Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0450

In 2019 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een motorfiets betrokken was. De bestuurder van de motorfiets stelt dat hij door het ongeval gezondheidsklachten heeft opgelopen en beperkingen ervaart, waardoor hij niet meer (volledig) kan werken. In een eerdere beschikking is vast komen te staan dat de WAM-verzekeraar van de andere bestuurder 75% aansprakelijkheid heeft erkend en dat van de zijde van de bestuurder van de motorfiets sprake is van 25% eigen schuld. Partijen hebben een neuroloog verzocht een neurologisch onderzoek te verrichten. De neuroloog heeft te kennen gegeven dat hij zijn definitieve deskundigenrapport eerst kan afgeven nadat neuropsychologisch onderzoek is verricht. De WAM-verzekeraar verzoekt nu dat de rechtbank voorlopige deskundigenberichten gelast door een neuropsycholoog en een arbeidsdeskundige. De WAM-verzekeraar wil kunnen beoordelen of het zin heeft om de bestuurder van de motorfiets op korte termijn te laten begeleiden door een arbeidsdeskundige naar fulltime betaalde arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige en wil haar proceskansen voor een eventuele civiele bodemprocedure kunnen inschatten. Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de uit te voeren deskundigenonderzoeken, namelijk een neuropsychologisch deskundigenonderzoek, een verzekeringsgeneeskundig deskundigenonderzoek, een arbeidsdeskundig deskundigenonderzoek en een bedrijfseconomisch deskundigenonderzoek. Partijen zijn het ook eens geworden over de te benoemen (personen van de) deskundigen en (grotendeels) de aan de deskundigen voor te leggen vraagstelling. De bevindingen van de neuroloog in zijn (nog af te geven) definitieve rapport kunnen ertoe leiden dat eerst nader (psychiatrisch) deskundigenonderzoek nodig is, voordat kan worden aangevangen met het verzekeringsgeneeskundig onderzoek (en het arbeidsdeskundig en bedrijfseconomisch onderzoek). Partijen zullen de rechtbank daarom na afgifte van het definitieve neurologische rapport berichten of zij hun verzoeken ten aanzien van de uitvoering van de deskundigenonderzoeken handhaven. Dit daargelaten heeft de rechtbank omwille van de voortvarendheid in dit dossier met partijen ter zitting afgesproken dat alvast een verzekeringsgeneeskundig, een arbeidsdeskundig en een bedrijfseconomisch onderzoek zal worden bevolen en dat de door partijen beoogde deskundigen alvast door de rechtbank zullen worden benaderd en zullen worden benoemd indien zij bereid zijn het gevraagde onderzoek uit te voeren. De deskundigen hebben laten weten in staat en bereid te zijn de gevraagde onderzoeken te verrichten.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 01-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0447

Deelgeschil. In 2010 is een 3-jarig jongentje in een kermisattractie met zijn hand tussen de loopband en de vloer terechtgekomen. Door het ongeval heeft de jongen zijn hand gekneusd en had hij op de rug van zijn hand en zijn vingers tweedegraads brandwonden en ontvellingen. Na het ongeval is hij in het ziekenhuis opgenomen. Hij is aan zijn hand geopereerd en er is een huidtransplantatie verricht. De jongen staat nog jaarlijks onder controle bij het Brandwondencentrum in Beverwijk. In 2011 heeft de gemachtigde van de moeder van de jongen namens de jongen de eigenaresse van de kermisattractie aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval. Uit documenten van de NVWA en krantenartikelen blijkt dat een vergelijkbaar ongeval op de loopband in de attractie meerdere keren heeft plaatsgevonden, steeds met (jonge) kinderen. De rechtbank overweegt dat als het gevaar van struikelen en vallen voorzienbaar is, de bedrijfsmatig exploitant van een kermisattractie in verband met de daaraan verbonden risico’s adequate veiligheidsvoorzieningen dient te treffen. Op de exploitant rust een zware zorgplicht ten aanzien van de veiligheidsaspecten van de attractie, te meer als jonge kinderen tot de attractie worden toegelaten. Dat geldt te meer nu van kinderen (en zeker kinderen van 3 jaar oud) slechts een beperkt inzicht in gevaar kan worden verwacht. Het lag dan ook op de weg van de eigenaresse om zodanige voorzieningen te treffen dat het gebruik van de attractie, waarbij kennelijk vallen en struikelen regelmatig voorkomt, geen risico’s zou opleveren voor het ontstaan van ernstig letsel zoals dat bij de jongen is ontstaan. Ook in het geval dat het bekneld raken aan het eind van de loopband een onvoorziene gebeurtenis zou zijn, is de rechtbank van oordeel dat de eigenaresse onvoldoende voorzieningen heeft getroffen. De noodknop bij de kassa was niet snel genoeg en contact maken met de kassamedewerker was moeilijk, mede vanwege de drukte en de harde muziek op de kermis. Ten slotte werkte de sensor onder de loopband kennelijk niet. De attractie voldeed dus niet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld en was dus gebrekkig. De eigenaresse is aansprakelijk.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 05-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0444

