Naar boven ↑
8.615 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0139

Strafrecht. Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan verschillende zeer ernstige strafbare feiten. Zo heeft hij in opdracht van medeverdachte in de periode van februari 2022 tot en met april 2022 brandgesticht aan auto’s, bedrijfsbussen en panden met als doel om de medeverdachte verzekeringsgeld uitgekeerd te laten krijgen. De dag na het plegen van de laatste vier brandstichtingen, heeft verdachte zich aan een poging tot moord schuldig gemaakt. In opdracht van medeverdachte is hij op 11 april 2022 naar het vakantiepark gegaan waar het slachtoffer, de partner van de medeverdachte, verbleef. Voor het om het leven brengen van het slachtoffer werd verdachte een geldbedrag van € 50.000 in het vooruitzicht gesteld. Het slachtoffer heeft ernstig letsel overgehouden aan de poging tot moord. Zo is er sprake van blijvende schade op neurologisch gebied, waardoor het slachtoffer beperkt is in het gebruik van haar armen. Dagelijkse bezigheden zijn daardoor geen vanzelfsprekendheid meer. Ook beperkt het letsel haar in sterke mate in het kunnen zorgen voor haar twee kinderen. Daarnaast is er op psychiatrisch gebied sprake van een posttraumatische stressstoornis. Een deskundige heeft vastgesteld dat er sprake is van deels blijvende invaliditeit. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij heeft een bedrag van € 100.000 aan smartengeld gevorderd. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en de aard en de ernst van het letsel is het hof van oordeel dat het letsel van het slachtoffer valt onder categorie 5.1a ‘(Zeer) ernstig nekletsel’, onder II van de Rotterdamse schaal. Het hof beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht een bedrag van € 75.000 voor dit letsel billijk. De door de benadeelde partij opgelopen posttraumatische stressstoornis beschouwt het hof als het secundair letsel. De posttraumatische stressstoornis zoals bij de benadeelde partij is gediagnosticeerd, valt naar het oordeel van het hof onder categorie 14.2 ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS)’, onder b ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Op basis daarvan is in beginsel een bedrag van € 37.500 billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een bedrag van € 17.500. Het hof past de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 25% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel. Tot slot past het hof de aanbeveling toe om de bedragen te verhogen met 15%, omdat het slachtoffer op 11 april 2022 een jongvolwassen vrouw was van 28 jaar oud. Gezien het voorgaande komt het hof tot een vaststelling van een bedrag aan immateriële schade die het gevorderde bedrag van € 100.000 overschrijdt. De vordering kan in hoger beroep niet worden verhoogd en het hof wijst de vordering daarom toe tot het maximale bedrag dat is gevorderd, te weten € 100.000.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0138

Strafrecht. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 3 juni 2023 een snelle motorboot heeft bestuurd. Het slachtoffer was zijn passagier en deze zat telkens voorin de boot. Verdachte beschikte niet over het vereiste vaarbewijs en hij wist dat hij onvoldoende kennis en ervaring had om de snelle motorboot te besturen. Hij heeft de gehele middag deze boot bestuurd en heeft ondertussen meerdere blikjes bier genuttigd. De gehele middag heeft hij veel te snel gevaren met de boot. Hij voer vaak met de boot in plané (met de punt van de boot omhoog, boven het water uit). De verdachte heeft tussen de 30 en 40 kilometer per uur gevaren. Bij het naderen van de lage burg heeft hij zijn snelheid niet verminderd of afgestopt, waardoor zijn boot lager zou komen te liggen en er meer tijd was om te acteren op de lage brug. Ook heeft hij het slachtoffer niet tijdig gewaarschuwd en heeft zich er niet van vergewist dat het slachtoffer laag genoeg zat alvorens onder de burg door te varen. Hierdoor is het slachtoffer met zijn hoofd tegen een draagbalk van de brug gekomen en heeft hij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het slachtoffer heeft een bedrag gevorderd van in totaal € 37.218,16 ter vergoeding van materiële schade en € 50.000 ter vergoeding van immateriële schade. De rechtbank oordeelt dat het slachtoffer in aanmerking komt voor immateriële schadevergoeding gezien de ernst van het letsel. De rechtbank zal naar billijkheid de hoogte van deze schade vaststellen en heeft hierbij acht geslagen op hetgeen in de vordering is aangevoerd en op de Rotterdamse schaal en aansluiting gezocht bij de categorie voor toekenning van smartengeld bij de categorie middelzwaar hersenletsel, waarbij het concentratievermogen en het geheugen zijn aangetast en er een verminderd vermogen is om arbeid te verrichten. In dit geval acht de rechtbank het gevorderde bedrag aan schadevergoeding van € 50.000 billijk. De rechtbank acht het beroep op eigen schuld aan de kant van het slachtoffer onvoldoende onderbouwd.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 05-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0137

