Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0337

Deelgeschil. In 2021 is een vrouw als passagier betrokken geraakt bij een aanrijding toen de bestuurder van de auto op enig moment de macht over het stuur verloren is. Als gevolg van dit ongeval heeft de vrouw ernstig letsel opgelopen. Zij verzoekt de rechtbank onder meer voor recht te verklaren dat de WAM-verzekeraar van de auto waar zij in zat volledig aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg daarvan lijdt. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, maar voert aan dat aan de vrouw een percentage eigen schuld (25%) moet worden toegerekend: enerzijds omdat zij tijdens het ongeval geen gordel droeg en anderzijds omdat zij is ingestapt bij een bestuurder die onder invloed van alcohol verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat aan de vrouw een percentage eigen schuld moet worden toegerekend. De vrouw had drie minuten de tijd om haar gordel om te doen. Dat zij dus geen enkele gelegenheid zou hebben gehad om haar gordel om te doen is niet aannemelijk. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het dragen van een gordel de kans op ernstig letsel bij aanrijdingen aanzienlijk vermindert. Dat het in dit specifieke geval anders zou zijn, zoals de vrouw stelt, heeft zij niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende momenten geweest waarop de vrouw en de bestuurder dicht bij elkaar in de buurt zijn geweest. Gelet op het hoge alcoholpromillage in het bloed van de bestuurder kan het niet anders dan dat de bestuurder uiterlijke kenmerken vertoonde waardoor voor anderen, en dus ook voor de vrouw, kenbaar was dat hij onder invloed van een zodanige hoeveelheid alcohol was, dat hij geen auto meer mocht (en kon) besturen. Dit had de vrouw ervan moeten weerhouden bij hem in de auto te stappen. De rechtbank is wel van oordeel dat bij de causaliteitsafweging geldt dat aan de bestuurder een aanzienlijk groter deel van de omstandigheden moet worden toegerekend. De bestuurder is namelijk onder invloed van alcohol en zonder dat hij over een geldig rijbewijs beschikte, met een snelheid van ongeveer 100 km/u (terwijl 50 was toegestaan) over een in het midden van de weg gelegen groenstrook gereden waardoor hij op de andere weghelft in botsing kwam met een tegenligger. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake is van een percentage eigen schuld van 40%. Een billijkheidscorrectie is op zijn plaats. Er is sprake van een zeer ernstig verkeersongeval. Als gevolg van het ongeval heeft de vrouw ernstig letsel opgelopen, waaronder een gecompliceerde heupfractuur, een heupluxatie, een dijbeenfractuur en een armfractuur. De vrouw heeft als gevolg van het letsel gedurende langere tijd moeten revalideren. Daarbij geldt dat zij ook nu nog altijd klachten ervaart en dat zij niet verzekerd is voor haar schade. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een billijkheidscorrectie van 15% passend is. De schadevergoedingsverplichting van de verzekeraar bedraagt 75%.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 15-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0336

Deelgeschil. In 2016 is een automobilist van achteren aangereden door een andere auto. De WAM-verzekeraar van deze andere auto heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De automobilist stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvend letsel heeft opgelopen, bestaande uit pijnklachten aan de nek, schouder en rug, hoofdpijnklachten, cognitieve klachten, psychische klachten en slaapproblemen. Ten tijde van het ongeval werkte de automobilist in loondienstverband als magazijnmedewerker en als zelfstandige in de avonduren als schoonmaker van scholen en kantoren. Na het ongeval is hij voor beide werkzaamheden uitgevallen. De WAM-verzekeraar heeft in de periode vanaf het ongeval tot medio 2020 in totaal een bedrag van € 56.000 op de materiële schade bevoorschot. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten heeft zij € 30.000 bevoorschot. De schaderegeling is vastgelopen. Partijen verschillen onder andere van mening over het eventuele verrekenen van de door de man ontvangen transitievergoeding (€ 20.866,37 bruto). Volgens de man is dat in deze zaak niet redelijk. De rechtbank overweegt dat er sprake is van causaal verband tussen het ongeval en het recht op transitievergoeding. Dat bij een later ontslag de transitievergoeding hoger zou zijn geweest, is geen omstandigheid die dit anders maakt. Indien de automobilist in dienst zou zijn gebleven, staat immers niet vast dat zijn dienstverband uiteindelijk zou zijn beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst en het uitkeren van een transitievergoeding of door, bijvoorbeeld, het zelf opzeggen van de arbeidsovereenkomst. De vraag is vervolgens of sprake is van een verkregen voordeel. De rechtbank acht van belang dat de transitievergoeding naar haar aard strekt tot compensatie voor het ontslag en de kosten voor de transitie naar een andere baan. De vergoeding dekt dus deels eventuele schade bestaande uit verlies aan inkomen na het ontslag. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarmee voldoende aanleiding deze te betrekken in de berekening van het verlies aan verdienvermogen bij de schadeafwikkeling. Anderzijds acht de rechtbank van belang dat de vergoeding wordt berekend op basis van de duur van het dienstverband en daarmee ook een tegemoetkoming is om de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te verzachten. In die zin heeft de vergoeding, naar het oordeel van de rechtbank, ook iets in zich van een compensatie voor het verlies van een baan in bredere zin dan enkel in financieel opzicht. De rechtbank acht dan ook redelijk om over te gaan tot verrekening van 50% van de netto verkregen transitievergoeding. De rechtbank overweegt verder dat er geen sprake is van een onzorgvuldige of anderszins schadetoebrengende handelswijze aan de zijde van de WAM-verzekeraar.
Rechtbank Gelderland, 10-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0334

