Naar boven ↑
8.873 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0406

Strafrecht. De verdachte heeft zijn ex-partner in haar woning vermoord door haar met een dolk tientallen malen te steken. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van 6.255 kinderpornografische afbeeldingen en video’s. De vader, de moeder en de zus van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De vader en moeder vorderen beide € 17.500 aan immateriële schade (affectieschade). De zus vordert € 20.000 aan immateriële schade (shockschade). De rechtbank is van oordeel dat de vader en de moeder als ouders van het slachtoffer recht hebben op affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW. De rechtbank zal dan ook een bedrag van € 17.500 aan affectieschade toewijzen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat voor de shockschade aan alle criteria is voldaan. De zus heeft het slachtoffer moeten identificeren en zij is daardoor direct geconfronteerd met de schokkende wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht. Dit is te meer invoelbaar nu het gaat om haar zus en zij blijkens het dossier een nauwe affectieve band met elkaar hadden. Verder is door de zus voldoende onderbouwd dat zij door de directe confrontatie met het verminkte lichaam van haar zus PTSS en een recidiverende depressieve stoornis heeft opgelopen. Ook heeft zij de woning van haar zus moeten opruimen en schoonmaken. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 20.000 volledig toe.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 07-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0404

De man heeft een boottocht gemaakt. Tijdens de tocht zit de man op een zitplaats met een verhoogde ondergrond waar zijn voeten op rusten. Verder is zijn zitplaats, anders dan de andere zitplaatsen in de boot, niet voorzien van een stalen beugel om zich aan vast te houden. Als de boot op hoge snelheid vaart, raakt de man los van zijn zitplaats, komt ten val en breekt een ruggenwervel. Sindsdien kampt hij met zenuwpijn aan beide benen. Deze pijn heeft impact op zowel zijn werkende als privéleven. Ten tijde van het ongeval was het boottochtbedrijf verzekerd. Deze zaak gaat over de vraag of de verzekeraar zich namens zijn verzekerde, het boottochtbedrijf, kan beroepen op de wettelijke limiet die geldt voor de aansprakelijkheid van de vervoerder van personen over binnenwateren. De rechtbank oordeelt dat dit inderdaad het geval is. De reden hiervoor is dat het boottochtbedrijf als vervoerder in de zin van de wet moet worden beschouwd. Verder kan niet worden vastgesteld dat het boottochtbedrijf bewust roekeloos heeft gehandeld, is er geen sprake van rechtsverwerking aan de zijde van de verzekeraar en is het beroep op deze limiet ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarnaast gaat deze zaak over de vraag of de man aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en van wettelijke rente over het bedrag van de limiet. De rechtbank oordeelt dat de man geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten maar wel op vergoeding van wettelijke rente.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0403

De werknemer was in dienst bij de werkgever als Operator in de dieselcentrale. Tijdens het bijvullen van smeerolie was er een explosie. De werknemer heeft hier erge pijn aan zijn oor en angsten aan overgehouden. Deze zaak gaat in de kern om de vraag of de voormalige werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer stelt te hebben geleden (I) als gevolg van het bedrijfsongeval en (II) tijdens zijn werkzaamheden na het bedrijfsongeval. De werkgever stelt dat de vordering is verjaard, in ieder geval voor zover deze ziet op de schade die de werknemer stelt te hebben geleden als gevolg van het bedrijfsongeval. Vast staat dat de werknemer op 25 januari 2008 betrokken is geweest bij een bedrijfsongeval. De werknemer heeft de werkgever echter pas in 2022 aansprakelijk gesteld. Volgens de werknemer geldt echter een verjaringstermijn van twintig jaar, omdat hij in 2008 nog niet bekend was met de omvang en de permanente aard van de schade. Uit alle stukken volgt dat direct na het bedrijfsongeval al sprake was van gehoorklachten en dat de werknemer daarmee bekend was. Daarnaast stelt de werknemer dat het beroep op de verjaringstermijn van vijf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het gerecht volgt de werknemer hierin niet, er zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die een beroep op verjaring onaanvaardbaar maken. Dit brengt mee dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard. Met betrekking tot de aansprakelijkheid voor schade ontstaan na het bedrijfsongeval is het gerecht van oordeel dat de werknemer onvoldoende heeft onderbouwd dat hij, als gevolg van het handelen en nalaten van de werkgever dan wel de werkomstandigheden na het bedrijfsongeval, schade heeft geleden. De vorderingen van de werknemer worden afgewezen.
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 01-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0402

Deelgeschil. Als voorbereiding op uitzending heeft de werkneemster in opdracht van haar werkgever een meerdaagse HEAT-course gevolgd bij het trainingsinstituut. Onderdeel van de training was een simulatie waarbij cursisten dekking moesten zoeken onder geweervuur. Tijdens die simulatie is de werkneemster ten val gekomen waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterenkelgewricht. Volgens de werkneemster zijn voorafgaand aan de simulatieoefening onvoldoende instructies gegeven. Daarnaast stelt de werkneemster dat de oefening plaatsvond in een omgeving die onvoldoende veilig was ingericht. Hoewel vastgesteld kan worden dat de instructie ‘dive to the ground’ is gegeven en ook vastgesteld kan worden dat de werkneemster zich daar niet aan heeft gehouden, is het van belang om vast te stellen of er vóór de simulatie andere, tegenstrijdige instructies zijn gegeven waar de werkneemster zich vervolgens wél aan heeft gehouden. Daarbij acht de kantonrechter mede van belang dat tijdens de simulatie gebruik werd gemaakt van geweerschoten in een nagebootste gevaarsituatie. Niet uitgesloten is dat een dergelijke setting aanleiding kan geven tot schrik-, stress- of paniekreacties en daarmee tot onvoorspelbaar gedrag van deelnemers. Juist daarom kan de inhoud van de vooraf gegeven instructies van betekenis zijn voor de beoordeling of er maatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs noodzakelijk waren om schade te voorkomen. Partijen verschillen wezenlijk van mening over de inhoud van de instructies en over de vraag welke aandacht voorafgaand is besteed aan de risico’s van het terrein en aan de wijze waarop deelnemers daarop moesten reageren. Daarnaast verschillen partijen van mening over de omstandigheden van het terrein waarop het ongeval heeft plaatsgevonden. Deze geschilpunten raken rechtstreeks de vraag of de werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Voor de beantwoording daarvan is nadere bewijslevering nodig, dit valt buiten het bestek van de deelgeschilprocedure. Het verzoek zal daarom op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 14-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0401

