Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0163

De verdachte krijgt een levenslange gevangenisstraf voor het medeplegen van een viervoudige moord in 2018. Er zijn twintig vorderingen door benadeelde partijen ingediend. Het hof behandelt de vorderingen inhoudelijk. Het hof overweegt dat de vier slachtoffers allen opzettelijk en met voorbedachten rade op nietsontziende en koelbloedige wijze zijn geëxecuteerd. Het toegebrachte leed aan de nabestaanden is intens en onmetelijk. Vanuit dit gezichtspunt bezien bestaat er zonder meer aanleiding tot vergoeding van shockschade. Ook de aard en de hechtheid van de relatie tussen de overleden slachtoffers en hun nabestaanden zouden daartoe aanleiding geven. Immers, alle benadeelde partijen die shockschade vorderen, staan in een hechte – familierechtelijke – relatie tot de slachtoffers omdat ze hun vader, moeder, kind, partner of broer en zus zijn. Het hof acht verder voldoende onderbouwd dat de nabestaanden na de moord op de slachtoffers allen op hun eigen wijze zijn geconfronteerd met de gevolgen van het handelen van verdachte. De nabestaanden zijn allen geconfronteerd met het gehavende lichaam van hun familielid, nadat deze was vermoord. Zo’n confrontatie met het levenloze lichaam met gehavend hoofd en/of gezicht moet heftig en ronduit schokkend zijn geweest. Daarnaast zijn de nabestaanden al dan niet ongewild geconfronteerd met (de heftige details van) de moord op hun familielid via de berichtgeving in de media. Het standpunt van de verdediging dat de nabestaanden de shock hadden kunnen voorkomen door het lichaam van hun geliefde niet te bekijken, volgt het hof niet en is ook niet relevant.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Zwolle), 28-02-2025

Rechtspraak

PS 2025-0161

Deelgeschil. Een vrouw is in 2010 aangereden door een motorfietser. Zij stelt als gevolg van die aanrijding een conversiestoornis te hebben ontwikkeld die heeft geleid tot volledig functieverlies van haar linkerbeen. De vrouw vordert vergoeding van de (verschenen) schade. De verzekeraar van de motorfiets heeft aansprakelijkheid erkend maar meent dat de vrouw geen recht heeft op nadere schadevergoeding. De vrouw heeft na het ongeval een tweede verkeersongeval niet gemeld en heeft jegens de verzekeraar inconsistent en onjuist verklaard. De verzekeraar heeft echter niet of niet voldoende onderbouwd gesteld dat zij bewust het ongeval heeft verzwegen en opzettelijk inconsistent en onjuist heeft verklaard. Opzet tot misleiding is daarmee niet komen vast te staan. Een en ander kan dus niet leiden tot verval van het vorderingsrecht van artikel 6 WAM. In een deskundigenrapport is geconcludeerd dat de conversiestoornis is veroorzaakt door de aanrijding. De rechtbank verklaart voor recht dat de wederpartij gebonden is aan het rapport van de deskundige. Ten aanzien van de bezwaren van de verzekeraar tegen het rapport van de deskundige is volgens de rechtbank sprake van rechtsverwerking. Voor de gebondenheid aan het rapport wordt wel een beperking in de tijd aangenomen, namelijk tot 19 juni 2015. Het rapport kan dus niet als enige uitgangspunt gelden voor de verdere schadeafwikkeling. De rechtbank ziet een traject voor zich waarin hernieuwde medische expertises worden verricht om de beperkingen, en daarmee de schade, in kaart te brengen die verband houden met het ongeval.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 19-02-2025