Strafrecht. De verdachte reed als bestuurder van een bedrijfsauto op de weg, komende vanaf de rotonde. De weg waarop hij reed is een voorrangsweg. Vlak na de rotonde is door middel van het bord ‘Beverwijk’ aangegeven dat de weg waarop hij reed binnen de bebouwde kom ligt. Langs de weg is met een verkeersbord aangegeven dat de maximumsnelheid 50 kilometer per uur bedraagt. Op de kruising is een fietsoversteekplaats. De weg maakt hier een flauwe bocht. Vlak voor de fietsoversteekplaats staat een waarschuwingsbord en er ligt een verkeerskussen (een verhoging in het wegdek). Het 14-jarige slachtoffer stond met haar fiets bij de fietsoversteekplaats. Zij stak op haar fiets de weg over en verleende geen voorrang aan de verdachte. De verdachte is met zijn bedrijfsauto tegen de fiets van het slachtoffer aan gebotst. Het slachtoffer is vier dagen na het ongeval overleden aan het letsel dat zij als gevolg van het ongeval had opgelopen. Uit onderzoek van de politie volgt dat de verdachte op het moment van het ongeval 72 tot 79 kilometer per uur reed. Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte blijkt ook dat de verdachte in ieder geval tot één minuut voor het ongeval meerdere handelingen op zijn telefoon heeft verricht. De verdachte wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW. De moeder, de vader, de broer en het zusje van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De ouders hebben beide een vordering van € 18.500 aan immateriële schadevergoeding wegens schokschade ingediend. De rechtbank is van oordeel dat beide vorderingen voldoende zijn onderbouwd. De broer van het slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding van € 36.000 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schokschade (€ 18.500) en affectieschade (€ 17.500). De vordering tot shockschade wordt toegewezen omdat deze voldoende is onderbouwd. Echter wordt de benadeelde partij in zijn vordering tot affectieschade niet-ontvankelijk verklaard. Uit de toelichting op de vordering kan worden opgemaakt dat de benadeelde partij een hechte band had met zijn overleden zusje. De raadsvrouw heeft echter onvoldoende onderbouwd dat sprake is van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat de benadeelde partij zich met succes kan beroepen op de hardheidsclausule. Tot slot vordert het zusje van het slachtoffer een bedrag van € 18.500 aan immateriële schokschade. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van het zusje voldoende met stukken is onderbouwd, de vordering wordt in zijn geheel toegewezen.
Rechtbank Noord-Holland, 16-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0135

In deze zaak vordert de man dat zijn zus wordt veroordeeld tot betaling van smartengeld, omdat zijn zus hem de mogelijkheid zou hebben ontnomen afscheid te nemen van hun overleden moeder. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De man legt, in de kern, het volgende aan zijn grieven ten grondslag. Hij heeft ernstige immateriële schade geleden doordat hij de kerk vóór afloop van de afscheidsdienst heeft moeten verlaten op verzoek van de uitvaartverzorger, welk verzoek is gedaan namens de zus. Dit verzoek was in strijd met artikel 6:162 BW en met artikel 8 EVRM, dat recht geeft op het uitoefenen van ‘family life’, en daarom onrechtmatig jegens hem. De man is door de publiekelijke weigering ernstig geschaad, psychisch getekend en blijvend geraakt in zijn rouwproces. Ter onderbouwing van zijn emotionele schade wijst de man er (onder meer) op dat hij een hernia heeft. Het hof bevestigt dat het recht om afscheid te nemen van een overleden ouder een fundamenteel onderdeel is van het in artikel 8 EVRM verankerde recht op ‘family life’. Dit mensenrecht kan doorwerken in de verhouding tussen broer en zus via de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Of de zus heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt als bedoeld in artikel 6:162 BW, moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Volgens het hof kon de man er niet op vertrouwen dat hij was uitgenodigd voor de afscheidsdienst. Gegeven de verstoorde familieverhoudingen en in het bijzonder het conflict dat tussen de twee kinderen bestond, had de man dat kunnen navragen bij zijn zus. De man heeft dat niet gedaan en is zonder vooraankondiging in de kerk verschenen. Het hof gaat ervan uit dat tussen de man en de zus een pijnlijk misverstand is ontstaan over het al dan niet welkom zijn van de man bij de afscheidsdienst. Dit maakt het handelen van de zus echter nog niet onrechtmatig. Niet is gebleken dat het handelen van de zus in strijd was met de ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Het voorgaande betekent dat de zus niet gehouden is tot betaling van schadevergoeding aan de man. Daarbij is het van belang dat er een alternatieve mogelijkheid tot het nemen van afscheid had kunnen zijn, maar de wens om persoonlijk afscheid te nemen was niet kenbaar gemaakt.
Gerechtshof Amsterdam, 24-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0134

