Naar boven ↑
8.631 resultaten

Rechtspraak

PS 2019-0019

Oud-verkeersvliegers van de KLM hebben in een eerdere procedure een verklaring voor recht gevorderd dat de cao-bepaling die bepaalt dat verkeersvliegers vanaf 56 jaar verplicht met pensioen moeten, nietig is wegens leeftijdsdiscriminatie. Deze vordering is in feitelijke instanties afgewezen en in 2012 verworpen door de Hoge Raad. In deze procedure stellen eisers dat de Hoge Raad ten onrechte heeft nagelaten prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), althans dat de Hoge Raad ten onrechte, want in strijd met artikel 6 EVRM, heeft nagelaten zijn (impliciete) beslissing om geen vragen te stellen te motiveren. Eisers hebben daartoe de Staat gedagvaard en gevorderd een verklaring voor recht dat de Staat jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld alsmede een veroordeling van de Staat tot vergoeding van de geleden schade. De Hoge Raad oordeelt dat hij in 2012 de vordering heeft beoordeeld aan de hand van het toepasselijke EU-recht en het voor de beslechting van het geding niet nodig was om een prejudiciële beslissing te vragen. De Hoge Raad stelt voorop dat blijkens de rechtspraak van het HvJ EU het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, de noodzaak en de relevantie van de voor te leggen vragen te beoordelen. Voorts heeft te gelden dat volgens de rechtspraak van het HvJ EU de staat aansprakelijk kan zijn voor schade als gevolg van de beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie, die in strijd is met een regel van het recht van de Unie. Hiertoe moet aan drie voorwaarden zijn voldaan: 1) de geschonden rechtsregel strekt ertoe particulieren rechten toe te kennen, 2) er is sprake van een voldoende gekwalificeerde schending en 3) er bestaat een rechtstreeks causaal verband tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de door de betrokkenen geleden schade. Hierop gelet rustte bij die stand van zaken op de Hoge Raad geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen. De enkele omstandigheid dat eisers een andere opvatting hebben over de uitkomst van die toepassing van het EU-recht in dit door hen aan de rechter voorgelegde geval, doet daaraan niet af. De Hoge Raad verwerpt het beroep. 
Hoge Raad, 21-12-2018

Rechtspraak

PS 2019-0004

Gedaagde MaRan B.V. is onder meer eigenaar en beheerder van de websites kinkytijd.nl en chattijd.nl. Deze sites zijn gericht op mensen met belangstelling voor bdsm-seks: zij kunnen via deze sites profielen met foto’s bekijken, profielen aanmaken, sexchatten, foto- en filmbestanden uploaden en sexdaten. In mei 2013 heeft eiseres ontdekt dat er een nepprofiel met foto’s van haar was aangemaakt op de website kinkytijd.nl, met welk profiel de indruk werd gewekt dat zij bereid was tot het maken van sexdates. Dit nepprofiel is zonder haar toestemming geplaatst. MaRan heeft geweigerd een ip-adres of e-mailadres te verstrekken, ook niet na meerdere verzoeken daartoe. Uiteindelijk bleek dat het de zwager was van eiseres die erachter zat. Hij is inmiddels strafrechtelijk vervolgd. Eiseres heeft zich als benadeelde partij gevoegd in de strafzaak en heeft vergoeding van € 2.500 voor immateriële schade gevorderd en toegewezen gekregen. Eiseres verwijt MaRan zowel het niet onmiddellijk verwijderen van het profiel toen zij dat verzocht en het niet verstrekken van de NAW-gegevens. Zij meent dat MaRan door het nalaten als hiervoor omschreven onrechtmatig heeft gehandeld en derhalve gehouden is tot vergoeding van haar immateriële schade, die zij heeft begroot op € 15.000. De rechtbank is van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van € 2.500 passend is. De rechtbank neemt onder meer in aanmerking dat het formulier waarmee eiseres de vordering als benadeelde partij in de strafzaak ingediend heeft in deze procedure niet is overgelegd, waardoor zij niet inzichtelijk heeft gemaakt voor welke schade zij in de strafzaak vergoeding heeft verzocht en welke andere schade zij nu vergoed wil zien. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat de periode gedurende welke MaRan heeft verzuimd tot actie over te gaan, terwijl zij wel actie had moeten ondernemen, relatief kort is (medio april 2015 tot medio mei 2015). Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen in soortgelijke gevallen doorgaans aan immateriële schadevergoeding wordt opgelegd. 
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 28-11-2018