Deelgeschil. Een man verzoekt de aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad vast te stellen van (de WAM-verzekeraar van) een vrachtwagencombinatie voor de door hem geleden schade als gevolg van een val in een vrachtwagen. De man stelt dat tijdens zijn werkzaamheden in een laadstation de chauffeur optrok, ondanks dat de trailer in het laaddok ‘vergrendeld’ stond. De kantonrechter is van oordeel dat dit geschil zich niet leent voor een beoordeling in deelgeschil. De man heeft zijn beweerdelijke schade op geen enkele wijze onderbouwd. De WAM-verzekeraar heeft eerder, en ook bij verweerschrift, ter zake verweer gevoerd en om een onderbouwing van het letsel en de schade verzocht. Gelet daarop had van de man verwacht mogen worden dat hij op zijn minst een begin van een onderbouwing in het geding had gebracht van het letsel dat hij zegt te hebben opgelopen en de schade die hij als gevolg daarvan zegt geleden te hebben. Te denken valt bijvoorbeeld aan een uitdraai van het huisartsenjournaal, verslagen van (andere) behandelaars met diagnosestelling en behandelingen, afspraakbevestigingen met behandelaren, nota’s van de ziektekostenverzekering et cetera. Van aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad kan alleen dan sprake zijn als er schade is. Nu de man verzoekt de aansprakelijkheid vast te stellen, maar geen begin van enige onderbouwing van beweerdelijk geleden schade heeft gegeven, kan een verklaring ter vaststelling van de aansprakelijkheid (als die wordt begrepen als ‘stel het onrechtmatig handelen vast’) niet bijdragen aan een verdere oplossing in der minne omdat partijen ook twisten over de toedracht, het mogelijk letsel en de schade.
Rechtbank Gelderland, 27-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0442

Strafrecht. De verdachte heeft het slachtoffer in het bijzijn van haar minderjarige kinderen – destijds dertien en drie jaar oud – tientallen keren met een mes in haar gezicht, hoofd en hals gestoken. De zoon van het slachtoffer heeft zich als benadeelde in het strafproces gevoegd. Het hof stelt vast dat de zoon getuige is geweest van het bewezen verklaarde feit en is geconfronteerd met de ernstige gevolgen daarvan bij het zien van het levenloze lichaam van zijn moeder, het slachtoffer. Bovendien heeft de benadeelde partij de verdachte tijdens het steken geprobeerd te stoppen en van zijn moeder af te trekken, terwijl zij zijn naam riep. Het hof is echter van oordeel dat er sprake is van samenloop van affectieschade en shockschade. In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade. Gelet op het hiervoor overwogene wordt de omvang van de shockschade van de zoon, rekening houdend met de aanspraak op affectieschade, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval – in het bijzonder de omstandigheid dat de benadeelde partij geprobeerd heeft om de verdachte tijdens het steken van het slachtoffer af te trekken en zijn zusje heeft beschermd – en gelet op vergelijkbare gevallen, begroot op € 40.000. De dochter van het slachtoffer voegt zich ook in het strafproces. Het hof is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 20.000 aan affectieschade toewijsbaar is. Daarnaast is de benadeelde partij ongewild getuige geweest van het om het leven brengen van haar moeder door haar vader en is zij geconfronteerd geweest met het levenloze lichaam van het slachtoffer. Namens de benadeelde partij is met stukken onderbouwd dat bij haar sprake is van geestelijk letsel, dat gelet op de aard en de gevolgen, ernstig is. De dochter komt daarom in aanmerking voor shockschade. Het hof is echter – overeenkomstig het hiervoor overwogene bij de vordering van de zoon – van oordeel dat er sprake is van samenloop van affectieschade en shockschade, waardoor de omvang van de shockschade, rekening houdend met de aanspraak op affectieschade, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en gelet op vergelijkbare gevallen, naar maatstaven van billijkheid wordt begroot op € 30.000. De vader en moeder van het slachtoffer hebben beiden recht op affectieschade als bedoeld in artikel 6:108 lid 3 en lid 4 onder c BW. De gevorderde affectieschade gedaan door de stiefmoeder wordt afgewezen. Tot slot voegt de broer van het slachtoffer zich als benadeelde partij. De broer doet een beroep op de hardheidsclausule uit artikel 6:108 lid 4 sub g BW. Het hof is van oordeel dat de door de benadeelde partij aangevoerde omstandigheden niet een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigen. Niet is gebleken dat de verhouding tussen de benadeelde partij en zijn overleden zus sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen broers en zussen binnen een gezin. Het hof wijst de vordering tot toekenning van affectieschade daarom af.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 27-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0441