Deelgeschil. De uitzendkracht is via het uitzendbureau in dienst getreden bij het bedrijf in de functie van inpakker vleesindustrie. Tijdens de werkzaamheden is een collega met een elektrische stapelaar over de voet van de werknemer gereden. De werknemer heeft hierdoor ernstig voetletsel opgelopen. Uit de overgelegde stukken, in het bijzonder de ongevalsrapportage van het bedrijf, blijkt dat de bij het ongeval betrokken elektrische stapelaar niet een arbeidsmiddel was dat binnen de organisatie van het bedrijf gebruikelijk werd ingezet. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt dit nog niet mee dat het gebruik daarvan in strijd was met de zorgplicht. Wel is van belang dat de organisatie (van de veiligheid) kennelijk niet op het gebruik van dit type stapelaar was ingericht. Juist als een werkgever een van de gebruikelijke situatie afwijkend arbeidsmiddel inzet, dient de werkgever zich ervan te vergewissen dat dit arbeidsmiddel veilig binnen de bestaande werkomgeving kan worden gebruikt. Het uitzendbureau en het bedrijf hebben niet betwist dat de op hen rustende zorgplicht is geschonden. Daarom staat de aansprakelijkheid van beide werkgevers vast. Daarnaast oordeelt de kantonrechter dat uit de stukken de aansprakelijkheid van het bedrijf kan worden aangenomen. De stapelaar reed ten tijde van het ongeval achteruit. Voor de werknemer was toen zijn zicht door hoog opgestapelde kratten beperkt. Daarnaast staat vast dat er geen spiegels waren geplaatst op de stapelaar. Na het ongeval zijn er maatregelen getroffen om het zicht te verbeteren. De kantonrechter oordeelt dat van het bedrijf verwacht had mogen worden dat het maatregelen nam. Nu het bedrijf dat heeft nagelaten, heeft het zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW, geschonden. Het verzochte voorschot aan smartengeld wordt toegewezen. De kantonrechter verklaart voor het recht dat beide werkgevers aansprakelijk zijn op grond van artikel 7:658 BW.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 24-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0400

Conclusie A-G D.J.C. Aben. De verdachte is in confrontatie gekomen met een groep die een vrijgezellenfeest had. Na deze confrontatie heeft de verdachte vijf keer geschoten in de richting van deze groep waardoor een slachtoffer in zijn buik is geraakt en als gevolg daarvan is komen te overlijden. Twee andere slachtoffers zijn gewond geraakt aan hun armen. Het derde middel is gericht tegen de beslissing van het hof dat ziet op het toewijzen van de gevorderde affectieschade en de oplegging van de daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel op basis van artikel 6:108 lid 3 jo. lid 4 onder g BW. De A-G zet het beoordelingskader van deze artikelen uiteen. De benadeelde partij die een beroep doet op artikel 6:108 lid 4 onder g BW dient zelf aan te tonen dat zij ten tijde van het overlijden met het slachtoffer een hechte en affectieve relatie had. De enkele vorm van de relatie of de enkele vaststelling dat er een relatie bestond die valt onder een van de door de wetgever genoemde voorbeelden is niet voldoende, nu de relatie feitelijk aan de hand van de aard, intensiteit en duur moet worden beoordeeld. De feitenrechter dient te beoordelen of in voldoende mate is komen vast te staan dat zich een uitzonderingsgeval voordoet en de benadeelde partij als naaste kan worden aangemerkt, waarbij rekening moet worden gehouden met indringendheid van de argumenten waarmee de vordering door de verdediging is tegengesproken. De A-G concludeert dat het oordeel van het hof dat er sprake is geweest van een hechte en affectieve relatie tussen het slachtoffer en zijn stiefzoon, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De A-G neemt in aanmerking dat de benadeelde partij ruimschoots uiteengezet heeft wat de aard, duur en intensiteit van de relatie is geweest. Tot slot wijst de A-G erop dat de benadeelde partij slechts twee maanden voor het overlijden van het slachtoffer op zichzelf is gaan wonen. Twee maanden eerder kon hij zich dus eenvoudig beroepen op het onder e bedoelde geval. Hoewel de tekst van artikel 6:108 lid 4 sub g BW duidelijk vereist dat voor de vaststelling van de aard van de relatie het tijdstip van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer is komen te overlijden bepalend is, neem de A-G voor de vraag of ’s hof oordeel begrijpelijk is in aanmerking dat de benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat de hechte persoonlijke relatie twee maanden eerder nog zou kunnen worden verondersteld en in de korte tijd nadien niet (wezenlijk) is veranderd. Het middel faalt volgens de A-G.
Parket bij de Hoge Raad, 01-09-2026