Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0470

In 1998 heeft een vrouw een medische ingreep ondergaan in de vorm van liposuctie, als gevolg waarvan zij als complicatie een dubbelzijdige longembolie kreeg. In 2011 is bij de vrouw borstkanker geconstateerd en heeft zij een borstbesparende behandeling ondergaan, waarbij het deel van de borst, waarin de tumor zich bevond, is verwijderd en de rest van de borst behouden bleef. Nadien is bij de vrouw de wens ontstaan om een borstreconstructie te ondergaan. In 2013 is de vrouw geopereerd. Vanaf 2014 heeft de vrouw de wens geuit tot een verdere vormverbetering van haar borst door middel van lipofilling. In 2015 is de vrouw een tweede keer geopereerd. In 2018 heeft de vrouw het ziekenhuis aansprakelijk gesteld. Zij stelt dat tijdens de liposuctie lymfeklieren zijn beschadigd waardoor oedeem is ontstaan. Volgens haar is sprake van een medische fout zowel in de adviserings- als in de nabehandelingsfase. De vrouw stelt dat het ziekenhuis in 2015 haar weliswaar de techniek van de lipofilling-operatie heeft uitgelegd, maar dat de focus van dit gesprek met name lag op de kosten ervan (en de vergoeding vanuit haar verzekering). Ze zou preoperatief niet op het risico van onregelmatigheden in haar benen als gevolg van liposuctie zijn gewezen, noch op het risico van lymfoedeem. De vrouw stelt dat ze niet met de ingreep zou hebben ingestemd als zij voldoende door het ziekenhuis zou zijn geïnformeerd. Daarnaast stelt de vrouw dat het ziekenhuis nalatig is geweest bij het bieden van nazorg. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid afgewezen. De rechtbank overweegt dat hoewel de decursusgegevens summier te noemen zijn, de combinatie van de verklaringen van de beide betrokken artsen met deze gegevens – in het licht van de verzwaarde motiveringsplicht die op het ziekenhuis rust – een voldoende gemotiveerde betwisting vormt van de stelling dat het risico op onregelmatigheden voorafgaand aan de ingreep niet met de vrouw zou zijn besproken. De vrouw heeft daar tegenover onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die wijzen op schending van de informatieplicht. De rechtbank is van oordeel dat het ziekenhuis niet kan worden verweten dat de vrouw voorafgaand aan de operatie niet op het risico van lymfoedeem is gewezen, aangezien lymfoedeem geen bekende complicatie is bij een behandeling van liposuctie/lipofilling; sterker nog, liposuctie wordt juist verricht om lymfoedeem te behandelen. De vrouw heeft verder onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat de onregelmatigheden voorkomen hadden kunnen worden, indien zij wel tijdig de beschikking had gehad over een liposuctiebroek. Ook het verwijt van onvoldoende nazorg kan daarom niet leiden tot aansprakelijkheid van het ziekenhuis.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 28-05-2025

Rechtspraak

PS 2025-0468

In 2023 is een vrouw betrokken geweest bij een eenzijdig auto-ongeval toen zij onder een aquaduct door reed waar water op het wegdek stond. De vrouw vordert een verklaring voor recht dat Rijkswaterstaat aansprakelijk is voor het ongeval. Volgens de vrouw was de weg op het moment van het ongeval gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW. Rijkswaterstaat, die al voor het ongeval op de hoogte was van de waterstand, zou onvoldoende maatregelen hebben genomen. Rijkswaterstaat betwist dat de weg gebrekkig was. Verder heeft Rijkswaterstaat aangevoerd dat zij voldoende maatregelen heeft getroffen. Op het moment van het ongeval gold al een snelheidsbeperking van 70 km/u die zichtbaar was op de matrixborden boven de weg. Daarnaast heeft Rijkswaterstaat direct een weginspecteur ter plaatse gestuurd. De kantonrechter overweegt dat vaststaat dat ten tijde van het ongeval sprake was van een aanzienlijke waterstand op het wegdek. Niet in geschil is dat de afvoer bij het desbetreffende weggedeelte verstopt was. Hierdoor is de wateroverlast op het wegdek ontstaan. De kantonrechter is van oordeel dat dit te kwalificeren is als een gebrek aan de weg. Vervolgens is de vraag of Rijkswaterstaat, als beheerder van die weg, afdoende adequate maatregelen heeft genomen om weggebruikers te waarschuwen hun rijgedrag aan te passen aan de situatie van wateroverlast op het wegdek onder het aquaduct. De kantonrechter is van oordeel dat de maatregelen voldoende zijn geweest. Ondanks dat de vrouw heeft gesteld te zijn verrast door de hoeveelheid water op het wegdek, was zij voorafgaand aan het ongeval voldoende gewaarschuwd voor een bijzondere verkeerssituatie ter plaatse door de zichtbare snelheidsbeperking op de matrixborden. Daarbij komt dat de vrouw zelf ook verklaard heeft dat het slecht weer was en het zicht beperkt waardoor zij (extra) oplettend diende te zijn. De vrouw heeft daarmee voldoende gelegenheid gehad om te anticiperen en haar rijgedrag aan te passen. Dat de waarschuwing niet het gewenste effect heeft gehad, brengt nog niet als vanzelfsprekend mee dat daarom Rijkswaterstaat aansprakelijk is. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11-02-2025

