Strafrecht. Veroordeling tot gevangenisstraf voor het binnendringen van een woning en het gooien van zoutzuur tegen de bewoner. De bewoner vordert immateriële schadevergoeding en krijgt € 2.000 toegewezen. De rechtbank overweegt: 'De benadeelde partij heeft zoutzuur in zijn gezicht en op zijn lichaam gekregen, hetgeen een zeer pijnlijke aangelegenheid moet zijn geweest. Dat is een aantasting van zijn lichamelijke integriteit.' Ook de broer van de bewoner vordert immateriële schadevergoeding (ad € 20.000), maar deze vordering wordt als ongefundeerd afgewezen. 'Voor zover de vordering is gebaseerd op de grondslag dat de benadeelde partij is geconfronteerd met het leed dat zijn broer is aangedaan ("shockschade") is op geen enkele wijze voldaan aan de eisen die daaraan in het schadevergoedingsrecht worden gesteld. Voor zover zij is gebaseerd op de grondslag dat de benadeelde partij is geconfronteerd met de gevolgen daarvan ("affectieschade") wordt miskend dat de Nederlandse wet zulke schadevergoeding niet toestaat.'
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 13-03-2017