Strafrecht. Veroordeling voor moord en poging tot doodslag. De ouders van het overleden slachtoffer krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. De zus van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule, maar deze slaagt niet. De vriendin van het overleden slachtoffer, die in de auto zat waar de verdachte met een vuurwapen op schoot, is het slachtoffer van poging tot doodslag. Zij heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De rechtbank overweegt dat zij voldoende gegevens verstrekt heeft waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij komt dus in aanmerking voor een vergoeding van smartengeld. De benadeelde partij heeft echter ook shockschade gevorderd, wegens de rechtstreekse confrontatie met de gevolgen van de schietpartij waarbij haar partner is overleden. Zij heeft PTSS opgelopen als gevolg van de schietpartij. Zij kan in zoverre aanspraak maken op vergoeding van shockschade, omdat het geestelijk letsel (mede) in verband staat met de confrontatie met het neerschieten van het overleden slachtoffer. De rechtbank overweegt dat de bewezenverklaarde strafbare feiten voortvloeien uit één feitelijke gebeurtenis. Deze gebeurtenis biedt weliswaar grondslag voor twee afzonderlijke juridische aanspraken op schadevergoeding, te weten vergoeding van smartengeld en vergoeding van shockschade, maar de rechtbank stelt vast dat beide schadeposten hun oorsprong vinden in dezelfde feitelijke handeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval niet op voldoende wijze worden onderscheiden welk deel van de door de benadeelde partij geleden schade aan smartengeld dan wel aan shockschade dient te worden toegerekend. De gevolgen die de gebeurtenis voor het leven van de benadeelde partij heeft gehad, laten zich niet scherp van elkaar afbakenen. De rechtbank ziet hierin aanleiding de gevorderde schade naar redelijkheid te matigen en te verdelen over beide schadecategorieën. Alles afwegende acht de rechtbank een totale vergoeding van € 20.000 aan immateriële schade passend en billijk.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 24-06-2026