Strafrecht. Woninginbraak. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade merkt het hof op dat deze vordering met name ziet op angstgevoelens die zijn ontstaan naar aanleiding van de inbraak, hetgeen de verdachte niet kan worden aangerekend. Voor zover het immaterieel gevorderde ziet op de geheelde goederen kan niet worden gezegd dat daarmee sprake is van enige vorm van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-02-2019