Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0305

Strafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De partner, moeder en de twee kinderen van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De benadeelden partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Daarnaast krijgt de partner van het overleden slachtoffer € 15.000 aan shockschade vergoed. Bij haar is een hevige emotionele schok teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken. Uit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en het/de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 30-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0304

Strafrecht. Moord op Saba op een brandweerman. De nabestaanden van het overleden slachtoffer vorderen schadevergoeding. Op de zitting heeft de advocaat van de familie de vordering tot schadevergoeding toegelicht, en aangevoerd dat de nabestaanden van het slachtoffer door het verlies immateriële schade hebben geleden. Voor het Gerecht staat buiten twijfel dat de moord op het slachtoffer de nabestaanden veel leed heeft berokkend. Het gewelddadige overlijden van een familielid brengt een diep verdriet en een groot gemis met zich mee. De vordering van de familie van het slachtoffer stuit echter op twee formeel strafrechtelijke bezwaren. Ten eerste is de vordering namens de familie als geheel ingediend. De wet biedt echter geen grondslag voor een dergelijke collectieve vordering. Ten tweede ziet de vordering feitelijk op vergoeding van affectieschade. Affectieschade is kort gezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Die mogelijkheid bestaat op de BES echter (nog) niet. Waarom deze ongelijkheid tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland bestaat, is het Gerecht niet duidelijk, en is in de ogen van het Gerecht ook onwenselijk. Het Gerecht is bekend met de omstandigheid dat de wetgever bezig is ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, en het Gerecht hoopt dat de wetgever hiermee haast maakt. Maar het gaat de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om in deze zaak, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de nabestaanden ook is. Het Gerecht zal daarom de familie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Ook de partner van het slachtoffer, die aanwezig is geweest bij de moord op haar partner, kan geen affectieschade worden toegekend, op dezelfde grond als hiervoor overwogen. Wel krijgt zij USD 5.000 toegekend omdat de verdachte van een korte afstand op haar heeft geschoten, hetgeen naar zijn aard een zodanig ernstige normschending betreft dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen zonder dat hoeft vastgesteld te worden welke concrete gevolgen zij daarvan heeft ondervonden.
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 25-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0303

In 1997 is een man, werkzaam bij de vuilnisophaaldienst, beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden. Het college van B&W van de gemeente heeft aansprakelijkheid voor de letselschade erkend, heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van de man aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris. In 2006 heeft een andere advocaat de zaak overgenomen. Deze advocaat heeft de man tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van de man. In 2024 hebben de nieuwe advocaten van de man de gemeente laten weten dat de schade van de man nog niet volledig is vergoed en dat de man zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft. In 2025 heeft de gemeente de man laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade, maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004. De advocaten van de man hebben de voormalige advocaat van de man aangesproken. Volgens de man is de voormalige advocaat aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van de voormalig advocaat van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van de man per 11 november 2013. Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door de man gestarte kortgedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat de voormalig advocaat € 55.500 aan de man betaalt onder de voorwaarde dat de man de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan de voormalig advocaat cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft de man de voormalig advocaat in een bodemprocedure betrokken. In incident vordert de voormalig advocaat dat de rechtbank de man en de gemeente veroordeelt tot afgifte of tot inzage in alle correspondentie. De vorderingen in incident tegen zowel de man als de gemeente worden gedeeltelijk toegewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0302

In 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden, waarbij een fietser is aangereden door een personenauto. Enkele dagen later heeft een belangenbehartiger zich namens de fietser bij de WAM-verzekeraar van de personenauto gemeld. Deze belangenbehartiger heeft de WAM-verzekeraar aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van de aanrijding. De verzekeraar heeft bij controle van de CIS-databank geconstateerd dat de fietser in de interne en externe verwijzingsregisters in totaal zeven keer werd vermeld. Twee van deze vermeldingen betroffen gevallen van misleiding van andere verzekeraars. De verzekeraar heeft besloten om een externe tactisch onderzoeker in te schakelen om een nader feitenonderzoek te doen. De verzekeraar heeft de fietser laten weten dat hij op grond van artikel 185 WVW aansprakelijkheid erkent met een schulddeling van 50% vanwege door de fietser gemaakte verkeersfouten en dat de vaststelling van de materiële schade en letselschade in behandeling was. Later heeft de verzekeraar de fietser onder meer bericht dat uit zijn onderzoek blijkt dat de fietser opzettelijk onjuiste informatie aan de verzekeraar heeft verstrekt en dat de fietser daarmee heeft gepoogd om de verzekeraar opzettelijk te misleiden. De verzekeraar vordert onder andere de door hem gemaakte onderzoekskosten, bestaand uit € 532 interne kosten en € 2.400 voor het inschakelen van een externe tactisch onderzoeker, van de fietser op grond van onrechtmatige daad. Het reeds aan de fietser betaalde voorschot van € 500 beschouwde de verzekeraar volgens zijn brief als slotbetaling voor de schade aan zijn fiets en smartengeld. De verzekeraar heeft bij de politie aangifte gedaan tegen de fietser. De fietser is strafrechtelijk vervolgd voor fraude, maar door de politierechter vrijgesproken omdat de ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn verklaard. Bij de kantonrechter heeft de verzekeraar onder andere veroordeling van de fietser tot betaling van € 4.432 gevorderd. De kantonrechter heeft de vorderingen als niet weersproken toegewezen. In hoger beroep heeft de fietser alsnog verweer gevoerd. Het hof oordeelt dat de fietser onrechtmatig heeft gehandeld door opzettelijk onjuiste informatie aan de verzekeraar te verstrekken en gehouden is de kosten te vergoeden en al uitgekeerde vergoedingen terug te betalen. De grieven slagen niet. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0301

