Naar boven ↑
8.742 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0286

Tussenvonnis. In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank beslissingen genomen over diverse geschilpunten tussen partijen. Voor wat betreft de grootste schadepost, de schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen, heeft de rechtbank aangegeven het wenselijk te achten een arbeidsdeskundige te raadplegen. Dat is inmiddels gebeurd. Partijen hebben gereageerd op het deskundigenrapport. In dit vonnis bespreekt de rechtbank het rapport en de kritiek van partijen daarop. De rechtbank komt tot de conclusie dat bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen moet worden uitgegaan van de uitgangspunten zoals door de deskundige geformuleerd. Voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen ziet de rechtbank aanleiding om een rekenkundige in te schakelen. Voor een rekenkundige is het essentieel dat uit de uitspraak volgt welk percentage voor rendement en welk percentage voor inflatie moet worden gehanteerd. Als het gaat om de toekomstige rente- en inflatieontwikkeling komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter op dit moment. De rechtbank is voornemens voor de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van 1 augustus 2024. Voordat de rechtbank overgaat tot benoeming van een rekenkundige zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de rekenrente die de rechtbank voornemens is te hanteren en over de te benoemen rekenkundige en de hiervoor genoemde onderzoeksvragen.
Rechtbank Limburg, 26-03-2025

Rechtspraak

PS 2026-0285

Deelgeschil. In 2016 is een bestuurder aangereden door een bestuurder van een andere auto. De WAM-verzekeraar van de andere automobilist heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval voor de bestuurder erkend. Om de gevolgen van het ongeval (beter) te kunnen beoordelen hebben partijen afgesproken om deskundigen onderzoek te laten verrichten. Het is partijen niet gelukt om tot een minnelijke regeling te komen. De WAM-verzekeraar heeft tot nu toe € 31.000 aan de bestuurder betaald als voorschot op de vast te stellen schade en € 12.500 als voorschot op de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank bepaalt niet, zoals verzocht, dat er een juridisch causaal verband bestaat tussen het ongeval en de cognitieve klachten en/of stoornissen van de man. De man heeft namelijk het causaal verband onvoldoende onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat zij samen verder stappen zullen zetten voor het laten uitvoeren van een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige. Tussen partijen staat in ieder geval vast dat het chronisch pijnsyndroom van de bestuurder in (juridisch) causaal verband staat tot het ongeval. De rechtbank geeft partijen in dit kader in overweging om het verdere debat over de vraag of er sprake is van cognitieve klachten (en zo ja, welke) als gevolg van het chronisch pijnsyndroom en of deze daarmee als ongevalsgerelateerd zijn aan te merken niet uit de weg te gaan, om met elkaar daadwerkelijk te komen tot een finale beslechting van het geschil. Gerichte vragen hierover zijn (nog) niet aan de deskundigen gesteld.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 02-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0282

In 2015 is een vrouw in een manege van een paard gevallen, waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechterknie en -been. De vrouw heeft de bezitter van het paard op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk gesteld voor haar schade. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de bezitter heeft aansprakelijk afgewezen. Zij heeft daarbij een beroep gedaan op een mondeling overeengekomen exoneratie. Volgens de verzekeraar mocht de vrouw gedurende de ziekenhuisopname van de bezitter van het paard geheel voor eigen risico het paard berijden en verzorgen. In 2019 heeft op verzoek van de vrouw een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Bij beschikking heeft de deelgeschilrechter het verzoek van de vrouw afgewezen. Op basis van de partijgetuigenverklaring van de bezitter in het voorlopig getuigenverhoor, die wordt ondersteund door de gedetailleerde verklaringen van anderen, acht de rechtbank de bezitter geslaagd in het bewijs van haar stelling dat afgesproken is dat de vrouw het paard op eigen risico zou berijden en dat zij de bezitter niet aansprakelijk zou stellen als de vrouw door de eigen energie van het paard iets zou overkomen, ook niet als het iets ernstigs zou zijn. De conclusie van de vrouw in het principaal hoger beroep strekt ertoe dat het hof de beschikking in het deelgeschil vernietigt. Het hof komt echter tot eenzelfde bewijswaardering als de deelgeschilrechter. Het hof overweegt dat de afspraak in de gegeven omstandigheden niets aan duidelijkheid te wensen overlaat en is aan te merken als een exoneratie. Het hof volgt niet het betoog dat de vrouw door de bezitter voor het blok is gezet toen deze exoneratie werd overeengekomen. De vrouw had eenvoudig kunnen weigeren het paard te berijden en verzorgen als zij deze uitsluiting van aansprakelijkheid niet wilde aanvaarden. Het hof bespreekt dan het subsidiaire punt van de vrouw, namelijk dat de bezitter in dit concrete geval geen beroep op de exoneratie kan doen ex artikel 6:248 lid 2 BW. Volgens het hof is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de bezitter een beroep doet op de exoneratie. De omstandigheid dat de vrouw zich beroept op ernstige letselschade, is in de gegeven omstandigheden niet van zodanig gewicht dat dit tot een andere uitkomst noopt. De beschikking in deelgeschil wordt dus bekrachtigd.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 02-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0279

