Naar boven ↑
8.692 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0501

Een vrouw is in 2005 onder behandeling gekomen van een neuroloog verbonden aan het ziekenhuis. Nadien is zij in 2010 doorverwezen naar een andere neuroloog van hetzelfde ziekenhuis en deze stelt in 2016 de diagnose multiple sclerose (MS) vast. De vrouw verwijt het ziekenhuis dat de eerste neuroloog in 2005 en de opvolgend behandelende neuroloog in 2010 verzuimd hebben de diagnose MS bij de vrouw te stellen, dan wel dat zij ten onrechte deze diagnose hebben uitgesloten. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat het ziekenhuis toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de geneeskundige behandelovereenkomst en heeft het ziekenhuis veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Aan de verklaring voor recht heeft de rechtbank een beperkt aantal (medische) fouten ten grondslag gelegd. De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat de verklaring voor recht mede wordt gebaseerd op de andere gestelde medische fouten. Dit met het oog op de omvang van de nog vast te stellen schadevergoeding. De vrouw legt aan haar vordering artikel 7:453 BW ten grondslag. Het hof concludeert dat de in 2005 aan de neuroloog bekende symptomen – zelfs, in combinatie met de uitslagen van het aanvullend onderzoek – volgens de toen geldende McDonalds-richtlijn, nog niet noodzakelijkerwijs dwongen tot de diagnose MS. Het voorgaande neemt niet weg dat de neuroloog wel tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst door in zijn brief aan de huisarts van 25 mei 2005 te schrijven dat liquor- en bloedonderzoek geen aanwijzingen tonen voor ontstekingen, neuroborreliose, multiple sclerose of andere pathologie en aldus MS min of meer uit te sluiten, deze informatie was feitelijk onjuist. Door deze informatie aan de huisarts te onthouden, is door de neuroloog niet de zorg betracht die een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht en is hij toerekenbaar tekortgeschoten in de behandelovereenkomst. De vraag is daarbij ook of de neuroloog in 2010 ten onrechte de diagnose MS niet heeft gesteld of ten onrechte heeft uitgesloten. Het hof concludeert dat de neuroloog ten onrechte de MRI-scan uit 2010 niet heeft vergeleken met die uit 2005. Er zou dan een duidelijke toename zijn gezien van afwijkingen waardoor twijfel over spreiding in tijd was weggenomen. Door te handelen zoals de neuroloog heeft gedaan, is hij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst. Daarbij oordeelt het hof ook dat de neuroloog uit 2010 ten onrechte de gezondheidstoestand van de vrouw niet heeft gemonitord. De neuroloog is ook tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst door niet alle gegevens toe te zenden, deze gegevens waren van belang voor de second opinion. Tot slot oordeelt het hof dat er tekortgeschoten is door de geneeskundige behandelovereenkomst plotseling te beëindigen. De reden hierachter was dat de neuroloog zich onveilig voelde door de echtgenoot van de vrouw. Wat er precies is gebeurd kan volgens het hof achterwege blijven omdat het plotselinge beëindigen niet gerechtvaardigd was. De beëindiging van de behandelovereenkomst heeft nadelige gevolgen gehad voor de behandeling van de vrouw en de neuroloog heeft er niet voor gezorgd dat de vrouw terecht is gekomen bij een andere specialist. Dit alles brengt mee dat de neuroloog uit 2005 en de neuroloog uit 2010 tekort zijn geschoten in de nakoming. Voor deze tekortkomingen is het ziekenhuis aansprakelijk.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 16-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0497

