Naar boven ↑
8.631 resultaten

Rechtspraak

PS 2019-0022

De onderhavige zaak betreft de aansprakelijkheid van de Staat. Eiser is op een zeker moment zijn rijbewijs verloren, waarvan hij aangifte heeft gedaan. Deze aangifte heeft niet kunnen voorkomen dat, met behulp van het verloren rijbewijs, door derden ruim 1700 motorvoertuigen op naam van eiser zijn gesteld. Op grond van deze kentekenregistraties worden aan eiser diverse boetebeschikkingen en belastingaanslagen opgelegd. Ook wordt de bijstandsuitkering aan eiser stopgezet, omdat hij op grond van het hoge aantal kentekenregistraties geacht wordt ondernemer te zijn. Eiser vecht de kentekenregistraties en de daaruit voortvloeiende gevolgen in rechte aan en dient een klacht in tegen de Staat bij het EHRM. Het EHRM oordeelt dat de Staat artikel 8 EVRM heeft geschonden door, kort gezegd, het rijbewijs na aangifte van vermissing niet ongeldig te verklaren en daardoor misbruik van de identiteit van eiser door derden mogelijk te maken. Eiser, die reeds voor de uitspraak van het EHRM de Staat bij brief aansprakelijk heeft gesteld voor de door hem geleden schade, spreekt de Staat na de EHRM-uitspraak in rechte aan. Zowel rechtbank als hof oordelen dat de (eventuele) aanspraak van eiser op de Staat is verjaard, waarbij zij voorbijgaan aan het betoog van eiser dat de verjaringstermijn van zijn vordering pas na de uitspraak van het EHRM is aangevangen. In cassatie wordt dit verjaringsoordeel door eiser bestreden. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat-generaal overweegt echter dat het de Staat zou sieren zich bij de afweging of al dan niet tot inning van de proceskosten over moet worden gegaan rekenschap te geven van zijn eigen rol en zich niet enkel te laten leiden door wat juridisch wellicht haalbaar is, maar vooral ook door wat maatschappelijk gezien juist zou zijn. De Hoge Raad volgt de conclusie en verwerpt het beroep.
Hoge Raad, 02-11-2018

Rechtspraak

PS 2019-0009

Eiser, werkzaam als onderhoudsmonteur voor Eneco, is onder werktijd staande gehouden door de politie. Er is een discussie ontstaan tussen eiser en de desbetreffende verbalisant. De politiemedewerker heeft naar aanleiding van het voorval contact opgenomen met Eneco en gezegd dat het gedrag van eiser jegens de politie geen goede reclame voor Eneco zou zijn. Daarna is eiser door Eneco niet meer ingezet als onderhoudsmonteur. Eiser stelt dat de politiemedewerker die hem staande had gehouden door het doen van genoemde mededelingen jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat de politie op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de hierdoor aan hem toegebrachte schade. De schade bestaat uit € 19.050,52 inkomstenderving en € 3.000 reputatieschade. Niet in geschil is dat de gedraging van de politiemedewerker een onrechtmatige daad oplevert. De kantonrechter oordeelt dat er een causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige daad en de schade. Het totale bedrag aan misgelopen inkomsten wordt vastgesteld op € 18.879,25, welk bedrag ter zake van geleden materiële schade wordt toegewezen. Voor zover eiser betoogt dat hij psychische schade heeft geleden door het voorval, heeft hij echter onvoldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit dat geestelijk letsel kan volgen. Om van geestelijk letsel te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. De vordering tot immateriële schadevergoeding is daarom als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar. 
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-10-2018