Rechtspraak

PS 2025-0466

Een man stelt in 2023 gevallen te zijn nabij de vakantiewoning die hij huurde. Volgens de man liep hij vanaf het goed verlichte terras een (begroeid) onverlicht grindpad op. Dit grindpand bleek achteraf de bovenkant van een klifmuur te zijn. De rechtbank overweegt dat het voorstelbaar is dat men bij aankomst op een vakantiepark niet zo goed let op de omgeving, althans daar minder mee bezig is. Men gaat immers op vakantie om leuke dingen te doen; doorgaans zal daar de nadruk op liggen. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank in het onderhavige geval van oordeel is dat op basis van het overgelegde fotomateriaal – in ieder geval bij daglicht – sprake is van een duidelijke, overzichtelijke situatie. Er is volgens de rechtbank geen sprake van een gevaarlijke situatie. Het is te verwachten dat men bij een vakantiewoning gebruik maakt van de tuin, het terras en de betegeling die is aangelegd en het looppad dat (daarmee) is gecreëerd. Niet te verwachten is dat men in de richting van het grind aan de zijkant van een vakantiewoning zal lopen en daar overheen zal stappen, zoals de man stelt te hebben gedaan, omdat dit grind afwijkt van de verdere inrichting van de tuin en het terras, en men zich daarmee begeeft op onbekend(er) terrein, waarvan men niet weet wat zich daar bevindt en dat vanwege het gebruikte materiaal kennelijk – anders dan de tuin, het terras en het looppad – niet bedoeld is als looproute. Nu geen sprake is van een gebrekkige opstal, kan evenmin sprake zijn van onrechtmatige gevaarzetting. Uit de eerdere overwegingen van de rechtbank kan immers worden afgeleid dat de gedaagde partijen en/of het park geen gevaarzettende situatie in het leven heeft/hebben geroepen of bewust heeft/hebben laten voortduren, zodat evenmin kan worden geoordeeld dat de gedaagde partijen en/of het park onrechtmatig jegens de man heeft/hebben gehandeld.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 18-06-2025