Strafrecht. Doodslag op jonge man in scootmobiel op de vroege ochtend van 8 augustus 2020 en woningoverval bij een bejaarde man, beide in Nibbixwoud in de zomer van 2020. Nadat de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken van doodslag en heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf ter zake van de woningoverval, veroordeelt het hof de verdachte ook voor de doodslag tot een totale gevangenisstraf van 14 jaar en 3 maanden. In de zaak waarin de verdachte veroordeeld is tot doodslag hebben meerdere benadeelden zich gevoegd in het strafproces. De moeder van het overleden slachtoffer heeft volgens het hof recht op affectieschade conform artikel 6:108 lid 3 BW. De andere benadeelde partij is de biologische halfzus van het slachtoffer. Zij is ook pleegmoeder van het slachtoffer geweest. De halfzus heeft aangevoerd dat zij de pleegouder van het slachtoffer was van zijn 13e tot zijn 18e levensjaar. Er was sprake van een zorgrelatie. Ook daarna is de halfzus betrokken geweest in het leven van het slachtoffer. Zo was zij vanaf 2018 zijn bewindvoerder. Het hof acht dit onvoldoende om vast te kunnen stellen dat de halfzus ten tijde van het overlijden van het slachtoffer duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer had en daarmee aanspraak maakt op affectieschade op grond van artikel 6:108 lid 4 onder e BW. Wel is het hof van oordeel dat de halfzus, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en de onderbouwing van haar vordering, recht op affectieschade toekomt op grond van artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Immers is het hof voldoende gebleken dat de zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot het overleden slachtoffer stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste kan worden aangemerkt. Tot slot voegt de biologische neef van het slachtoffer en is tevens pleegbroer van het slachtoffer zich in het strafproces. Het hof heeft geoordeeld dat ondanks de hechte band niet is gesteld dat de verhouding tussen beiden sterk afweek van wat in het algemeen geldt voor relaties tussen volwassen neven dan wel pleegbroers, bijvoorbeeld omdat sprake is van een specifieke zorgrelatie en/of sprake is van samenwonen ten tijde van het overlijden. Dit maakt dat de benadeelde partij geen aanspraak kan maken op affectieschade op grond van art. 6:108 lid 4 onder g BW.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 16-09-2025

Rechtspraak

PS 2025-0493

Deelgeschil. Op 10 januari 2024 heeft er een ernstig incident bij een GGZ-instelling plaatsgevonden ten gevolge waarvan de patiënt uiteindelijk in maart 2024 kwam te overlijden. De patiënt is tussen 20.05 uur en 20.15 uur via een voetbaltafel, die door hem en een medepatiënt van een binnenruimte naar de patio was versleept en op zijn kant tegen de muur van de patio was geplaatst, op de muur van de patio geklommen en is daarvan toen afgesprongen of gevallen en in de daarachterliggende ondiepe gracht terechtgekomen. De broer van de patiënt heeft de GGZ-instelling aansprakelijk gesteld voor de schade die is ontstaan uit de ongeval, waaronder smartengeld. De broer verwijt de GGZ-instelling dat zij in algemene zin inadequate zorg heeft verleend aan de patiënt. De rechtbank acht dit verwijt niet terecht. De GGZ-instelling heeft aangetoond conform de HIC-methode gewerkt te hebben. Daarnaast past het weg willen uit de afdeling bij het ziektebeeld van de patiënt. Dit brengt mee dat niet sprake was van een (zodanige) verslechtering van de gezondheidssituatie van de patiënt dat alleen daarom al het toezicht (permanent) strenger had moeten zijn. Ten aanzien van het niet tijdig herkennen van de vluchtpoging en het dien ten gevolge niet intensiveren van het toezicht oordeelt de rechtbank het volgende. De GGZ-instelling heeft toegelicht dat verward gedrag en het slepen met/verschuiven van meubilair kenmerkend is voor het gedrag van patiënten die lijden aan katatonie. De begeleider die patiënt heeft aangesproken op het verslepen van de voetbaltafel heeft dit gedrag dan ook als katatoon verward gedrag mogen interpreteren en het gedrag niet als (de start van een) vluchtpoging hoeven opvatten. Dit maakt dat de medewerkers van de GGZ-instelling niet extra alert hadden moeten zijn. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat is nagelaten toe te lichten met welke regels of protocollen het bekritiseerde handelen (op het punt van het gehouden toezicht en het handelen na de constatering dat hij met een voetbaltafel aan het schuiven was) in strijd zouden zijn. De GGZ-instelling heeft daarom niet medisch onzorgvuldig of onrechtmatig jegens de broer van de patiënt gehandeld. Tot slot slaagt het beroep op gebrekkig opstal van de muur van de patio niet.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28-08-2025