In 2020 heeft een destijds 21-jarige bestuurder van een auto een eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt. Hij reed tegen een boom, waarbij hij ernstig letsel (incomplete dwarslaesie) heeft opgelopen, net als de andere drie inzittenden van de auto. De auto was in eigendom van een bv waar de vader van de bestuurder indirecte medeaandeelhouder en medebestuurder van was. De bestuurder reed met toestemming van zijn vader in de auto. De bestuurder wenst de door hem geleden en te lijden schade te verhalen op de WAM- en cascoverzekeraar van de auto. Deze verzekeraar wenst op haar beurt de door haar uitgekeerde schadebedragen te verhalen op de bestuurder. De rechtbank wijst de vordering van de bestuurder af. Het door de bestuurder weigeren van een bloedproef leidt in dit geval op grond van de polisvoorwaarden tot geen recht op uitkering. Het aanbod van de bestuurder om alsnog uitslagen van het ziekenhuis van een bloedafname, te weten zijn bloedwaardes van de bewuste avond, te overleggen leidt niet tot een ander oordeel. Dit maakt namelijk de eerdere weigering om mee te werken aan het bloedonderzoek niet ongedaan. De bestuurder heeft daarmee verhinderd dat de verzekeraar kon vaststellen of sprake was van alcohol- of drugsgebruik. De verzekeraar heeft onverschuldigde betalingen aan de bestuurder gedaan. Daarnaast mag de verzekeraar op grond van artikel 15 lid 1 WAM de uitkeringen die zij heeft gedaan aan de andere inzittenden verhalen op de bestuurder, omdat hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. De door de verzekeraar betaalde cascoschade aan de auto komt ook voor rekening van de bestuurder.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 24-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0332

In 2022 is een destijds 11-jarig meisje gebeten door een hond in haar linkeronderbeen. Het meisje is hiervoor medisch behandeld. De wonden zijn genezen, maar zij heeft blijvende littekens, waarvan eentje kuilvormig is. De eigenaar van de hond heeft het meisje na de beet naar huis begeleid en een aantal van haar kosten vergoed. Hij heeft geen wettelijke aansprakelijkheidsverzekering. De ouders van het meisje vragen de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de eigenaar aansprakelijk is voor de schade. Ook vragen zij onder meer als voorschot een vergoeding van € 5.000 voor immateriële schade. De eigenaar van de hond is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij de schade al heeft vergoed door onder meer de materiële kosten te betalen van (ongeveer) € 60. Bovendien vertrouwde hij erop dat de kwestie al was afgehandeld, zeker omdat hij al lange tijd niets meer had gehoord. Verder wijst hij erop dat het een schrikreactie van zijn hond was en dat het meisje eigen schuld heeft aan het incident, waardoor hij sowieso niets meer hoeft te betalen. De kantonrechter overweegt dat het niet uitmaakt of de hond uit schrik reageerde of niet. Het gaat erom of de hond schade heeft veroorzaakt. Omdat de man de bezitter van de hond is, is hij (risico)aansprakelijk voor de schade die door de beet is ontstaan. Het argument van de man dat hij erop mocht vertrouwen dat de zaak was afgerond, omdat de ouders de vergoeding van de materiële kosten hebben geaccepteerd en hij daarna lange tijd niets meer van hen heeft gehoord, slaagt niet. De vordering is niet verjaard. Ook zijn er geen omstandigheden waaruit volgt dat hij erop mocht vertrouwen dat de ouders geen schadevergoeding meer zouden vragen. Ze hebben dat nooit gezegd, en door de vergoeding van de materiële kosten te accepteren hebben ze ook niet de indruk gewekt dat ze het erbij zouden laten zitten. De kantonrechter volgt hem ook niet in het eigenschuldverweer. Het meisje stond stil op haar fiets in de steeg. En ook als zij niet stilstond maar daar zou hebben gefietst terwijl dat daar niet mocht, betekent dat nog niet dat zij zich op zo’n manier heeft gedragen dat de schade (deels) voor haar eigen rekening moet blijven. Zij heeft de hond bijvoorbeeld niet opgehitst. De kantonrechter oordeelt dat het meisje recht heeft op een vergoeding van haar immateriële schade. Het meisje heeft verteld dat de psychische gevolgen voor haar gelukkig niet groot zijn geweest. Zij heeft door de beet maar één nacht slecht geslapen en is ook niet bang geworden voor honden in het algemeen. Wel heeft ze het steegje een tijd vermeden, maar dat is niet zo erg. De littekens zijn wel jammer, zo heeft ze verteld, want die zie je als ze een korte broek of rok aanheeft. Het gaat bij de vaststelling van het smartengeld dus met name om de littekens. Om de hoogte van het smartengeld vast te stellen, wordt de Rotterdamse schaal gebruikt. Alles afwegend vindt de kantonrechter een smartengeldvergoeding van € 3.000 daarom passend.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0331

