In 2022 is een destijds 11-jarig meisje gebeten door een hond in haar linkeronderbeen. Het meisje is hiervoor medisch behandeld. De wonden zijn genezen, maar zij heeft blijvende littekens, waarvan eentje kuilvormig is. De eigenaar van de hond heeft het meisje na de beet naar huis begeleid en een aantal van haar kosten vergoed. Hij heeft geen wettelijke aansprakelijkheidsverzekering. De ouders van het meisje vragen de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de eigenaar aansprakelijk is voor de schade. Ook vragen zij onder meer als voorschot een vergoeding van € 5.000 voor immateriële schade. De eigenaar van de hond is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij de schade al heeft vergoed door onder meer de materiële kosten te betalen van (ongeveer) € 60. Bovendien vertrouwde hij erop dat de kwestie al was afgehandeld, zeker omdat hij al lange tijd niets meer had gehoord. Verder wijst hij erop dat het een schrikreactie van zijn hond was en dat het meisje eigen schuld heeft aan het incident, waardoor hij sowieso niets meer hoeft te betalen. De kantonrechter overweegt dat het niet uitmaakt of de hond uit schrik reageerde of niet. Het gaat erom of de hond schade heeft veroorzaakt. Omdat de man de bezitter van de hond is, is hij (risico)aansprakelijk voor de schade die door de beet is ontstaan. Het argument van de man dat hij erop mocht vertrouwen dat de zaak was afgerond, omdat de ouders de vergoeding van de materiële kosten hebben geaccepteerd en hij daarna lange tijd niets meer van hen heeft gehoord, slaagt niet. De vordering is niet verjaard. Ook zijn er geen omstandigheden waaruit volgt dat hij erop mocht vertrouwen dat de ouders geen schadevergoeding meer zouden vragen. Ze hebben dat nooit gezegd, en door de vergoeding van de materiële kosten te accepteren hebben ze ook niet de indruk gewekt dat ze het erbij zouden laten zitten. De kantonrechter volgt hem ook niet in het eigenschuldverweer. Het meisje stond stil op haar fiets in de steeg. En ook als zij niet stilstond maar daar zou hebben gefietst terwijl dat daar niet mocht, betekent dat nog niet dat zij zich op zo’n manier heeft gedragen dat de schade (deels) voor haar eigen rekening moet blijven. Zij heeft de hond bijvoorbeeld niet opgehitst. De kantonrechter oordeelt dat het meisje recht heeft op een vergoeding van haar immateriële schade. Het meisje heeft verteld dat de psychische gevolgen voor haar gelukkig niet groot zijn geweest. Zij heeft door de beet maar één nacht slecht geslapen en is ook niet bang geworden voor honden in het algemeen. Wel heeft ze het steegje een tijd vermeden, maar dat is niet zo erg. De littekens zijn wel jammer, zo heeft ze verteld, want die zie je als ze een korte broek of rok aanheeft. Het gaat bij de vaststelling van het smartengeld dus met name om de littekens. Om de hoogte van het smartengeld vast te stellen, wordt de Rotterdamse schaal gebruikt. Alles afwegend vindt de kantonrechter een smartengeldvergoeding van € 3.000 daarom passend.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10-07-2026