Strafrecht. Verdachte heeft een brand aangestoken bij het huis van zijn ex-partner. Op het moment van de brand waren er vijf personen in de woning aanwezig: de ex-partner en haar vier kinderen. Twee kinderen is het gelukt om uit de woning te vluchten. Een ander kind is door de brandweer uit zijn slaapkamer aan de voorzijde van het huis gered. De ex-partner en haar jongste zoon zijn in een slaapkamer aan de achterzijde van de woning ingesloten geraakt door het vuur. Zij hebben beiden ernstige brandwonden opgelopen en zijn ternauwernood door de brandweer met een ladder uit de woning gered. De moeder en haar vier kinderen hebben zich gevoegd als benadeelde partij. De moeder heeft in hoger beroep haar vordering aan immateriële schade verlaagd naar een bedrag van € 60.000. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten tweede- en derdegraads brandwonden op negen procent van de lichaamsoppervlakte. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 35.000. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. Daarnaast voegt ook haar kind die brandwonden heeft opgelopen zich als benadeelde partij. Deze vordering bestaat uit een bedrag van € 60.420 aan immateriële schade. Naar het oordeel van het hof is hier ook komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten brandwonden met een gemengd karakter, variërend van oppervlakkig tot diep, die tien procent van de lichaamsoppervlakte beslaan. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, als bedoeld in artikel 6:106 BW. De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 25.000. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. De overige drie kinderen hebben vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade telkens tot een bedrag van € 10.000. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde op andere wijze in de persoon zijn aangetast als bedoeld artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Weliswaar hebben de benadeelde partijen dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschendingen meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof acht het gevorderde billijk.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2025