De man is op 5 juli 2021 als automobilist van achteren aangereden toen hij voor een stoplicht stond. Daarna kreeg hij verschillende klachten zoals nek- en rugklachten, hoofdpijn, cognitieve klachten, slaapproblemen, verminderd concentratievermogen en duizeligheid. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid van de gevolgen van het ongeval erkend. Partijen twisten over het causaal verband tussen de gestelde klachten van de man en het ongeval. In die discussie speelt onder andere de medische voorgeschiedenis van de man een rol (hij is eerder betrokken geweest bij een achteropaanrijding) en de impact van het ongeval (het gaat om een aanrijding met een geringe snelheid). Om duidelijkheid te krijgen over het causaal verband verzoekt de man om een neuroloog en een verzekeringsarts als deskundige te benoemen om een expertise uit te brengen. De verzekeraar verzet zich niet tegen de benoeming van een neuroloog, dit verzoek wordt toegewezen. De verzekeraar verzet zich wel tegen het verzoek tot benoeming van een verzekeringsgeneeskundige, zij stelt dat dit verzoek prematuur is. De rechtbank zal echter ook het gevraagde onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige bevelen en daarvoor een deskundige benoemen. De man heeft goed uitgelegd waarom dit onderzoek nodig is. Aan de bezwaren van de verzekeraar gaat de rechtbank voorbij. Het is namelijk niet aannemelijk dat er geen enkel causaal verband bestaat tussen de gestelde klachten van de man en het ongeval. Het is nog wel onduidelijk welke gestelde klachten van de man in verband staan met het ongeval, maar die klachten zullen met het neurologisch onderzoek geobjectiveerd kunnen worden. Het verzochte verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal vervolgens plaatsvinden na de neurologische expertise en daarop voortbouwen. Het verzoek is daarom niet prematuur maar efficiënt. De rechtbank hanteert de nieuwe IWMD-vraagstelling, ondanks de bezwaren van de verzekeraar daartegen. De nieuwe vraagstelling is volgens de rechtbank een verbetering ten opzichte van de vorige en borduurt daarop voort. Daarbij komt dat niet over één nacht ijs is gegaan. Zoals op de website van De Letselschade Raad is te lezen, is de nieuwe vraagstelling tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie werd geëvalueerd en vervolgens gereviseerd. Zoals ook op de website van De Letselschade Raad is te lezen sluit deze versie aan bij de NVMSR-richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. De rechtbank kiest dus voor de verbeterde en niet, zoals ASR wenst, voor de oudere versie van de vraagstelling.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 13-01-2026