Een man is in 2016 als bestuurder van een personenauto betrokken geweest bij een ongeval toen hij tegen een langs de weg geparkeerde personenauto aanreed. Hij kreeg onderweg last van hartkloppingen als gevolg van een paniekaanval, waardoor hij de controle over het stuur verloor. De man ervaart diverse klachten en beperkingen en is volledig arbeidsongeschikt. De rechtbank komt tot de conclusie dat het juridisch causaal verband tussen de door de man ondervonden klachten en het ongeval niet kan worden aangenomen. De man verklaart inconsistent en uiteenlopend over de toedracht van het ongeval. Het ongevalsmechanisme is niet verklarend voor de klachten: de man leed reeds voor het ongeval aan de (ook) daarna ervaren problematiek en er is sprake van een alternatieve oorzaak voor de klachten. De rechtbank volgt daarbij het oordeel van de door de rechtbank eerder benoemde neuroloog en neuropsycholoog en de door partijen aangezochte psychiater. Er is dan ook geen aanspraak op uitkering onder de SVI-polis en de vorderingen worden afgewezen. Daarmee wordt niet een mogelijke predispositie van de man miskend: er is hier niet sprake van door de gesteldheid van het slachtoffer extra ernstige gevolgen van een relatief lichte gebeurtenis, maar op grond van de uitgebrachte deskundigenrapporten moet worden aangenomen dat de problematiek van de man andere oorzaken heeft dan het ongeval, en dat het ongeval slechts ‘als kapstok’ is gaan fungeren waaraan de door de man (deels reeds voor het ongeval) ervaren klachten (en beperkingen) zijn opgehangen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 27-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0278

Conclusie P-G Valk. Tijdens een operatie in een kliniek is een complicatie opgetreden, waarbij een patiënt een partiële dwarslaesie heeft opgelopen. In cassatie staat vast dat de Sint Maartenskliniek jegens de patiënt tekort is geschoten in haar informatieplicht (informed consent) en is alleen nog het causaal verband in geschil. Het cassatiemiddel richt zich tegen de uitleg door het hof van een deskundigenrapport. Het hof heeft namelijk overwogen dat uit de opinies van beide deskundigen volgt dat er in theorie maar twee keuzemogelijkheden waren, namelijk uitstel van de operatie (met dezelfde risico’s) of direct opereren, en dat op enig moment dezelfde operatie uitgevoerd zou hebben moeten worden, met dezelfde risico’s. De P-G overweegt dat het hof een rechtstreeks verband legt tussen de indicatie voor de operatie en de keuze van de appellant als redelijk handelend patiënt. Hoewel de afweging van de arts en die van de patiënt niet dezelfde zijn, spelen daarbij wel deels dezelfde overwegingen een rol, in het bijzonder overwegingen met betrekking tot de medische risico’s van een bepaalde behandeling en het al dan niet bestaan van een reëel alternatief (hetzij in de zin van een andere behandeling, hetzij in die van een afzien van behandeling). Bij de patiënt kunnen uiteraard daarnaast ook persoonlijke overwegingen een rol spelen. Naarmate de medische afweging duidelijker in een bepaalde richting wijst, zullen bij een redelijk handelende patiënt zulke persoonlijke overwegingen echter minder gewicht in de schaal kunnen leggen. Ook voor een zodanige patiënt weegt dan de medische realiteit van zijn situatie het zwaarst. Juist dit laatste doet zich volgens het kennelijke oordeel van het hof hier voor. De P-G meent dat het hof zich ten volle heeft willen verplaatsen in de moeilijke afweging die de appellant als redelijk handelend patiënt zou hebben moeten maken, en heeft de mogelijkheid onder ogen gezien dat hij vanwege zijn situatie (actief leven en relatief welbevinden) mogelijk zichzelf nog een kort uitstel van de risicovolle operatie had gegund, bijvoorbeeld met het oog op een aanstaande bijzondere gebeurtenis in zijn leven. Vervolgens rijst de vraag of dat iets zou hebben uitgemaakt voor de ernst en waarschijnlijkheid van het risico dat zich daadwerkelijk heeft gerealiseerd. Aan de bevindingen van een van de deskundigen ontleent het hof dat die ernst en waarschijnlijkheid dan dezelfde zouden zijn geweest, zodat ook uitgaande van zo’n kort uitstel het causaal verband ontbreekt. De klacht slaagt dus niet volgens de P-G.
Hoge Raad, 12-06-2026