Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0160

Zowel in 1996 als in 2013 is een man een bedrijfsongeval overkomen. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de man klachten, afwijkingen en beperkingen ervaart aan zijn rechter- en linkerenkel en -voet. De deskundige stelt geen aanwijzingen te hebben dat de huidige pijnklachten en beperkingen van de man ook aanwezig zouden zijn zonder het bedrijfsongeval van 2013. Wel is hij van mening dat er zonder het ongeval van 2013 kans op pijnklachten was van de linkerenkel, maar deze klachten zouden volgens de deskundige minder hevig en minder beperkend zijn dan de klachten die man nu heeft. De rechtbank leidt hieruit af dat de man door het pre-existente letsel een predispositie had om pijnklachten aan zijn linkerenkel en linkervoet te ontwikkelen. Het deskundigenbericht geeft echter geen aanknopingspunten in welke omvang en op welke termijn dat het geval had kunnen zijn. Met deze informatie moet de rechtbank de goede en kwade kansen afwegen of de man in de hypothetische situatie zonder het ongeval van 2013 ook klachten en beperkingen zou hebben ontwikkeld, waardoor hij arbeidsongeschikt zou zijn geworden, en zo ja in welke mate en op welke termijn. De rechtbank acht echter op zichzelf vooralsnog aannemelijk dat de man in de hypothetische situatie zonder ongeval niet tot het bereiken van de leeftijd van 70 jaar zou zijn blijven werken. De rechtbank acht op dit punt nadere voorlichting door een deskundige noodzakelijk, met name met betrekking tot statistische gegevens uit de bouwsector over het percentage werknemers/zelfstandigen dat (i) gebruik maakt van de (thans nog geldende) regeling om eerder dan de pensioengerechtigde leeftijd te stoppen met werken, (ii) bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd daadwerkelijk stopt met werken en (iii) na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd nog doorwerkt. Daarbij zal ook voor zover mogelijk moeten worden betrokken in hoeverre dat geldt voor werknemers/zelfstandigen die al gedeeltelijk lichamelijk beperkt/minder belastbaar zijn en tevens of het daarbij verschil maakt of zij al dan niet pensioen hebben opgebouwd.
Rechtbank Gelderland, 19-02-2025

Rechtspraak

PS 2025-0159

Strafrecht. Terugverwijzing na uitspraak Hoge Raad. Oordeel over gederfd levensonderhoud en schokschade partner. De verdachte heeft zich op 1 oktober 2019 schuldig gemaakt aan doodslag. Het hof kent de weduwe van het slachtoffer een bedrag van € 10.000 aan schokschade toe na identificatie van haar echtgenoot in het mortuarium. Het hof stelt dat in de berekening van het gederfde levensonderhoud door het door de nabestaanden ingeschakelde rekenkundig bureau enkel is uitgegaan van het bedrag aan inkomen dat is opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting 2018 van de overledene. Een definitieve aanslag inkomstenbelasting 2018 ontbreekt in de onderbouwing. Het hof acht zich, nu sprake is van voldoende betwisting, vanwege de aard en omvang van het gevorderd bedrag en de gegevens die ten grondslag zijn gelegd aan de berekening daarvan, in deze zaak niet voldoende voorgelicht en in staat om binnen de kaders van een strafproces een gedegen beslissing te nemen. Het rapport van het rekenkundig bureau biedt daartoe onvoldoende inzicht, toelichting en informatie, bijvoorbeeld over de reden dat alleen het bedrag van de (eerste pagina van de) aangifte inkomstenbelasting 2018 ten grondslag is gelegd aan de berekening. Het hof stelt vast dat aan de hand van de door de benadeelde partij aangeleverde gegevens niet tot een meer objectiveerbare benadering van de inkomensgegevens kan worden gekomen. Het hof kan dan ook evenmin een gemotiveerde, verantwoorde schatting maken van een in elk geval toewijsbaar bedrag. De suggestie van de gemachtigde van de benadeelde partij, om daartoe desnoods uit te gaan van (een deel van) het minimuminkomen biedt geen soelaas omdat ook dat neerkomt op in het duister tasten. In de civiele rechtspraktijk wordt in dergelijke gevallen doorgaans hetzij door partijen onderling overeenstemming bereikt over de uitgangspunten voor de berekening, hetzij door de rechter vaststellingen gedaan na een gedegen partijdebat. Daarvan is hier geen sprake. Volgt niet-ontvankelijkheid ten aanzien van deze schadepost.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27-02-2025