Rechtspraak

PS 2025-0492

De verzekeraar heeft de schade vergoed die een werknemer op 20 september 2013 heeft geleden door een val op een parkeerterrein na afloop van een bedrijfsfeest bij het bedrijf. Volgens NN is het bedrijf ook aansprakelijk voor deze schade en zij wil dat het bedrijf volledig aan haar vergoedt wat zij aan de werknemer heeft uitgekeerd. Volgens de rechtbank is de regresvordering van de verzekeraar tegen het bedrijf verjaard. Het hof beoordeelt de verjaring opnieuw en schetst het juridische kader. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad kan een regresvordering op basis van artikel 6:10 BW beschouwd worden als een ‘rechtsvordering tot vergoeding van schade’ in de zin van artikel 3:310 lid 1 BW. Een dergelijke rechtsvordering strekt ertoe te voorkomen dat de niet aangesproken schuldenaar ten koste van de aangesproken schuldenaar ongerechtvaardigd wordt verrijkt doordat laatstgenoemde het verschuldigde heeft voldaan voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Een regresvordering uit hoofde van artikel 6:10 BW ontstaat pas indien de hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade – en dus ook een regresvordering – verjaart ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor nodig dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. Dit kan echter niet meebrengen dat de korte (vijfjarige) verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW al gaat lopen voordat de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is geworden. Weliswaar wordt in artikel 3:310 lid 1 BW de opeisbaarheid van de vordering niet uitdrukkelijk als voorwaarde voor het gaan lopen van de korte verjaringstermijn genoemd, maar dat ligt wel besloten in de eis van bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, en in de genoemde eis dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. De bepaling van artikel 3:310 lid 1 BW is kennelijk gebaseerd op het normale geval dat bekendheid met de schade bestaat omdat die schade er al is. Dat de korte (vijfjarige) verjaringstermijn van een rechtsvordering tot schadevergoeding zou kunnen gaan lopen (en eventueel voltooid zou kunnen worden) voordat de schadevordering opeisbaar is geworden, is ook in strijd met het rechtskarakter van deze verjaring, welke immers het rechtsgevolg van het tenietgaan van de rechtsvordering verbindt aan het gedurende zekere tijd niet geldend maken daarvan. Daarvoor is nodig dat de vordering reeds opeisbaar is, zoals ook tot uitdrukking komt in het algemeen luidende artikel 3:313 BW. Daarom kan de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden, ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden en wie de aansprakelijke persoon is. Hierbij verdient nog opmerking dat een verjaringstermijn die op de voet van artikel 3:310 lid 1 BW is gaan lopen, weliswaar mede geldt voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde redelijkerwijs kon verwachten dat hij die als gevolg van dezelfde schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen gaan lijden, omdat in zoverre sprake is van afzonderlijke elementen van de reeds ingetreden schade. Maar dit geldt niet voor een rechtsvordering tot schadevergoeding bij wijze van regres als die rechtsvordering nog niet is ontstaan. Het hof oordeelt dat de eventuele hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van Brothers nog kan worden vastgesteld. Zoals hiervoor al is uiteengezet, is de regresvordering pas ontstaan op het moment dat NN méér aan de werknemer vergoedde dan waartoe zij op grond van de eventuele onderlinge draagplicht van Ziggo en Brothers was gehouden. Aangezien NN stelt dat in die onderlinge verhouding Brothers de volledige schade behoort te dragen, zijn twee regresvorderingen ontstaan, namelijk op het moment van de voorschotbetaling op 18 december 2020 en door de slotuitkering op 18 november 2021. Voor beide regresvorderingen geldt dat op de dagen erna de verjaringstermijnen van vijf jaren zijn aangevangen. Met de dagvaarding van Brothers voor de rechtbank op 14 september 2022 heeft NN haar rechtsvorderingen ingesteld. Dat is vóór het verstrijken van de verjaringstermijnen, zodat van verjaring daarvan geen sprake is. Er is tevens geen sprake van rechtsverwerking zodat de vordering van de verzekeraar inhoudelijk zal moeten worden beoordeeld. Het hof gelast een mondelinge behandeling. Hoofdelijke schuldenaren zijn, ook voordat een regresvordering ontstaat, in hun onderlinge verhouding verplicht zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:8 BW in verbinding met art. 6:2 BW). Dit kan echter niet meebrengen dat, indien een hoofdelijk schuldenaar – ondanks bekendheid met het feit dat hij een regresvordering uit hoofde van artikel 6:10 BW zal krijgen – degene op wie hij later regres wil gaan nemen daarvan niet op de hoogte stelt, de verjaringstermijn met betrekking tot de nog niet ontstane regresvordering gaat lopen. Maar in gevallen waarin de regresvordering van artikel 6:10 BW niet is verjaard, is niet uitgesloten dat het instellen van die rechtsvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan wel dat de regresnemer zijn recht heeft verwerkt, op grond van feiten en omstandigheden die (mede) hebben plaatsgevonden voordat de regresvordering is ontstaan, bijvoorbeeld in verband met de omstandigheid dat de hoofdelijke schuldenaar reeds voordien bekend was met het feit dat de regresvordering zou ontstaan maar de voor hem kenbare belangen van degene op wie hij later regres wil nemen, op onaanvaardbare wijze heeft veronachtzaamd. Het hof concludeert dat de vordering niet is verjaard en dat ook geen sprake is van rechtsverwerking.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 09-09-2025