Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0035

Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor poging doodslag door meermalen tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan ernstig en blijvend letsel opgelopen. De vordering van het slachtoffer wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het slachtoffer heeft slechts twee dagen voor de inhoudelijke behandeling van de zaak een hoge vordering ingediend. De verdediging en de rechtbank hebben daardoor zeer kort de tijd gehad om zich in de vordering te verdiepen. De verdediging heeft de vordering onder meer betwist op onderbouwing, causaliteit en eigen schuld. De rechtbank ziet op die punten ook gronden om vraagtekens te zetten bij de vordering zoals die op dit moment aan de rechtbank is voorgelegd. De vordering van het slachtoffer is summier onderbouwd en bevat geen medische stukken. Bovendien volgt uit de onderbouwende stukken onvoldoende causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en het in de vordering opgesomde letsel van het slachtoffer. Zo wordt in de vordering onder meer gesteld dat het slachtoffer problemen heeft met lopen, zicht en motoriek, dat hij angstklachten en nachtmerries heeft en dat hij PTSS heeft. De onderbouwing voor die klachten en de link naar het feit ontbreken echter. De rechtbank acht zich onvoldoende ingelicht om de immateriële schade van het slachtoffer vast te kunnen stellen en daarvoor een passende schadevergoeding toe te kennen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 27-12-2024

Rechtspraak

PS 2025-0033

Strafrecht. De verdachte wordt onder andere veroordeeld wegens doodslag. De moeder van het overleden slachtoffer krijgt € 17.500 aan affectieschade toegekend. Het feit dat er tussen het overleden slachtoffer en zijn moeder in de laatste jaren voor zijn overlijden mogelijk sprake was van een getroebleerde relatie, doet niet af aan de (bloed)band die tussen hen bestond en deze omstandigheid maakt niet dat toekenning van een vergoeding van affectieschade in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof merkt daarbij op dat het bestaan van conflicten en het daardoor (al dan niet tijdelijk) ontbreken van contact tussen familieleden verschillende oorzaken kan hebben en in sommige gevallen ook juist verklaard kan worden door de emotionele band tussen hen. Bovendien is het door het overlijden van het slachtoffer ook niet meer mogelijk de band tussen haar en de benadeelde partij te herstellen. De zus van het slachtoffer krijgt geen shockschade toegekend. Zij was niet aanwezig bij het geweldsincident maar heeft haar broer twee dagen na zijn overlijden in het mortuarium gezien. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk gemaakt dat het slachtoffer op dat moment uitwendig (zichtbaar) letsel had. Het hof oordeelt dat de omstandigheid dat de benadeelde partij het slachtoffer heeft gezien in het mortuarium niet zonder meer gelijkgesteld kan worden met het waarnemen van het strafbare feit of een directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Het levensgezel van het slachtoffer krijgt € 20.000 aan affectieschade toegekend. De vordering van het levensgezel van het slachtoffer tot shockschade wordt niet-ontvankelijk verklaard. Voor de motivering van dat besluit verwijst het hof naar de overweging ten aanzien van de vordering van de zus van het slachtoffer.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 20-12-2024