Eindarrest na tussenarrest. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het hof gaat ervan uit dat de appellant voor 2 januari 2009 bekend had kunnen zijn met de identiteit van de aansprakelijke partij. Dat betekent dat de verjaringstermijn van drie jaar vóór de stuitingshandeling op 2 januari 2012 was verstreken. In zoverre treft het hoger beroep van de appellant geen doel. Het hof heeft het in het vorige arrest overwogen dat de appellant het standpunt heeft ingenomen dat het beroep op verjaring van de wederpartij in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel dat de wederpartij dit recht heeft verwerkt. Het hof heeft partijen gevraagd om met legal opinions inzake het toepasselijke Poolse recht hun standpunt hierover te onderbouwen en daarbij uitdrukkelijk de door het hof opgesomde omstandigheden die de appellant in dit kader heeft aangevoerd, te betrekken. Partijen zijn het er, onder verwijzing naar de op dit punt overeenstemmende legal opinions, over eens dat alleen wanneer naar Pools recht sprake is van misbruik van recht, een geslaagd beroep op verjaring kan worden afgewezen. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een geslaagd beroep op misbruik van recht rechtvaardigen. Het gaat hier weliswaar om een vordering tot vergoeding van personenschade, maar de redenen voor de vertraging bij het instellen van die vordering heeft de appellant niet althans onvoldoende duidelijk gemaakt. Sinds het ongeval zijn meer dan drie jaar verstreken tot de appellant op 2 januari 2012 de verjaring heeft gestuit. De medische situatie, zonder verdere toelichting, biedt hiervoor een onvoldoende verklaring. De omstandigheden die betrekking hebben op de periode nadat de verjaring was voltooid leiden, voor zover daar al betekenis aan toekomt bij de beoordeling van de vraag of naar Pools recht sprake is van misbruik van recht, niet tot een ander oordeel. Zoals namens de wederpartij is uiteengezet en door de appellant niet althans onvoldoende gemotiveerd is weersproken, geldt naar Pools recht dat de omstandigheid dat een verzekeraar, in een poging om in goede trouw tot een buitengerechtelijke oplossing te komen, mede ter voorkoming van een gerechtelijke procedure, met een benadeelde in onderhandeling is getreden terwijl diens vordering al is verjaard, niet maakt dat die vordering toch weer in rechte afdwingbaar zou worden. Ook dan resteert er naar Pools recht slechts de natuurlijke verbintenis. Het hof benadrukt dat het niet gaat om de vraag of sprake is van handelen ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid’ maar, zoals hiervoor is overwogen, om de vraag of het beroep op verjaring naar Pools recht misbruik van recht oplevert. Het hoger beroep slaagt niet.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 13-01-2026