Rechtspraak

PS 2025-0465

Een vader verzoekt dat de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor beveelt. De vader stelt dat toen zijn dochter onder behandeling was bij een oogarts, de oogarts en de moeder van het kind een affectieve relatie hadden met elkaar. Volgens de vader heeft de oogarts hierdoor onrechtmatig jegens zowel hem als zijn dochter gehandeld, waardoor zij schade hebben geleden. Hij wil zijn schade op de oogarts verhalen, maar de oogarts ontkent dat hij met de moeder een affectieve relatie heeft gehad. De vader wil middels een getuigenverhoor bewijs krijgen van het onrechtmatig handelen van de oogarts en van de schade. De kantonrechter overweegt dat uit het verzoekschrift niet blijkt dat de vader zijn verzoek mede namens de dochter heeft gedaan. Ook is niet gebleken dat zij op de hoogte is van de procedure. De kantonrechter is bevoegd en wijst het verzoek af. Op basis van hetgeen de vader ter onderbouwing in deze procedure heeft aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat de door hem voorgenomen jegens de oogarts in te stellen vordering geen kans van slagen heeft. Als een dokter een affectieve relatie heeft met een vrouw, die al een partner heeft, is dat op zichzelf in juridische zin niet onrechtmatig jegens de partner van de desbetreffende vrouw. Ook niet als, zoals in dit geval, de dokter de behandelend arts is van het minderjarig kind van de vrouw en haar partner. Ook als veronderstellenderwijs moet worden aangenomen dat, zoals de vader stelt en de oogarts betwist, de oogarts jarenlang een affectieve relatie zou hebben gehad met de moeder, heeft de oogarts daarmee niet onrechtmatig jegens de vader gehandeld. Van een aanspraak tot vergoeding van schade is daarom geen sprake. Bijkomende bijzondere omstandigheden, die in een eventuele hoofdzaak tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, heeft de vader niet aangevoerd. Nog afgezien van het voorgaande heeft de vader op geen enkele manier duidelijk gemaakt welke schade hij als gevolg van een en ander zou (kunnen) hebben geleden.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 28-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0462

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal zedenfeiten, waaronder het seksueel misbruiken van zijn 3-jarige zoon. De moeder van het zoontje vordert vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade voor de gevolgen die het misbruik van haar kind voor haar heeft gehad. Schriftelijk zijn voor deze schade meerdere rechtsgronden genoemd: affectieschade, schokschade, verplaatste schade en daarnaast op grond van een onrechtmatig handelen jegens de benadeelde zelf. Ter zitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake zou zijn van affectie- dan wel schokschade. Daarnaast heeft zij gesteld dat de verdachte jegens de moeder ook rechtstreeks een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Voor zover de raadsvrouw stelt dat benadeelde op grond van schokschade recht heeft op vergoeding, kan de rechtbank haar daarin niet volgen. Benadeelde is niet direct getuige geweest van het misbruik van haar zoon. Gesteld noch gebleken is dat zij daarna met beelden van het misbruik is geconfronteerd. Evenmin kan de vordering op basis van geleden affectieschade worden toegewezen. Dat er sprake is van ernstig misbruik van het zoontje kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat sprake is van zodanig ernstig en blijvend letsel dat op grond daarvan recht op vergoeding ontstaat bij de moeder. De rechtbank overweegt verder dat voor zover al rechtens kan worden aangenomen dat in geval van seksueel misbruik van een kind, tevens een onrechtmatige daad wordt gepleegd jegens de ouder van dat kind, daarvoor in dit geval onvoldoende is gesteld.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 02-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0461

Twee automobilisten zijn tegen elkaar aangebotst terwijl zij beiden aan het parkeren waren. Partijen hebben toen een schadeformulier ingevuld, waarna de verzekeraar van de verzoekende partij heeft geoordeeld dat beide partijen (voor de helft) aansprakelijk zijn voor het ongeval. Vanwege de gedeelde aansprakelijkheid heeft de verzekeraar het eigen risico van de verzoekende partij voor de duur van twee jaar verhoogd naar € 500 in plaats van € 0, en is hij een trede gedaald op de ‘no-claimladder’. De verzoekende partij is het niet eens met de beoordeling van de verzekeraar dat beide partijen voor de helft aansprakelijk zijn (en de gevolgen daarvan). Daarom wil hij in rechte laten vaststellen dat hij geen schuld heeft aan het ongeval, en daartoe de verwerende partij en zichzelf als getuigen doen laten horen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de verzoekende partij gesteld dat een vervolgprocedure zich ook tot de verwerende partij zou kunnen richten, in die zin dat een verklaring voor recht zou kunnen worden gevorderd over de verdeling van de aansprakelijkheid. Uit alles blijkt echter dat het geschil in een eventueel nog te volgen bodemprocedure zich tot de verzekeraar richt, en niet tot de verwerende partij. Daarom heeft de verzoekende partij geen belang bij een voorlopige bewijsverrichting in een procedure tegen de verwerende partij. Deze verzoekschriftprocedure heeft de verzoekende partij echter wel tegen de verwerende partij gericht, en niet tegen de verzekeraar. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af bij gebrek aan belang daarbij.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 22-08-2025