiekosten die mevrouw zal moeten maken – gelet op de afstand tot de arbeidsmarkt – in die vijf jaren toe tot een bedrag van € 25.936. Bij de berekening van de schade dient rekening te worden gehouden met terugvordering van de ontvangen bijstandsuitkering. De immateriële schadevergoeding begroot het hof op € 20.000.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 20-08-2024

Rechtspraak

PS 2024-0444

Zzp’er verricht bij een bouwproject werkzaamheden in opdracht van een bedrijf. Op de bouwplaats heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij de zzp’er letsel heeft opgelopen. Volgens de zzp’er gaat het om een arbeidsongeval en is hij van een verdieping van een woning in aanbouw gevallen, volgens het bedrijf waarvoor eiser werkte is sprake van een ongeluk na werktijd. De rechtbank komt, gelet op de schriftelijke stukken en de getuigenverklaringen, tot de conclusie dat de zzp’er erin geslaagd is te bewijzen dat hij van het dak (de derde verdiepingsvloer) is gevallen terwijl hij nog aan het werk was. Het scenario wat de opdrachtnemer heeft geschetst is niet geloofwaardig. Dit heeft (mede) te maken met de uitkomst van het onderzoek van de Arbeidsinspectie waarin (al) een vermoeden van beïnvloeding van getuigen is geconstateerd en wat een van de redenen is geweest voor het voorzetten van het onderzoek als strafrechtelijk onderzoek. In deze procedure heeft het openbaar ministerie ex artikel 42 lid 2 Rv stukken in het geding gebracht en een conclusie genomen. De kantonrechter legt de zaak langs de lat van het arrest Davelaar/Allspan. Er is sprake van schade bij het uitvoeren van de werkzaamheden en het bedrijf is niet geslaagd in het op haar rustende bewijs ex artikel 7:658 BW. Omdat de opdrachtnemer niets heeft gezegd over de zorgplicht als het gaat om de val van het dak kan alleen daarom al de conclusie worden getrokken dat niet aan de zorgplicht is voldaan. Ook los daarvan constateert de kantonrechter dat sprake is van een zorgplichtschending, nu er geen voorzieningen waren aangebracht die het valgevaar konden voorkomen. Geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. Het bedrijf is aansprakelijk.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 11-09-2024

Rechtspraak

PS 2024-0443

Tijdens een coronademonstratie in Rotterdam is een man, die aan het filmen was en volgens de rechtbank geen actieve bijdrage heeft geleverd in het geweld en de agressie in de richting van de politie, door de politie in zijn been geschoten. De man stelt de politie aansprakelijk voor de schade die hij als gevolg hiervan heeft geleden. Het beroep op een wettelijk voorschrift als rechtvaardigingsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de politie wel een beroep op noodweer toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat er ten tijde van het schietincident door de relschoppers die stenen en andere voorwerpen richting de ME’ers gooiden, sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die een onmiddellijk gevaar opleverde voor niet alleen de politieagent (die heeft geschoten) zelf en zijn collega’s, maar ook, en des te meer, voor derden, zoals de mensen in het flatgebouw, de brandweer en andere omstanders vanwege de dreigende brand. Het gevaar was op dat moment dus veel breder dan alleen voor de betrokken ME’ers zelf. Daarnaast is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit (het ging om een noodzakelijke verdediging tegen de aanranding) en proportionaliteit (de verdediging was geboden door de aanranding). Beroep op gelijkheidsbeginsel in die zin dat bij rechtmatig handelen de schade krachtens de in het verkeer geldende opvattingen alsnog voor rekening komt van de politie gaat niet op. De vorderingen worden afgewezen; de politie is niet aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 11-09-2024