Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0328

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag gericht tegen een destijds 16-jarige jongen door hem met een mes in zijn buik te steken, ten gevolge waarvan het slachtoffer levensbedreigend gewond is geraakt. Dit door verdachte uitgeoefende geweld vond ogenschijnlijk plaats zonder enige aanleiding. Het slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij zowel fysiek als geestelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde stukken, voor het fysieke letsel categorie 4.9. onder c (sub 2) en categorie 10 onder b van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt en voor het geestelijke letsel betreft dit categorie 14.2 onder d. Daarnaast kijkt de rechtbank ook naar de hoogte van de schadevergoedingen die worden toegekend in soortgelijke zaken. In de onderhavige zaak kent de rechtbank bij het bepalen van het toe te wijzen bedrag ook gewicht toe aan de jonge leeftijd van het slachtoffer (de benadeelde partij). De rechtbank acht alles afwegende een bedrag van € 60.000 aan immateriële schadevergoeding billijk en zal dat bedrag dan ook toewijzen. Het neefje van het slachtoffer, die aanwezig was bij de steekpartij, heeft zich ook gevoegd als benadeelde partij. Voldoende is komen vast te staan dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen door zijn confrontatie met de schokkende gebeurtenis. Er is bij hem PTSS vastgesteld. De rechtbank neemt categorie 14.2 onder d van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de jonge leeftijd van de benadeelde partij zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. De rechtbank acht een bedrag van € 6.875 billijk en zal dat bedrag toewijzen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 14-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0327

Strafrecht. De verdachte heeft zich samen met ten minste één ander schuldig gemaakt aan een kille en professionele liquidatie en een poging daartoe door middel van twee volautomatische vuurwapens. De moeder van het overleden slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Haar affectieschade wordt vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Zij vordert ook vergoeding van shockschade: deze vordering wordt door de rechtbank afgewezen. De gevorderde shockschade is enkel onderbouwd met een beknopte toelichting van de benadeelde partij zelf. Hieruit komt onder meer naar voren dat de benadeelde partij door het overlijden van haar zoon zichtbaar en ingrijpend is geraakt. Zij heeft zeer veel verdriet en zit in een diep rouwproces. Op basis van deze toelichting kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat haar zoon heeft opgelopen. Ook de broer van het overleden slachtoffer vordert vergoeding van shockschade. De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat de broer traumatische klachten heeft ontwikkeld, die een zeer negatieve weerslag op de kwaliteit van zijn leven hebben. Ook hier kan echter niet worden vastgesteld of er sprake is van geestelijk letsel dat is ontstaan als gevolg van een emotionele schok door de directe confrontatie met het dodelijk letsel dat zijn broer heeft opgelopen. De partner van de moeder van het overleden slachtoffer doet een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Dit slaagt echter niet. De partner kreeg in 2018 een relatie met de moeder, toen het overleden slachtoffer niet meer thuis woonde. Hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld, geeft weliswaar blijk van een warme familieband, maar niet dat dit een naar aard en intensiteit dusdanig nauwe persoonlijke relatie was, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste moet worden aangemerkt. De stiefvader van het overleden slachtoffer doet een beroep op artikel 6:108 lid 4 onder e BW. De stiefvader kan naar het oordeel van de rechtbank echter geen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade op voornoemd artikel omdat er op het moment van overlijden geen sprake was van duurzame zorg in gezinsverband. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onderlinge verhouding als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 onder g BW: het slachtoffer en zijn stiefvader zijn bijna twintig jaar lang gezinsleden van elkaar geweest en de stiefvader beschouwt het slachtoffer als zijn eigen zoon. Van belang is bovendien dat het slachtoffer op de stiefvader terugviel op het moment dat hij geen verblijfplaats had en ook bij hem woonde op het moment dat hij is komen te overlijden. Krachtens het Besluit vergoeding affectieschade heeft hij daarmee recht op een bedrag van € 17.500.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 09-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0326

Strafrecht. Vrijspraak moord, veroordeling doodslag. De moeder en twee zoons van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De verdediging heeft volstaan met een betwisting van de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat de vorderingen twee dagen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling zijn ingediend. De verdediging stelt dat als een vordering niet binnen een termijn van veertien dagen voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ter kennis van de verdediging is gebracht, de verdediging in de regel zal kunnen volstaan met een betwisting zonder onderbouwing, met als gevolg de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de betwiste onderdelen van de vordering. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit standpunt in dit geval niet op. De vorderingen van de benadeelde partijen bestaan uit affectieschade en een factuur van de uitvaartkosten. De factuur is eenvoudig van aard en het kenmerk van affectieschade is dat deze wordt gevormd door forfaitaire bedragen voor een afgebakende kring van gerechtigden. Gelet op de aard van de vorderingen, de beperkte complexiteit ervan en de geringe omvang van de onderbouwing die eraan ten grondslag ligt, is de verdediging voldoende tijd gegund om behoorlijk te reageren. De benadeelde partijen zijn dan ook ontvankelijk in hun vorderingen. De benadeelde partijen krijgen hun affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 09-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0325