In 2019/2020 is tussen de eiser en de gedaagde een geschil ontstaan over (de overdracht van) een perceel grond. Daarover lopen verschillende gerechtelijke procedures tussen hen. Op 12 oktober 2020 heeft de gedaagde aan de eiser gevraagd om naar buiten te komen om in gesprek te gaan over het geschil, er is toen tussen de partijen een handgemeen ontstaan. De eiser heeft diezelfde dag aangifte gedaan van zware mishandeling. In deze zaak vordert de eiser aansprakelijkheid aan de kant van de gedaagde. De gedaagde is bij vonnis van 4 juli 2022 strafrechtelijk veroordeeld voor – voor zover hier van belang – poging tot zware mishandeling van de eiser. Het vonnis van de politierechter is in kracht van gewijsde gegaan. Gelet op de genoemde omstandigheden van het geval staat de mishandeling van de eiser door de gedaagde in rechte vast. Dit leidt tot de conclusie dat de gedaagde in beginsel onrechtmatig jegens de eiser heeft gehandeld. De gedaagde doet echter een beroep op noodweer. De rechtbank volgt dit verweer niet, het is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een noodzakelijke verdediging. De eiser stelt dat hij immateriële schade (psychisch letsel, wonden in zijn gezicht) en materiële schade heeft opgelopen door de onrechtmatige daad. De rechtbank is van oordeel dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de onrechtmatige daad mogelijk materiële en/of immateriële schade heeft geleden. De schade kan thans niet worden begroot, deze dient nader te worden opgemaakt bij staat. Op grond van de getuigenverklaringen is voldoende komen vast te staan dat de eiser, ook nadat hij door de gedaagde was geslagen, naar de grond was gewerkt en was getrapt, de confrontatie met de gedaagde bleef opzoeken, hij zich niet liet tegenhouden door omstanders, dat hij de gedaagde in het gezicht spuugde en dat hij de spiegel en de ruitenwisser van de auto van de gedaagde vernielde. Dit geeft volgens de rechtbank een reden om 25% van de schade voor rekening van de eiser te laten. Er is onvoldoende gebleken van feiten en omstandigheden die tot een andere verdeling van schade op grond van de billijkheidscorrectie moeten leiden. Dat betekent dat voor recht zal worden verklaard dat de gedaagde voor 75% aansprakelijk is voor de door de eiser geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade.
Rechtbank Gelderland, 04-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0133

In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de Staat aansprakelijk is wegens onrechtmatige geweldsaanwending tegen de gedetineerde tijdens zijn detentie in de penitentiaire inrichting (PI). Op de gedetineerde rust in beginsel de stelplicht en de bewijslast van de gestelde mishandeling en de daardoor geleden schade. Dit is anders als uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. De rechtbank oordeelt dat deze zaak onvoldoende aanleiding geeft om de bewijslast om te keren. De rechtbank stelt voorop dat zij bij de beoordeling van de vraag of de Staat aansprakelijk kan worden gehouden wegens onrechtmatige geweldsuitoefening jegens de gedetineerde van de thans aanwezige stukken moet uitgaan, aangezien in dit deelgeschil geen plaats is voor nadere bewijslevering. Uit de door de Staat overgelegde verklaringen blijkt dat de gedetineerde weigerde mee te werken aan een (verplichte) medische intake door een verpleegkundige van de medische dienst en dat hij boos en opstandig was, wat zich uitte in het uitschelden en bedreigen van het aanwezige personeel van de PI. De rechtbank ziet geen aanwijzingen om eraan te twijfelen dat de betrokken PI-medewerkers eerst hebben geprobeerd de situatie te de-escaleren en hebben geprobeerd de gedetineerde tot bedaren te brengen en pas daarna tot toepassen van fysieke druk zijn overgegaan. Op grond van het huidige dossier blijkt niet dat het tegen de gedetineerde toegepaste geweld buitenproportioneel is geweest. De verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 05-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0132

