Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0150

Aanrijding op een kruispunt tussen een bestuurder van een personenauto en een bestuurder van een bestelbus. Vanwege de afstelling van de stoplichten op het kruispunt waar het ongeluk is gebeurd, moet óf de bestuurder van de personenauto óf de bestuurder van de bestelbus door rood zijn gereden. Echter kan op basis van de (getuigen)verklaringen niet worden vastgesteld wie door rood is gereden en het dossier bevat ook geen andere bewijsmiddelen om vast te stellen wie door rood is gereden. Wanneer niet kan worden vastgesteld wie door rood is gereden, moet er bij wijze van fictie van uit worden gegaan dat de bestuurder van de bestelbus als aansprakelijk gestelde automobilist door groen is gereden (bewijsvermoeden). Dat betekent niet automatisch dat hij niet aansprakelijk is voor de schade die de bestuurder van de personenauto als gevolg van het ongeluk heeft geleden. De bestuurder van de bestelbus is wel degelijk aansprakelijk tegenover de bestuurder van de personenauto als hij onmiddellijk voor de aanrijding gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat handelen zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. De rechtbank komt niet tot het oordeel dat de bestuurder van de bestelbus gevaarzettend heeft gehandeld. Daardoor is de bestuurder van de bestelbus niet aansprakelijk voor de schade die is ontstaan door het ongeval, de vordering van de gesubrogeerde verzekeraar slaagt niet.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-02-2025

Rechtspraak

PS 2025-0149

Werkneemster houdt haar werkgever aansprakelijk voor de schade die zij door haar COVID-19-besmetting heeft opgelopen. Volgens haar heeft zij de COVID-19-besmetting opgelopen gedurende haar werkzaamheden bij haar werkgever en heeft de werkgever niet aan zijn zorgplicht voldaan. De werkgever betwist dit. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van de werkneemster moet worden afgewezen. Het is in de procedure wel voldoende aannemelijk gemaakt dat de werkneemster besmet is geraakt tijdens het verrichten van haar werkzaamheden. Het debat richtte zich in deze procedure daarnaast op een viertal verwijten aan de werkgever. De werkneemster stelt dat zij een aerosolvormende handeling heeft verricht op een zaal met meerdere patiënten, terwijl zij ook de mogelijkheid had om deze behandeling uit te voeren op een eenpersoonskamer. De werkgever wordt verweten dat hij niet adequaat erop heeft toegezien dat er oogbescherming werd gebruikt bij aerosolvormende handelingen. Volgens de werkneemster had de werkgever vanaf een bepaald moment alle werknemers preventief moeten testen. De werkgever had volgens de werkneemster ten vierde eerder FF2-maskers moeten voorschrijven aan alle werknemers. De werkgever heeft volgens de rechtbank voldoende maatregelen genomen waardoor de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan en niet aansprakelijk is. Dat achteraf is gebleken dat het mogelijk beter was geweest als bepaalde maatregelen genomen waren, betekent nog niet dat ten tijde van de besmetting die maatregelen door de werkgever genomen hadden moeten worden. Het beroep op artikel 7:658 BW slaagt niet.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12-02-2025

Rechtspraak

PS 2025-0141

Conclusie advocaat-generaal Hofstee. Het middel dat klaagt dat niet aan het mededelingsvereiste van artikel 6:95 lid 2 BW is voldaan slaagt volgens de advocaat-generaal. Het hof heeft in de voorliggende zaak niet vastgesteld dat de benadeelde partij zijn wens omtrent de vordering tot ‘vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade’ (immateriële schade) eerder kenbaar heeft gemaakt. Slachtoffer heeft voorafgaand aan overlijden enkele weken in coma gelegen als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De advocaat-generaal meent op grond van de wettekst en de wetsgeschiedenis dat dit wetstechnische probleem niet zonder meer kan worden ondervangen doordat een advocaat – kennelijk op verzoek van de nabestaanden, maar dit blijkt niet uit de overwegingen van het hof – nog tijdens het leven van de benadeelde partij de verdachte en zijn medeverdachte aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden schade, waaronder kennelijk ook de immateriële schade. De advocaat-generaal heeft hierbij in aanmerking genomen dat de wetgever nog betrekkelijk recentelijk op dit terrein heeft benadrukt dat gelet op het persoonlijke karakter van smartengeld het aangewezen is dat de benadeelde zelf beslist of hij hierop aanspraak wenst te maken, dat deze keuze niet zonder meer aan zijn nabestaanden toekomt en dat ten aanzien van vertegenwoordiging van de benadeelde in dit verband een grote mate van terughoudendheid moet worden betracht.
Parket bij de Hoge Raad, 18-02-2025