Rechtspraak

PS 2019-0010

Kort geding. Letselschade. De kantonrechter heeft bij eerdere beschikking voor recht verklaard dat gedaagden (werkgever eiser en directeur van de bv) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door eiser geleden schade. Eiser is tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden (het schoonmaken van dakgoten) vijf meter naar beneden gevallen met een partiële dwarslaesie tot gevolg. Eiser stelt dat de geleden materiële en immateriële schade tot en met december 2018 € 250.000 bedraagt. Alleen al voor de komende vijf jaren heeft eiser een budget nodig van € 100.000. Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met kosten ter zake van eventueel nieuw te treffen voorzieningen op het gebied van wonen, mobiliteit en rechtsbijstand. Eiser begroot zijn vordering uit hoofde van schade ten gevolge van de val thans op ruim € 1.400.000. Eiser maak thans aanspraak op een bedrag van € 500.000. Hoewel het kort geding zich niet leent voor het vaststellen van de omvang van de schade, is voorshands evident dat de uiteindelijke schade in de tonnen zal lopen. Het ligt dan ook in de rede om eiser een substantieel voorschot toe te kennen. Gelet echter op de terughoudendheid die geboden is bij het toewijzen van een geldvordering in kort geding, acht de voorzieningenrechter een voorschot van € 500.000 voorshands te hoog. Een voorschot van € 250.000 daarentegen acht de voorzieningenrechter in dit stadium reëel en zó aannemelijk, dat het restitutierisico als verwaarloosbaar is aan te merken.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 18-12-2018

Rechtspraak

PS 2019-0012

Appellant stelt dat hij herhaaldelijk last heeft van ernstige geluidsoverlast uit het buurthuis (in gebruik door een vereniging) in het naastgelegen pand. Appellant stelt dat de geluidsoverlast onrechtmatig is jegens hem. Ook de gemeente zou onrechtmatig jegens appellant handelen door vanuit haar positie als overheid en haar positie als verhuurder onvoldoende op te treden tegen de door de vereniging veroorzaakte geluidsoverlast. Naast verschillende verboden voor de vereniging heeft appellant ook gevorderd de gemeente te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 6.399,18 aan appellant vanwege de schade die aan de woning van appellant is veroorzaakt door werkzaamheden met een trilplaat in de steeg; de vereniging en de gemeente hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de vermogensschade die appellant heeft geleden als gevolg van gederfde omzet en bedrijfsresultaten van zijn eenmanszaak; en van de door appellant geleden immateriële schade, nader op te maken bij staat. Appellant heeft gesteld dat hij door dit onrechtmatige handelen schade heeft geleden doordat hij door de veelvuldige geluidsoverlast te kampen heeft gehad met onrust, gespannenheid, prikkelbaarheid, concentratieproblemen en slaapstoornissen. Het hof verbiedt de vereniging nadere overtredingen van geluidsnormen te maken en veroordeelt de vereniging tot het vergoeden van de materiële en immateriële schade die appellant als gevolg van door vereniging veroorzaakte onrechtmatige geluidsoverlast heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 11-12-2018

Rechtspraak

PS 2019-0002

Tussen eisers en gemeente lopen meerdere bestuursrechtelijke procedures die gaan over het perceel van eisers en het daarnaast gelegen perceel van familie A. Eisers stellen het volgende. Het feitenrelaas betreft een onjuiste en door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard in de zin van artikel 6:167 lid 1 BW en ook de uitlatingen van de gemeente tijdens de zitting van de Raad voor Journalistiek betreffen een dergelijke publicatie. De betreffende publicaties zijn bezijden de waarheid en zetten eisers publiekelijk weg als querulanten. Eisers worden hierdoor in hun eer en goede naam aangetast, als gevolg waarvan zij (reputatie)schade hebben geleden. Eisers vorderen de gemeente te bevelen zich met onmiddellijke ingang te onthouden van gelijksoortige uitlatingen aan het adres van eisers, rectificaties te plaatsen op de website van de gemeente en rectificaties te plaatsen in verschillende lokale kranten en de gemeente te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ex artikel 6:106 lid 1 sub b BW ter grootte van € 10.000, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen. De rechtbank oordeelt dat niet gebleken is dat sprake is geweest van een niet juiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard en dat genoemde uitlatingen niet onrechtmatig worden geacht. De vorderingen worden afgewezen en de gevorderde immateriële schadevergoeding wegens de door eisers gestelde reputatieschade is gelet op het voorgaande evenmin toewijsbaar.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 21-11-2018

