Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0298

Een eigenaar van een eenmanszaak die werkzaamheden als opdrachtnemer verrichtte in opdracht van een ander bedrijf, is in 2020 op de bouwplaats ten val gekomen en heeft daarbij letsel opgelopen aan beide benen. In geschil is waar de opdrachtnemer is gevallen en of dit in de uitoefening van zijn werkzaamheden is gebeurd. Volgens de opdrachtnemer is hij tijdens hijswerkzaamheden vanaf de zolderverdieping op een plat dak gevallen en volgens de opdrachtgever is de opdrachtnemer vanaf een zeecontainer op de grond gevallen toen hij na werktijd een grap wilde uithalen. De kantonrechter heeft de opdrachtnemer opgedragen te bewijzen dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden van het dak van de te bouwen woning is gevallen. In het eindvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de opdrachtnemer daarin is geslaagd. De opdrachtnemer heeft appel ingesteld tegen het tussenvonnis van de kantonrechter en de opdrachtgever heeft voorwaardelijk appel ingesteld. Het hof is van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de opdrachtnemer, zoals hij stelt, op het plat dak van de aanbouw is gevallen terwijl hij bezig was met hand- en spandiensten voor de hijswerkzaamheden en hij dus schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De vervolgvraag die beantwoord moet worden is of de opdrachtnemer deze werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever. Ook dit is het geval. Het beroep op een uitzonderingssituatie slaagt niet. Aan het voorwaardelijke appel wordt niet toegekomen. De opdrachtgever is gehouden om de schade van de opdrachtnemer te vergoeden. Het hof bekrachtigt het eindvonnis.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 16-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0297

In 2021 heeft een voorval plaatsgevonden tussen twee mannen, waarbij de ene man de ander letsel heeft toegebracht. Het slachtoffer heeft hiervoor een medische behandeling moeten ondergaan. De ziektekostenverzekeraar heeft deze kosten vergoed en wil in deze procedure het bedrag van € 1.895,26 dat hij aan schade heeft vergoed verhalen op de andere man. De man betwist aansprakelijk te zijn voor de schade. De kantonrechter overweegt dat de strafrechter bewezen heeft verklaard dat de man het slachtoffer heeft gestoken met een mes in de romp. Het vonnis van de strafrechter is onherroepelijk. De man heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat dit bewezen verklaarde feit in déze procedure niet als vaststaand feit kan worden aangenomen. Noodweer kan niet worden aangenomen en er is ook geen sprake van een overmachtssituatie. De man heeft dus onrechtmatig gehandeld; wel is sprake van eigen schuld. De kantonrechter acht wel de rol van de man bij het ontstaan van de schade van het slachtoffer groter omdat de verdediging met een mes door de man in dit geval disproportioneel is. Het slachtoffer hoefde niet te verwachten dat hij als gevolg van zijn eigen handelen ernstig gewond zou raken en zelfs het leven zou kunnen laten door een messteek. De man had ook kunnen verwachten dat het slachtoffer als gevolg daarvan medisch behandeld zou moeten worden en daardoor schade zou lijden en heeft de aanmerkelijk kans op ernstiger letsel aanvaard. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de aan het slachtoffer toe te rekenen omstandigheden voor 25% bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De kantonrechter ziet dan ook reden 25% van de schade voor rekening van het slachtoffer te laten. De kantonrechter oordeelt verder dat de omstandigheid dat de man bedreigd werd door een aanzienlijk grotere groep, hij zich geïntimideerd voelde en het gevoel had dat hij geen kant meer op kon ervoor zorgt dat in dit geval tot een andere verdeling van de schade op grond van de billijkheidscorrectie wordt gekomen dan die op basis van de causaliteit. De kantonrechter komt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tot 50% aansprakelijkheid van de man voor het door het slachtoffer geleden schade.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 10-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0296

De eisende partij stelt dat de gedaagde partij hem in 2023 op een festival in Rotterdam zonder aanleiding geslagen heeft, waardoor hij ernstig tandletsel en andere schade heeft opgelopen. De gedaagde erkent dat hij heeft geslagen, maar voert aan dat hij zichzelf moest verdedigen (noodweer) omdat hij eerst door de eisende partij bij zijn nek werd gegrepen. De kantonrechter merkt op dat, gelet op de uitgebreide en onderbouwde betwisting van de gestelde noodweersituatie, van de gedaagde partij had mogen worden verwacht dat hij was ingegaan op de stelling dat het grijpen bij de nek door de eisende partij pas ruimschoots na de klap van de gedaagde partij heeft plaatsgevonden of dat hij zijn beroep op noodweer op andere wijze (beter) had onderbouwd. De gedaagde partij kan niet volstaan met het overleggen van een enkele verklaring en de genoemde foto’s. De foto’s van het gestelde letsel bieden net als een verklaring van een ander – in het licht van de betwisting van de eisende partij – onvoldoende steun voor het noodweerscenario van de gedaagde partij. Het gestelde letsel is hierop lastig te zien en kan bovendien ook goed passen bij de worsteling tijdens het tweede moment. Er is dus sprake van een aan de gedaagde partij toerekenbare onrechtmatige daad. De kantonrechter gaat de verschillende schadeposten langs. Het beroep van de gedaagde partij op eigen schuld slaagt niet. Uit de verwerping van het beroep op noodweer volgt dat niet is komen vast te staan dat de eisende partij de gedaagde partij eerst bij de nek heeft gegrepen of heeft geslagen. Dat betekent dat de toegewezen schade niet mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de schuld van de eisende partij is te wijten dan wel voor zijn risico komt.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0293