Kort geding. In 2025 is een man als voetganger aangereden door een personenauto. Hij heeft als gevolg van het ongeval ernstig en blijvend letsel opgelopen: schedelhersenletsel, meerdere breuken en huidverwondingen. Na geruime tijd in coma te hebben gelegen, verkeert de man op dit moment in een verminderde bewustzijnstoestand en is hij volledig ADL-afhankelijk. De broer en zus van de man zijn benoemd tot curator. De WAM-verzekeraar van de personenauto heeft aansprakelijkheid erkend. Ten behoeve van de revalidatie van de man hebben partijen gesproken over een revalidatietraject bij een kliniek in de Verenigde Staten (VS). In dat kader zijn de kosten van de behandeling, het verblijf en het vervoer nader onderzocht. Op een gegeven moment heeft de verzekeraar meegedeeld dat de kosten van het vervoer van de man per ambulancevliegtuig niet redelijk zijn en dat zij daarom geen toestemming geeft voor de behandeling in de VS. De curatoren zijn het daar niet mee eens. Zij hebben de kosten van de kliniek en de vervoerskosten zelf betaald en zijn als begeleiders met hem meegereisd naar de VS, waar hij met het revalidatietraject is gestart. De curatoren vorderen van de verzekeraar betaling van een geldsom als vergoeding van de gemaakte en te maken kosten met betrekking tot de behandeling van de man. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de verzekeraar vergoeding van bepaalde kosten onvoorwaardelijk heeft toegezegd en dat de toezegging voor het overige onder bepaalde voorwaarden is gedaan. Dat de verzekeraar onlangs € 150.000 heeft uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De curatoren stellen terecht dat het reeds uitgekeerde bedrag ziet op vergoeding van andere posten (smartengeld en voorschot onder algemene titel).
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 15-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0300

Een juridisch adviesbureau op het gebied van letselschade voor slachtoffers heeft een man bijgestaan naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij hij letsel heeft opgelopen. Deze man en de verzekeraar van de tegenpartij hebben een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Het adviesbureau stelt dat de man zijn vordering op de verzekeraar tot betaling van buitengerechtelijke kosten aan het bureau heeft gecedeerd. Het bureau heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt en hiervoor facturen aan de verzekeraar verzonden. De verzekeraar heeft deze facturen meermaals niet tijdig en/of volledig voldaan. Het bureau vordert nu dat de kantonrechter de verzekeraar veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 280,32 aan wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de proceskosten. De verzekeraar voert verweer: de man heeft nooit buitengerechtelijke kosten aan het bureau betaald en op dit punt dus ook geen schade geleden. Verder heeft er geen rechtsgeldige cessie door de man aan het bureau van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten plaatsgevonden. De reden hiervoor is dat de man geen vordering op de verzekeraar had en deze wegens het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid dus ook niet aan het bureau kon overdragen. Bovendien is de vordering niet met voldoende bepaalbaarheid omschreven en is de vordering tot betaling van wettelijke rente evenmin een nevenrecht. Daarnaast is pas na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst mededeling van de cessie aan de verzekeraar gedaan, maar toen had de man al finale kwijting aan de zorgverzekeraar verleend. Partijen willen antwoord op de vraag of professionele belangenbehartigers, die de vordering van een benadeelde tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten aan zichzelf laten cederen, wettelijke rente kunnen vorderen als de verzekeraar deze kosten niet tijdig voldoet. De kantonrechter is van oordeel dat dit in dit geval niet mogelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat in voldoende mate duidelijk is dat voor het ontstaan van een schadevergoedingsvordering in de vorm van buitengerechtelijke kosten vereist is dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Verder is ook in voldoende mate duidelijk dat de overdracht van een nog niet ontstane vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten pas tot stand komt na het ontstaan daarvan. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om op deze punten verduidelijking aan de Hoge Raad te vragen en ziet daarom af van het stellen van prejudiciële vragen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 15-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0299

Een man is in 2023 geblesseerd geraakt aan zijn hamstrings tijdens het gebruik van een fitnesstoestel in een sportschool. Bij het gebruik van het fitnesstoestel door de man is op enig moment de weerstand van de gewichten weggevallen. De man heeft een deelgeschilprocedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt om de aansprakelijkheid van de sportschool voor het ongeval vast te laten stellen op grond van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:181 lid 1 BW, dan wel artikel 6:162 BW. Bij beschikking heeft de deelgeschilrechter het verzoek afgewezen. De deelgeschilrechter heeft overwogen dat niet is gebleken dat de ‘seated leg curl’ gebrekkig was in de zin van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:181 BW. Ook is niet gebleken dat de sportschool onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de man in de zin van artikel 6:162 BW. De man verzoekt nu de rechtbank om terug te komen op de beslissing van de deelgeschilrechter. Ook verzoekt hij de rechtbank om verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen. De rechtbank wijst de vorderingen van de man af. De man heeft onvoldoende aangevoerd om tot de conclusie te komen dat de beslissing van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Daarom is de rechtbank gebonden aan de beslissing van de deelgeschilrechter. De rechtbank zal het verlofverzoek van de man om tussentijds hoger beroep in te stellen afwijzen nu met dit vonnis al een eindvonnis zal worden gewezen en hij in zoverre geen belang meer heeft bij tussentijds beroep. Daarvoor is van belang dat de man primair uitsluitend vordert dat de rechtbank terugkomt op de bindende eindbeslissing en een verklaring voor recht geeft dat de sportschool aansprakelijk is. Die vordering zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. Er zijn verder door de man geen vorderingen ingesteld waarop de rechtbank in deze instantie nog een beslissing moet nemen. De in de deelgeschilbeschikking vervatte beslissingen zijn dan ook niet langer cruciaal en bepalend voor de afloop van deze bodemzaak.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 17-06-2026