Deelgeschil. In 2025 is een fietser ten val gekomen toen hij schrok en hard moest remmen door het plotselinge oversteken van een niet-aangelijnde hond. Hierdoor heeft de man letsel opgelopen. De rechtbank overweegt dat uit de WhatsAppberichten tussen partijen blijkt dat de eigen, onberekenbare gedraging van de hond, namelijk het plotselinge oversteken van het fietspad, direct heeft geleid tot de val van de man. De vrouw, als eigenares van de hond, draagt hiervan het risico. Dat er geen daadwerkelijk contact is geweest tussen de fietser en de hond doet daaraan niets af. Op grond van vaste rechtspraak is het in een deelgeschilprocedure niet noodzakelijk dat duidelijk wordt wat de exacte plaats van het ongeval is, de snelheid waarmee de man fietste en de staat van (de remmen van) de fiets van de man. De door de man verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen. De rechtbank constateert dat partijen op het punt van eigen schuld diametraal tegenover elkaar staan. Voor het beroep op eigen schuld is gelet op deze tegenstrijdige standpunten nadere bewijslevering nodig. Voor nadere bewijslevering is echter geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Tegen deze achtergrond wordt het tegenverzoek van de vrouw afgewezen. Wel geeft de rechtbank partijen mee dat zij in het verdere onderhandelingstraject kunnen proberen (ook) op dit punt overeenstemming te bereiken of, zo nodig, daarover te procederen in een bodemprocedure, waarin wel ruimte is voor nadere bewijslevering. Nu op dit moment nog volstrekt onduidelijk is of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de fietser en, zo ja, in welke mate, is het niet aangewezen om op voorhand al een voorschot op de door hem geleden schade vast te stellen en de vrouw te veroordelen tot betaling daarvan. Om die reden wordt het door de fietser verzochte voorschot op de schade van € 15.000 afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 23-07-2026