Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0429

In 2014 is een huurster gevallen van een vlizotrap. Zij heeft daarbij letsel opgelopen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de verhuurder aansprakelijk is voor de letselschade en dat zij samen met de verzekeraar verplicht is de materiële en immateriële schade van de huurster te vergoeden. Dit vonnis is door het gerechtshof bekrachtigd. Partijen zijn sindsdien in onderhandeling over de afwikkeling van de schade van de huurster. De huurster verzoekt nu de kantonrechter om voorlopige deskundigenberichten te bevelen met benoeming van een neuroloog en een neuropsycholoog. De huurster stelt dat haar schade en het causaal verband tussen haar klachten en beperkingen en het ongeval moeten worden vastgesteld. Partijen komen hier niet uit, waardoor zij ook niet komen tot een gezamenlijke opdracht aan de deskundigen. De verhuurder en verzekeraar verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. Volgens hen blijkt uit de overgelegde medische informatie dat de huurster voor het ongeval ook al kampte met (ernstige) psychische klachten en vermoeidheidsklachten en wil de huurster niet de door de verzekeraar ter beoordeling hiervan nodig geachte medische informatie verstrekken. De kantonrechter stelt dat niet snel sprake is van een situatie dat het niet overleggen van gevraagde medische informatie leidt tot afwijzing van het gevraagde voorlopige deskundigenbericht. De kantonrechter wijst de verzoeken toe van de huurster. Het verzoek is niet prematuur, zoals de verhuurder en de verzekeraar betogen. Dat de verzekeraar op basis van de verstrekte medische informatie (nog) niet kan vaststellen of de gestelde klachten het gevolg zijn van het ongeval, leidt niet tot de conclusie dat de huurster daarom geen belang heeft bij de gevraagde onderzoeken. Er is door de huurster informatie overgelegd. Verder is het juist aan de deskundige om op basis van de anamnese en de beschikbare medische informatie, eventueel aangevuld met door de deskundige op te vragen nadere informatie, een antwoord te geven op de voorgelegde vragen, die onder meer een licht kunnen werpen op de vraag of er causaal verband bestaat tussen de gestelde klachten en het ongeval. Een neuroloog en neuropsycholoog worden benoemd. Aan de neuroloog wordt de IWMD-vraagstelling voorgelegd.
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 07-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0428

Kort geding. In 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een scooterrijder en een fietser. De destijds 17-jarige scooterrijder had voorrang moeten krijgen. Zelf reed hij 30 km/u waar de adviessnelheid 15 km/u was. De verzekeraar van de fietser heeft aansprakelijkheid erkend. De verzekeraar heeft aangegeven slechts twee derde van de schade te vergoeden vanwege de snelheid van de scooterrijder en het betriebsgefahr. De scooterrijder stelt dat hij als gevolg van het ongeval chronische klachten heeft en dat hij in totaal € 70.470 aan schade heeft geleden. Hij beroept zich in het kader van de causaliteit op de omkeringsregel. Hij verzoekt dat de verzekeraar veroordeeld wordt tot betaling van een voorschot van € 32.000. De verzekeraar voert verweer en stelt dat de scooterrijder de schadeposten en het causaal verband met het ongeluk onvoldoende heeft onderbouwd, waardoor niet is komen vast te staan dat sprake is van méér schade dan de schade die al door haar is vergoed. De voorzieningenrechter volgt de verzekeraar hierin. Uit de summiere medische informatie uit 2022 en 2023 kan niet worden afgeleid dat de man ook op dit moment nog klachten ervaart die voortvloeien uit het ongeval en die de door hem gestelde, maar niet met de juiste stukken onderbouwde, schadeposten veroorzaken. Over 2024 en 2025 zijn in het geheel geen medische gegevens overgelegd. Zonder aantoonbare schade kan aan eventuele toepassing van een omkeringsregel ten aanzien van het causaal verband niet worden toegekomen. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de schade, als die er nog is, (deels of geheel) voortvloeit uit de vastgestelde schildklieraandoening van de scooterrijder. De vordering van de scooterrijder wordt afgewezen. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de scooterrijder de door hem gestelde schade (en het causaal verband) dient te objectiveren met stukken, zoals ook door de verzekeraar verschillende keren gevraagd. Dat kan bijvoorbeeld door stukken en verklaringen van artsen, zijn (voormalig) werkgever en (voormalig) leraren over te leggen waaruit een en ander blijkt. Uit de thans overgelegde stukken blijkt die objectivering onvoldoende.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 09-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0426

Strafrecht. De verdachte heeft zijn 22-jarige partner circa 258 keer gestoken/gesneden, waardoor zij is overleden. Het zoontje, de moeder en de jongere zus van het overleden slachtoffer hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. De rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen in drie tabellen verwerkt. Het zoontje krijgt slechts € 10.000 van de gevorderde € 88.011,53 toegewezen qua levensonderhoud tot 21 jaar. De rechtbank overweegt dat dit een substantiële vordering van complexe aard is waarvan de omvang zich niet eenvoudig laat vaststellen. Partijen moeten de gelegenheid krijgen om hier een debat over te voeren, waarvoor in deze procedure geen ruimte is. Aan de orde zouden onder meer kunnen komen de vraag in hoeverre uitkeringen die eiser tot zijn 21e zal ontvangen, overlappen met deze schadepost. De rechtbank vergoedt daarom schattenderwijs een deel. De € 30.000 aan gevorderde immateriële schade voor aantasting in de persoon is niet-ontvankelijk. De rechtbank stelt vast dat niet kan worden vastgesteld of het zoontje, die pas enkele weken oud was toen zijn moeder overleed, geestelijk letsel heeft ondervonden. Gesteld wordt dat het kindje moet opgroeien zonder moeder, daardoor in de toekomst psychisch letsel zal ontwikkelen, en daarom recht heeft op schadevergoeding. Voor zover deze schadepost overlapt met affectieschade (elders gevorderd), is deze niet-ontvankelijk. Andere schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad jegens de overledene komt – gelet op het limitatieve en exclusieve karakter van artikel 6:108 BW – niet voor vergoeding in aanmerking. De moeder van het overleden slachtoffer vordert € 40.000 aan schokschade, maar krijgt maar € 5.000 toegekend. De rechtbank overweegt dat de post slechts summier is onderbouwd maar dat het aannemelijk is, gelet op het ernstig zichtbare letsel van het slachtoffer, dat de moeder een heftige emotionele schok heeft ondervonden bij de confrontatie met het lichaam. De jongere zus van het slachtoffer vordert € 20.000 aan schokschade. Zij krijgt net zoals haar moeder maar € 5.000 toegekend.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 30-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0423