Rechtspraak

PS 2019-0016

Deelgeschil. Verzoeker heeft een ontsmettingsbehandeling in de productieruimte van verweerder 1 uitgevoerd met ozon. Verzoeker heeft te hoge waardes ozon in de fabrieksruimte vastgesteld en is tot ontruiming overgegaan. Gedurende zijn inspectie- en ontruimingswerkzaamheden is verzoeker blootgesteld aan hoge concentraties ozon. Verzoeker droeg geen adembeschermingsmiddelen. Verzoeker heeft klachten ontwikkeld direct na het ozoninademingsincident, bestaande uit onder meer ernstige benauwdheid en hyperventilatie. Verzoeker is arbeidsongeschikt geraakt voor zijn functie. Een deskundige heeft geoordeeld dat er geen medische verklaring kan worden gevonden voor de klachten. Verzoeker verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat er een causaal verband bestaat tussen de klachten en het ozoninhaleringsincident en dat verweerders hoofdelijk gehouden zijn om de hierdoor reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden. Er is discussie tussen partijen of de werknemer de volledige bewijslast ingevolge artikel 150 Rv draagt. De rechtbank oordeelt dat volgens de regels er een vermoeden is dat, indien de zojuist genoemde feiten komen vast te staan, de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. In de deelgeschilprocedure is er geen ruimte om deze vraag te beantwoorden. De verzochte verklaring voor recht wordt daarom op grond van het bepaalde bij artikel 1019z Rv afgewezen. 
Rechtbank Overijssel, 19-11-2018

Rechtspraak

PS 2019-0007

De staatssecretaris van VWS heeft eind 2013 op grond van de toenmalige Kwaliteitswet zorginstellingen (Kwz) een aanwijzing aan een zorginstelling gegeven. De zorginstelling vordert in dit geding bij de burgerlijke rechter vergoeding van schade die de zorginstelling stelt te hebben geleden als gevolg van een, naar de zorginstelling stelt, onrechtmatig besluit van een overheidsorgaan (de Aanwijzing). De bestuursrechter heeft in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure over de rechtmatigheid van dit besluit geoordeeld. De bestuursrechter heeft daarbij de inhoud, de totstandkoming en de bevoegdheid tot het geven van het besluit getoetst. Volgens vaste rechtspraak is dan het uitgangspunt dat de burgerlijke rechter in een latere (schadevergoedings)procedure aan het inhoudelijke oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van het besluit is gebonden en niet in de juistheid van dit oordeel kan treden. De ABRvS heeft in zijn uitspraken duidelijk overwogen dat de staatssecretaris wel op basis van het rapport van de Inspectie mocht besluiten dat de zorginstelling tijdelijk geen zorg meer mocht verlenen (in zoverre voldeed de Aanwijzing aan de wettelijke eisen), maar dat de Aanwijzing niet voldeed aan artikel 8 lid 2 Kwz. De Aanwijzing was dus onrechtmatig. De instelling stelt dat haar vennoten vermogensschade hebben geleden, doordat de exploitatie van de instelling volledig is beëindigd. De exploitatieschade stelt zij op € 246.000 voor 2014, 2015 en 2016. Daarnaast stellen de vennoten dat zij immateriële schade hebben geleden doordat de Aanwijzing – met hun namen daarin vermeld – is gepubliceerd en vervolgens is opgepikt door de media. Hierdoor is de goede naam van de vennoten ernstig geschaad en hebben zij ernstige gevolgen ervaren in hun privésfeer. De vennoten hebben te maken gehad met negatieve reacties binnen hun gemeenschap en sociale omgeving. Ook hebben de vennoten nog steeds last van het feit dat hun naam tot op heden in verband met deze kwestie naar boven blijft komen op het internet, bijvoorbeeld bij het solliciteren naar een nieuwe baan. De rechtbank acht het causaal verband tussen de gestelde schade en de onrechtmatige daad niet bewezen en wijst de vorderingen af.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12-12-2018