Deelgeschil. In 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto en een bestelbus. De bestelbus is op een tot stilstand gekomen personenauto gebotst. De bestuurster van de personenauto is per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Later is zij overgebracht naar een hospice, waar zij op 71-jarige leeftijd is overleden. De echtgenoot van de overleden vrouw verzoekt de rechtbank onder andere voor recht te verklaren dat de WAM-verzekeraar van de bestelbus aansprakelijk is voor alle overlijdensschade, vermogensschade en affectie- en shockschade die hij lijdt als gevolg van het verkeersongeval. Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat de bestuurder van de bestelbus op grond van artikel 6:162 BW en artikel 19 RVV aansprakelijk is voor de door hem geleden schade. De bestuurder had voldoende afstand moeten houden, moeten anticiperen op de snelheid van zijn vrouw en in staat moeten zijn om zijn voertuig tijdig tot stilstand te brengen. De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak is dat het achter op een auto rijden geen uitzondering rechtvaardigt op de hoofdregel van bewijslastverdeling. Ook is dit onvoldoende basis om aan te nemen dat de bestuurder van de achterste auto een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. De rechtbank kan slechts vaststellen dat de overleden vrouw onder kenbare (verkeers)noodzaak, plotseling en krachtig heeft geremd. Een bestuurder moet weliswaar bedacht zijn op onverwachte gebeurtenissen en ook plotseling en tijdig kunnen anticiperen op afremmend verkeer, maar gelet op de omstandigheden op de weg gaat het te ver om van de bestuurder van de bestelbus te verwachten dat hij zijn voertuig zo onverwachts, zonder enige aanleiding of waarschuwing, geheel tot stilstand kon brengen zonder daarbij de auto van de overleden vrouw te raken. Aangezien niet is komen vast te staan dat de bestuurder van de bestelbus te weinig afstand hield of onoplettend heeft gereden, betekent het enkele feit dat hij achter op de auto van de overleden vrouw is gebotst dus niet dat hij een toerekenbare verkeersfout heeft gemaakt. Er is sprake van een zeer noodlottig ongeval, maar voor de gevolgen daarvan kan de WAM-verzekeraar niet aansprakelijk worden gehouden. De gevraagde verklaring voor recht zal worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 01-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0329

Strafrecht. De verdachte heeft in een psychose een vriendin bij wie hij logeerde doodgestoken. De vader en zus van het overleden slachtoffer hebben zich gevoegd als benadeelde partijen. De vader krijgt zijn affectieschade vergoed conform het Besluit vergoeding affectieschade. Het beroep van de zus op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW slaagt. Er is sprake van een bijzondere en hechte affectieve relatie. Het leeftijdsverschil was minder dan twee jaar. Na het overlijden van hun moeder, toen de benadeelde partij 11 jaar was, zijn zij samen naar een kostschool in Zwitserland gestuurd. Ze spraken de taal niet, waren in een nieuwe omgeving en zaten nog in een rouwproces. Ze mochten om die reden bij wijze van uitzondering een kamer delen en waren hierdoor nog meer op elkaar aangewezen. Hun band werd niet alleen gekenmerkt door wat ze samen deden, maar vooral door wat ze voor elkaar betekenden. Het overleden slachtoffer was niet alleen haar zus, maar ook haar vertrouwenspersoon en steun, waarbij de benadeelde partij altijd volledig zichzelf kon zijn. Vanaf februari 2024 woonde de benadeelde partij ook in een woning naast het overleden slachtoffer. Een andere benadeelde partij heeft zich ook gevoegd: zij vordert een vergoeding van € 1.500 aan shockschade. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij niet direct nadat verdachte het bewezenverklaarde delict had gepleegd, geconfronteerd is geweest met het stoffelijk overschot van het overleden slachtoffer en de verwondingen die op haar lichaam waren aangebracht. Integendeel. Zij heeft het stoffelijk overschot pas bij de condoleance gezien, waarbij niet aannemelijk is dat zij op dat moment werd geconfronteerd met alle verwondingen op het lichaam en evenmin aannemelijk is dat sprake is geweest van een onverhoedse confrontatie. Dat de benadeelde partij later bij het schoonmaken van de woning met bloedspatten van het overleden slachtoffer is geconfronteerd moet heel akelig voor haar zijn geweest, maar ook dit valt niet onder de situaties waarop de Hoge Raad doelt. Reeds op grond van het voorgaande wordt niet voldaan aan de criteria voor schokschade. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom afwijzen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 14-07-2026