Deelgeschil. Een man was op basis van een zee-arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam in de functie van painter. Hij is tewerkgesteld op een zeeschip. Dit zeeschip is overvallen door een groep piraten, waarbij de man is gegijzeld. De man is tijdens beschietingen gewond geraakt door kogels in zijn linkerarm en linkerbeen en is door de piraten vier weken vastgehouden in de jungle. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat de werkgever jegens de man aansprakelijk is voor de door de man gleden en te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de gijzeling. De man verzoekt nu dat de werkgever gelast wordt om mee te werken aan een onafhankelijk deskundigenonderzoek, ter verkrijging van een diagnose. Daarnaast heeft de man verzocht om voor recht te verklaren dat de op te stellen rapportage als uitgangspunt dient voor de (verdere) berekening van het verlies aan arbeidsvermogen. Verder heeft hij verzocht om een betaling van een voorschot van € 100.000. In de loop van de procedure hebben partijen overeenstemming bereikt over de benoeming van een psychiatrisch deskundige en de vraagstelling, waarna de man de eerste twee verzoeken heeft ingetrokken. In het aanvullende verzoekschrift verzoekt de man dat de werkgever wordt gelast om mee te werken aan een onafhankelijk arbeidsdeskundig onderzoek, te verrichten door een door de rechtbank aan te wijzen arbeidsdeskundige, ter bepaling van het verlies aan arbeidscapaciteit van de man. De kantonrechter is van oordeel dat het (nieuwe) verzoek van de man om de werkgever te gelasten mee te werken aan een arbeidsdeskundig onderzoek zich niet (meer) leent voor beoordeling in het kader van de onderhavige deelgeschilprocedure. Dit verzoek wordt daarom afgewezen. De kantonrechter kent wel een aanvullend voorschot van € 30.000 toe.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18-07-2025

Rechtspraak

PS 2025-0421

Een schilder is in 2021 van een balkon gevallen. De werkgever is naar aanleiding van dit ongeval door de strafrechter veroordeeld. In een eerder tussenarrest heeft het hof partijen de gelegenheid gegeven om het arrest waarbij is beslist op het hoger beroep tegen het strafvonnis in het geding te brengen, het hof te laten weten of cassatieberoep wordt ingesteld tegen (hetgeen het geval is) dit arrest en om zich over de betekenis van het arrest voor deze procedure uit te laten. Omdat het strafarrest nog niet onherroepelijk is, levert het arrest geen dwingend bewijs van de in dat arrest bewezen verklaarde feiten als bedoeld in artikel 161 Rv. Het hof beoordeelt de feiten in de zaak zonder van de dwingende bewijskracht van het strafarrest uit te gaan. Het hof oordeelt dat de werkgever niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht. De werkgever heeft onvoldoende veiligheidsmaatregelen getroffen. Er is geen sprake van bewuste roekeloosheid aan de kant van de schilder. De werkgever is aansprakelijk. De vordering van de schilder als benadeelde partij in de strafprocedure is door de strafkamer van het hof toegewezen tot een totaalbedrag van € 84.784,26. Het hof overweegt dat het strafarrest nog niet onherroepelijk is geworden doordat de werkgever inmiddels cassatieberoep tegen het strafarrest heeft ingesteld. Reeds op die grond kan de werkgever zich niet op het gezag van gewijsde van het strafarrest beroepen. Ook als het cassatieberoep in de strafzaak wordt afgewezen en de veroordeling benadeelde partij in de strafzaak in stand blijft, geldt dat de gevorderde schadevergoeding in de strafzaak slechts gedeeltelijk is toegewezen en dat [geïntimeerde] voor het overige in zijn vorderingen niet-ontvankelijk is verklaard. De werkgever kan zich, ten aanzien van het gedeelte van de vordering waarover in de strafzaak niet inhoudelijk is beslist, niet op het gezag van gewijsde van het strafarrest beroepen (artikel 236 lid 1 Rv). Van belang is dat de strafrechter enkel voor bepaalde posten een voorschot op de schadevergoeding heeft toegewezen. Dit betekent dat voor zover in deze procedure (ten overstaan van de civiele rechter) een hoger bedrag wordt toegewezen, dit hogere bedrag verschuldigd is. Dit geldt ook voor zover in een eventuele schadestaatprocedure nog bedragen worden toegewezen voor de ná 31 december 2023 geleden schade. Praktisch gezien betekent dit dat de totale door de werkgever te betalen schadevergoeding de volledige in deze civiele procedure toegewezen en nog toe te wijzen bedragen zijn (inclusief de toegewezen wettelijke rente) en hij deze bedragen dus moet betalen aan [geïntimeerde].
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 22-07-2025