Strafrecht. Het hof veroordeelt een 38-jarige man tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en tbs met dwangverpleging voor doodslag en een poging tot doodslag op twee van zijn onderburen. Nabestaanden van het slachtoffer voegen zich in het strafproces. De vader van het slachtoffer vordert naast materiële schade een bedrag van € 25.000 aan shockschade en € 17.500 aan affectieschade. De moeder van het slachtoffer vordert hetzelfde bedrag als de vader aan shock- en affectieschade. Dit geldt ook voor de partner van het slachtoffer. Tot slot vordert de broer van het slachtoffer € 25.000 aan shockschade. Met betrekking tot al de door benadeelde partijen gevorderde shockschade concludeert het hof het volgende. Het slachtoffer is door de verdachte op brute wijze en volkomen onverwacht met vele messteken in zijn eigen woning om het leven gebracht. Dit is een zeer ernstig levensdelict. De nabestaanden zijn met de gevolgen van het doden van het slachtoffer vlak daarna geconfronteerd geweest doordat zij hem in het mortuarium hebben gezien, waarbij ook zichtbaar was dat het slachtoffer verwondingen had opgelopen (hoewel deze waren afgedekt). Enige tijd daarna hebben nabestaanden echter ook de woning nog bezocht om spullen van het slachtoffer veilig te stellen. Ook daar zijn zij geconfronteerd met de gevolgen, onder meer in de vorm van nog aanwezige bloedsporen. Alle nabestaanden die shockschade hebben gevorderd, staan (ieder op hun eigen manier) in een nauwe relatie tot het slachtoffer. Dat geen sprake is van een directe confrontatie met de gevolgen van het levensdelict doet daaraan niet af. Daarbij weegt het hof in hoge mate de aard en de ernst van het delict mee. Naar het oordeel van het hof is voorts voldoende onderbouwd dat het vastgestelde geestelijk letsel in die mate is veroorzaakt door de confrontatie met de gevolgen, dat de gevorderde bedragen redelijk en daarmee toewijsbaar zijn. Het hof is daarnaast van oordeel dat de affectieschade gevorderd door de partner toewijsbaar is op grond van artikel 6:108 lid 4 sub b BW. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij een al enkele jaren durende (zeer) hechte (liefdes)relatie had met het slachtoffer en dat zij en het slachtoffer plannen hadden om deze relatie in de toekomst verder te bestendigen. In de vordering acht het hof afdoende onderbouwd dat in dit geval sprake is van een situatie waarin de benadeelde partij op één lijn kan worden gesteld met de andere ‘naasten’ zoals die in artikel 6:108 BW worden genoemd. Daarbij wordt de affectieschade gevorderd door de vader en de moeder ook toegekend. Tot slot voegt het tweede slachtoffer zich ook als benadeelde partij in het strafprocesrecht. Hij en het eerste slachtoffer waren vrienden en huisgenoten. Hij vordert € 50.000 aan immateriële schadevergoeding in verband met eigen letsel, € 30.000 aan shockschade en € 17.500 aan affectieschade. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, begroot het hof de immateriële schadevergoeding in verband met eigen letsel naar billijkheid. Omtrent de shockschade acht het hof het voldoende aannemelijk dat de confrontatie met de steekpartij, hem hevig heeft geschokt en shockschade bij hem heeft veroorzaakt. Het hof acht daarom de gevorderde shockschade billijk. Het hof kent het gevorderde bedrag aan affectieschade niet toe. Ondanks dat de twee vrienden al twee jaar een woning deelden heeft de wetgever grenzen willen stellen aan de kring van gerechtigden. Het hof is van oordeel dat het tweede slachtoffer niet onder artikel 6:108 lid 4 onder g BW valt.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-08-2025