Rechtspraak

PS 2025-0156

Eiseres heeft als belangenbehartiger gewerkt voor een werknemer die letsel heeft opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden. Zij vordert (via cessie) betaling voor haar werkzaamheden van de aansprakelijke werkgever. De werkgever is het niet eens met de hoogte van de gedeclareerde kosten en stelt dat de urendeclaratie de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. Eiseres was de derde opvolgende belangenbehartiger van het slachtoffer. Als er meerdere malen van belangenbehartiger wordt gewisseld, kan niet van de aansprakelijke partij worden verlangd dat deze altijd maar zullen voortgaan met het vergoeden van het inlezen en het zich eigen maken van een dossier. Hoe vaker van belangenbehartiger wordt gewisseld, hoe kritischer daar naar mag worden gekeken. Van eiseres had dan ook verwacht mogen worden dat zij haar stelling dat het slachtoffer niet onnodig meermaals van belangenbehartiger is gewisseld deugdelijk zou onderbouwen, maar dat heeft zij niet gedaan. De enkele niet nader toegelichte stelling dat de wisselingen te maken hadden met de ‘kwaliteit van de rechtsbijstand’ en ‘een verschil van inzicht’, is daarvoor onvoldoende. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden, waarbij ook wordt ingegaan op specifiek gedeclareerde uren, aanleiding de door de vrouw gevorderde buitengerechtelijke kosten te matigen, in die zin dat hij 10 uur aan in rekening gebrachte werkzaamheden in mindering zal brengen op het gevorderde bedrag van € 5.157,57. Daarbij acht de kantonrechter een uurtarief van € 245 redelijk en niet het specialistentarief van € 270. Er was ten tijde van de overname sprake van een, voor wat betreft de complexiteit ervan, beperkt en overzichtelijk dossier. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten omdat deze voorafgaand aan de procedure niet of nauwelijks verweer heeft gevoerd tegen de vordering.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21-02-2025

Rechtspraak

PS 2025-0151

Werkneemster is tijdens haar werkzaamheden als psychiatrisch verpleegkundige aangevallen door een patiënt die een mes bij zich had. Zij stelt de werkgeefster aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW. De werkgeefster stelt dat zij heeft voldaan aan de zorgplicht doordat zij trainingen organiseert waar van wordt verlangd dat alle werknemers daaraan deelnemen. De werkneemster betwist dat met deze trainingen is voldaan aan de zorgplicht. De trainingen bieden volgens de werkneemster geen voorbereiding op deze mate van geweld en er wordt in trainingen en documenten niet in gegaan op situaties waarbij een wapen aan bod is. Ondanks de zware stelplicht die op de zorginstelling als werkgeefster rust, heeft de werkgeefster volgens de kantonrechter niet gesteld dát zij een RI&E heeft opgesteld en of daarin de risico’s van agressief gedrag en het meenemen en gebruiken van wapens door patiënten zijn onderkend. Zij heeft een dergelijke RI&E ook niet in het geding gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat reeds om die reden kan worden geoordeeld dat de zorginstelling niet heeft voldaan aan haar stelplicht dat zij de gevaren waaraan haar werknemers blootstaan voldoende in kaart heeft gebracht en afdoende maatregelen heeft getroffen om die gevaren zoveel mogelijk te minimaliseren. Niet aannemelijk is gemaakt dat aan de zorgplicht is voldaan. De kantonrechter oordeelt dat de werkgeefster aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, ten gevolge van het incident.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 26-02-2025