Strafrecht. Hoge Raad. Vordering benadeelde partij ter zake van affectieschade. Kan de stiefvader van het overleden slachtoffer worden aangemerkt als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 BW? De Hoge Raad overweegt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies. Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij in 1983 als stiefvader deel is gaan uitmaken van het gezin waarin het toen 13-jarige slachtoffer tot zijn 20e levensjaar opgroeide, en dat het slachtoffer ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 niet meer ‘thuiswonend’ was. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat stiefouders ‘naar de letter’ niet onder de in artikel 6:108 lid 4 BW bedoelde personen vallen, maar dat uit een motie uit 2016 zou blijken dat stiefouders ‘dezelfde bedragen ter vergoeding van affectieschade krijgen als biologische ouders’. Op grond hiervan heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade tot het bedrag van € 17.500 toegewezen. Dit door het hof overgenomen oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is volgens de Hoge Raad van belang dat onvoldoende kan worden afgeleid op welke in artikel 6:108 lid 4 BW vermelde grond en op welke door de rechtbank vastgestelde omstandigheden de rechtbank de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder c BW geldt dat in deze bepaling de stief- of pleegouder niet is opgenomen. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder e BW geldt dat uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 al geruime tijd niet meer duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer had. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW geldt dat de rechtbank geen nadere feiten heeft vastgesteld over de intensiteit, aard en duur van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij die een beroep op deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling kunnen dragen. Dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet de wens naar voren komt dat – zoals ten aanzien van pleegouders uiteindelijk ook is vastgelegd in de in artikel 6:108 lid 3 BW bedoelde algemene maatregel van bestuur – ouders en stiefouders, als de wet aan hen een aanspraak geeft op vergoeding van affectieschade, aanspraak kunnen maken op bedragen van gelijke hoogte, maakt dit alles niet anders. Het cassatiemiddel slaagt. Een hernieuwde behandeling van de zaak om uitsluitend hierover opnieuw te oordelen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De Hoge Raad bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Hoge Raad, 14-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0323

Deelgeschil. In 2023 is een vrouw op een bakfiets betrokken geraakt bij een eenzijdig ongeval. Zij is ten val gekomen, waarbij zij onder meer letsel aan haar hoofd heeft opgelopen. De vrouw stelt dat zij ten val is gekomen doordat de remmen niet meer functioneerden, waardoor er sprake zou zijn van een gebrekkig product. Zij heeft verschillende partijen aangesproken, waaronder de verkoper, het bedrijf dat de bakfiets in het verkeer heeft gebracht en het bedrijf dat haar naam aan de fiets verbonden heeft. Deze partijen voeren afzonderlijk verweer. De rechtbank overweegt dat uit de stukken niet blijkt hoe de vrouw precies ten val is gekomen en op welke plek. De conclusie is dan ook dat bij deze stand van zaken te veel onduidelijkheden bestaan die wel van belang zijn voor de beoordeling van de toedracht van het ongeval. Dat betekent dat in dit deelgeschil de toedracht niet kan worden vastgesteld. Daar komt bij dat er weliswaar aanwijzingen zijn dat er sprake is geweest van het niet of verminderd functioneren van de remkabels, maar dat in deze procedure niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de remwerking zodanig was verminderd dat de vrouw in het geheel niet meer kon remmen. Uit het voorgaande volgt dat zonder nadere instructie niet op het verzoek kan worden beslist. De met een dergelijke instructie gepaard gaande tijd en moeite, hoogstwaarschijnlijk in de vorm van getuigenverhoren en mogelijk deskundigenonderzoeken, staan naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de kans dat een vaststellingsovereenkomst tot stand zal komen.
Rechtbank Gelderland, 03-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0322

In 2016 heeft op een onbewaakte spoorwegovergang te Winsum een aanrijding tussen een Arriva-trein en een melkwagen plaatsgevonden. De WAM- en cascoverzekeraar van de eigenaar van de melkwagen heeft de schaderegeling met Arriva en haar verzekeraar op zich genomen. De WAM- en cascoverzekeraar heeft ProRail aansprakelijk gesteld voor de schade, zowel voor haar verzekerde als voor Arriva (in subrogatie). De rechtbank heeft ProRail voor 40% van de gevorderde schade aansprakelijk geoordeeld en de eigenaar van de melkwagen en Arriva ieder voor 30%. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank. Het hof overweegt dat het enkele feit dat de spoorwegovergang onbewaakt was niet maakt dat er sprake was van gevaarzetting en daarmee onrechtmatig handelen door ProRail. De voornaamste feitelijke oorzaak van de schade is de gedraging van de chauffeur van de melkwagen, die op een hem bekende overgang, terwijl hij handsfree met een collega-chauffeur aan het bellen was via de telefooninstallatie, tegen de zijkant van de trein van Arriva is aangereden. ProRail heeft echter eerder toegezegd de status van de niet-beveiligde overweg uiterlijk in januari 2016 aan te pakken. Dit weegt mee in de Kelderluik-toets: het verandert als het ware het kantelpunt in de noodzaak en urgentie om maatregelen te nemen. Vertraging door andere partijen levert geen overmacht op. Het hof komt uiteindelijk tot een ander oordeel over de aansprakelijkheid voor de schade. De eigenaar van de melkwagen (en daarmee haar verzekeraar) wordt in dit geval uit oogpunt van causaliteit en billijkheid voor 80% aansprakelijk geacht. ProRail is aansprakelijk voor 20%. Een aansprakelijkheid van ProRail voor de schade van Arriva is niet aan de orde.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 30-06-2026