Een man is in augustus 2019 aangehouden door de politie. Hij is daarbij meerdere keren beschoten door de politie, waardoor hij gewond is geraakt en medische behandeling nodig had. In deze zaak staat de vraag centraal of de politie op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade die de man hierdoor heeft geleden. De rechtbank stelt voorop dat het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel door te schieten met een vuurwapen in principe onrechtmatig is. Dat is anders is als daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat, zoals wanneer de betrokken politieambtenaren op grond van de wet en de daarop berustende lagere regelgeving en beleid bevoegd waren om hun dienstwapen te gebruiken of wanneer zij handelden uit noodweer. De stelplicht en bewijslast van de feiten liggen bij de politie. Op grond van artikel 7 lid 1 van de Politiewet is een politieambtenaar bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken. Bij de beoordeling van het handelen van politieagenten in gevallen als het onderhavige, moet terughoudendheid worden betracht. De rechter mag niet, achteraf oordelend, zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van een politieagent ‘in de hitte van de strijd’. Beoordeeld moet worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen of zelfs had moeten maken. De politie heeft zijn standpunt onderbouwd met onderzoek gedaan door de Rijksrecherche. De man heeft onder meer naar voren gebracht dat ernstig getwijfeld moet worden aan de onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van het onderzoek, omdat een deel van het onderzoek is verricht door een team van de Rijksrecherche en onder leiding van een officier van justitie werkzaam bij een parket die beide banden hebben met politieagenten die waren betrokken bij de aanhouding van de man. De rechtbank volgt de man hierin niet. De rechtbank ziet geen aanleiding voor nadere bewijslevering door (een van de) partijen en evenmin om het onderzoek en het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt aan te merken als onbetrouwbaar, niet-onafhankelijk of anderszins onbruikbaar. De rechtbank zal dit proces-verbaal dan ook, voor zover nodig, gebruiken voor de verdere beoordeling. Daarnaast komt de rechtbank tot de conclusie dat het handelen van de agenten voldoet aan de vereisten van artikel 7 van de Politiewet en artikel 7 van de Ambtsinstructie. De politie is niet aansprakelijk en de rechtbank wijst alle vorderingen van de man af.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0131

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een aanslag op een woning. Medeverdachte 2 gaf medeverdachte 1 de opdracht om een zwaar explosief bij de woning te laten ontploffen. Medeverdachte 1 weigerde dit zelf te doen, maar regelde dat verdachte het zou uitvoeren. Verdachte voerde de opdracht vervolgens uit in ruil voor een vergoeding van € 300 en een halve gram cocaïne. De aanslag heeft zeer ernstige gevolgen gehad voor de bewoners. Het leven van het gezin, bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter, is in één klap drastisch veranderd en totaal op zijn kop gezet. De moeder raakte bij de ontploffing zwaargewond en liep zeer ernstig beenletsel op. Hierdoor zal de moeder haar leven lang ernstig beperkt blijven in haar mobiliteit. De vader trof de moeder zwaargewond aan en vreesde dat de moeder het niet zou overleven. Door de explosie heeft de vader gehoorschade opgelopen en kampt de vader nog steeds met tinnitusklachten. De twee kinderen, beide jonge tieners, zagen de moeder zwaargewond in de hal van de woning liggen en waren bang dat de moeder zou overlijden. Naast het fysieke letsel van de moeder en de vader hebben alle gezinsleden ernstige psychische klachten ontwikkeld. De moeder en de vader hadden jarenlang een stabiele baan, maar zijn door het incident arbeidsongeschikt geraakt en zijn tot op heden niet in staat om weer te werken. De moeder heeft lichamelijk en geestelijk letsel overgehouden aan het ongeval, zij heeft een beenamputatie moeten ondergaan en heeft PTSS. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 200.000. Aan de vader wordt een bedrag aan immateriële schade van € 40.000 toegewezen. Daarnaast komt de vader een bedrag van € 17.500 aan affectieschade toe. Zijn partner heeft ernstig en blijvend letsel opgelopen; om die reden heeft hij recht op vergoeding van affectieschade. De kinderen van het slachtoffer, de moeder, vorderen beiden een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade en shockschade. Daarnaast vorderen zij een bedrag van € 17.500 aan shockschade. Voor beide gevallen acht de rechtbank een bedrag van € 25.000 billijk voor de in totaal gevorderde immateriële schade en de shockschade tezamen. Tot slot acht de rechtbank in beide gevallen het gevorderde bedrag aan affectieschade billijk. In alle gevallen heeft de rechtbank bij het begroten van immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Bij de schatting heeft de rechtbank de aard van de aansprakelijkheid (opzetdelict) meegenomen, maar heeft zij de 25% opslag uit de aanbeveling niet een-op-een overgenomen. De 25% opslag is namelijk een aanbeveling en geen vaststaand gegeven. De rechtbank kent naast immateriële schade ook diverse materiële schadevorderingen toe. Ten aanzien van het gevorderde verlies van arbeidsvermogen volgt een niet-ontvankelijkheidverklaring.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 03-03-2026