In 2017 liep een man tegen de glazen pui in een winkel. Hij liep als gevolg hiervan letsel op. De schadeverzekeraar van de eigenaar van de winkel heeft aansprakelijkheid voor dit voorval erkend. De man is door het UWV volledig arbeidsongeschikt verklaard. De man verzoekt nu om het benoemen van drie deskundigen om zijn letsel te beoordelen: een neuroloog, een neuropsycholoog en een psychiater. De verzekeraar kan zich vinden in het benoemen van een neuroloog en een neuropsycholoog. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de neuropsycholoog het onderzoek moet verrichten als hulponderzoek binnen het kader van het onderzoek van de neuroloog. De verzekeraar verzet zich daarnaast tegen het hanteren van de Tromp/Elemans-vraagstelling voor de neuropsycholoog. Zij voert aan dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de objectiviteit van de Tromp/Elemans-vraagstelling en dat deze tot op heden geen algemeen geaccepteerde/gestandaardiseerde vraagstelling binnen de juridische en medisch-juridische praktijk is. Nu het gebruik van deze vraagstelling afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, zijn de resultaten aan interpretatiegevoeligheid onderhevig. De rechtbank noemt een deskundige. Partijen zijn het verder eens over het voorleggen van de IWMD-vraagstelling aan hem. De rechtbank zal de nieuwste versie van deze vraagstelling inclusief de optionele vraag daarom voorleggen aan de deskundige. De rechtbank overweegt dat in het kader van een voorlopig deskundigenbericht, de wet maar beperkt de ruimte geeft om het verzoek tot het benoemen van een neuropsycholoog af te wijzen. Het door de verzekeraar aangevoerde belang is onvoldoende gewichtig om het verzoek af te wijzen. Niettemin is op basis van het partijdebat wel gebleken dat partijen het gelet op de bruikbaarheid van de rapporten van de deskundigen en het tegengaan van tegenstrijdige conclusies, wenselijk vinden dat een zeker samenspel plaatsvindt tussen de neuroloog en neuropsycholoog, waarbij de deskundigen acht kunnen slaan op hetgeen de andere deskundige heeft vastgesteld. De rechtbank wil aan deze wens tegemoetkomen. De rechtbank zal daarom beslissen dat de deskundigen eerst ieder een eigen conceptrapportage zullen opstellen. De andere deskundige zal – indien de man geen gebruik maakt van zijn blokkeringsrecht – vervolgens de gelegenheid worden gegeven van die conceptrapportage kennis te nemen alvorens een definitieve rapportage op te stellen waarin – voor zover van belang – kan worden ingegaan op hetgeen de andere deskundige in zijn conceptrapportage heeft vastgesteld. De rechtbank benoemt verder dat de Expertgroep Personenschade van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) de Tromp/Elemans-vraagstelling heeft voorgelegd aan de beroepsverenigingen voor neurologie en neuropsychologie (NVN/NIP). De reactie van deze verenigingen komt erop neer dat de vraagstelling niet bruikbaar is. Gelet op de bezwaren van de beroepsgroep, ziet de rechtbank aanleiding deze vraagstelling niet voor te leggen aan deskundige. De IMWD-vraagstelling zal dus ook aan de andere deskundige die door de rechtbank wordt benoemd worden voorgelegd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 03-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0290

Strafrecht. Veroordeling voor moord en poging tot doodslag. De ouders van het overleden slachtoffer krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. De zus van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule, maar deze slaagt niet. De vriendin van het overleden slachtoffer, die in de auto zat waar de verdachte met een vuurwapen op schoot, is het slachtoffer van poging tot doodslag. Zij heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De rechtbank overweegt dat zij voldoende gegevens verstrekt heeft waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij komt dus in aanmerking voor een vergoeding van smartengeld. De benadeelde partij heeft echter ook shockschade gevorderd, wegens de rechtstreekse confrontatie met de gevolgen van de schietpartij waarbij haar partner is overleden. Zij heeft PTSS opgelopen als gevolg van de schietpartij. Zij kan in zoverre aanspraak maken op vergoeding van shockschade, omdat het geestelijk letsel (mede) in verband staat met de confrontatie met het neerschieten van het overleden slachtoffer. De rechtbank overweegt dat de bewezenverklaarde strafbare feiten voortvloeien uit één feitelijke gebeurtenis. Deze gebeurtenis biedt weliswaar grondslag voor twee afzonderlijke juridische aanspraken op schadevergoeding, te weten vergoeding van smartengeld en vergoeding van shockschade, maar de rechtbank stelt vast dat beide schadeposten hun oorsprong vinden in dezelfde feitelijke handeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval niet op voldoende wijze worden onderscheiden welk deel van de door de benadeelde partij geleden schade aan smartengeld dan wel aan shockschade dient te worden toegerekend. De gevolgen die de gebeurtenis voor het leven van de benadeelde partij heeft gehad, laten zich niet scherp van elkaar afbakenen. De rechtbank ziet hierin aanleiding de gevorderde schade naar redelijkheid te matigen en te verdelen over beide schadecategorieën. Alles afwegende acht de rechtbank een totale vergoeding van € 20.000 aan immateriële schade passend en billijk.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 24-06-2026