Deelgeschil. De vrouw is een ongeval overkomen toen zij op een paard reed van een kennis, tijdens een paardrijles op de manege (manage in de uitspraak). Door het ongeval dat ontstond doordat het paard een onverwachte beweging maakte waardoor de vrouw is gevallen, heeft de vrouw een incomplete dwarslaesie opgelopen. De vrouw heeft de manege aansprakelijk gesteld. De vrouw is van mening dat de manege aansprakelijk is voor haar schade op grond van artikel 6:181 BW, omdat de manege als bedrijfsmatig gebruiker van het paard aangemerkt kan worden. De kennis van de vrouw (hierna: de bezitter van het paard) en de manage hadden mondeling een stallingsovereenkomst gesloten die inhield dat het paard het gehele jaar gestald werd bij de manage. De bezitter betaalde hier een bedrag voor en zij kreeg geen vergoeding van de manege voor het gebruik van het paard. Uit de verklaring van de bezitter blijkt dat het paard niet door de manage gebruikt werd als lespaard. De vrouw had met de manage een lesovereenkomst en had aangeven gebruik te maken van haar ‘eigen’ paard. Daarvoor maakte zij, met toestemming van de bezitter, gebruik van het paard. Het contact over het paard ging niet via de manege maar via de bezitter. Doordat de manege het paard niet kon inzetten voor lessen en zij geen rechtstreeks contact had met de bezitter over de inzet van het paard, had de manege geen zeggenschap over het paard. Van grote verbondenheid tussen het paard en de manage is ook geen sprake. Het paard was alleen gestald bij de manage. Het enkele feit dat het paard al jaren gestald was bij de manege, maakt niet dat er daardoor sprake is van grote verbondenheid tussen het paard en de manege. Daarnaast waren de bezitter en de vrouw het beste in staat om de risico’s tijdens de les te minimaliseren en schade te voorkomen. Dat kon de manege niet. De manege kon niet bepalen wie er op het paard mocht rijden en kon het paard ook niet inzetten voor lessen. Daardoor kon zij ook geen maatregelen nemen om het risico op schade te voorkomen. Rekening houdend met de genoemde gezichtspunten is de rechtbank van oordeel dat de manege niet kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker in de zin van artikel 6:181 BW. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht, dat de manege als bedrijfsmatig gebruiker kan worden aangemerkt, afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 22-07-2026