De werkneemster is in dienst geweest bij een kaashandel. Vast staat dat de werkneemster verschillende klachten heeft, zoals artrose in handen, elleboog, schouder, rug, heupen, knieën en voeten, lichte artrose in CMC1-gewrichten, tendinitis (peesontsteking) in schouder en veranderingen in de lumbale wervelkolom. Daarnaast kampt de werkneemster met mentale problemen. Het gaat in deze zaak om de vraag of de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die de werkneemster stelt te hebben geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. De aandoeningen van de werkneemster hebben een multi-causaal ziektebeeld. De werkneemster stelt dat de aandoeningen waaraan zij lijdt een rechtstreeks gevolg zijn van de zware werkomstandigheden bij werkgever. Zij onderbouwt haar stelling met verschillende verklaringen van (oud-)werknemers en licht de zware werkomstandigheden toe. De werkgever betwist niet dat het werk dat de werkneemster verrichtte zwaar was, maar heeft de geschetste werkomstandigheden op bepaalde punten gemotiveerd weersproken. De kantonrechter is echter van oordeel dat de werkneemster de blootstelling aan schadelijke werkomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De overgelegde getuigenverklaringen zijn gemotiveerd betwist en de werkneemster heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de werkomstandigheden ook schadelijk konden zijn voor de gezondheid. Daarmee is niet aan het eerste vereiste voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voldaan. Ook aan het tweede vereiste is niet voldaan, omdat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende is komen vast te staan dat de klachten van de werkneemster kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden. De werkneemster draagt nu de volledige bewijslast. Pas als zij hierin is geslaagd, komt de vraag aan de orde of de werkgever de op hem rustende zorgplicht is nagekomen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 13-08-2026