Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0245

Deelgeschil. De vrouw is in het restaurant van een afstapje gevallen en heeft toen haar rechterarm gebroken. Zij heeft het restaurant aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van haar val. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het restaurant heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De vrouw vraagt in dit deelgeschil om te beslissen dat het restaurant aansprakelijk is voor de gevolgen van haar val en dat het restaurant hoofdelijk gehouden is haar materiële en immateriële schade te vergoeden. De vrouw beroept zich primair op artikel 6:174 BW in samenhang met artikel 6:181 BW. Subsidiair beroept zij zich op artikel 6:162 BW. Het gaat in de procedure om een Rijksmonument met binnen meerdere niveauverschillen. Dat is ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank zijn niveauverschillen in een pand als dit ook te verwachten. Van een bezoeker mag daarom de nodige oplettendheid worden verwacht en worden verwacht dat deze met niveauverschillen rekening houdt. De kans om bij de ingang over het afstapje te vallen, is naar het oordeel van de rechtbank klein. Het gaat om een afstapje van 11 centimeter dat duidelijk zichtbaar is, ook omdat het om verschillende materialen gaat. Het hogere gedeelte is van hout en het lagere van beton en daar tussenin zit een ijzeren strip. De vrouw is ongelukkig ten val gekomen met naar letsel en ook nog een vervelende nasleep na (complicaties bij) de tweede operatie, maar de kans dat het opstapje ernstig letsel kan veroorzaken, acht de rechtbank klein. Naar het oordeel van de rechtbank had het restaurant de door de vrouw genoemde veiligheidsmaatregelen niet hoeven te treffen omdat het afstapje duidelijk genoeg te zien is, onder meer door de verschillende materialen (beton, ijzer, hout). De conclusie is dat het restaurant niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van de vrouw, niet op grond van artikel 6:174 BW (gebrekkige opstal) en niet op grond van artikel 6:162 BW (gevaarzetting).
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 19-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0243

Werknemer is in dienst getreden bij de werkgever onder andere als arts in opleiding. De werknemer en collega-artsen hebben meerdere meldingen gemaakt over de werkdruk. De werknemer is meerdere malen uitgevallen. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat de reden voor uitval werkgerelateerd is en gelegen in knelpunten in de arbeidsrelatie. De werknemer is een aantal maanden vrijwillig opgenomen op de crisisdienst van het ziekenhuis. De psychiater heeft op 27 november 2015 geconstateerd dat overbelasting in de werksfeer in etiologische zin een rol speelt, dat de mediationafspraak hem onder de huidige omstandigheden niet geschikt lijkt en een afspraak met de leidinggevende/werkgever door de werknemer alleen te ontraden is. Het UWV heeft in het deskundigenoordeel geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren. De partijen zijn in mediation gegaan waarna de werknemer bij een andere zorginstelling werkzaamheden heeft verricht in verband met de re-intergratieverplichtingen. De werkgever heeft bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, deze is verleend. De werknemer ontvangt sinds 25 januari 2017 een WIA-uitkering en sinds 17 augustus 2018 een IVA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. De werknemer vordert in deze procedure dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van de arbeidsomstandigheden heeft geleden en nog lijdt. De werknemer legt hieraan ten grondslag dat bij de werkgever sprake was van een verhoogde psychosociale arbeidsbelasting. De werkgever stelt primair dat de vordering van de werknemer is verjaard. Subsidiair betwist de werkgever dat sprake was van schadelijke werkomstandigheden of schending van de zorgplicht. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering op verjaring niet slaagt. De kantonrechter oordeelt voorts dat de werknemer onvoldoende heeft onderbouwd dat het beleid van de werkgever heeft gezorgd voor schadelijke werkomstandigheden. Hetzelfde geldt voor de door de werknemer ervaren problemen rondom verlofaanvragen, declaraties en salaris. Verder kan de kantonrechter het zich voorstellen dat de werknemer veel stress heeft ervaren vanwege de herregistratie, maar onvoldoende is gebleken dat het niet kunnen herregistreren te wijten is aan de werkgever. Verder is niet gebleken dat de werkgever haar re-integratie-inspanningen heeft veronachtzaamd. Weliswaar heeft het UWV op 8 december 2015 geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, maar het UWV heeft de werkgever verder nooit maatregelen of sancties opgelegd. De werkgever heeft steeds de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. Op grond van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat de werkdruk van de werknemer weliswaar hoog was, maar dat de werkgever daarvoor voldoende oog heeft gehad en maatregelen heeft genomen. Van gevaarlijke of schadelijke werkomstandigheden in de zin van artikel 7:658 BW is daarom binnen de gegeven omstandigheden geen sprake geweest. De vorderingen van de werknemer worden daarom afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0240

De vrouw is aangereden door een onverzekerde crossmotor. Zij heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. Het ongeluk vond plaats tijdens een zogenoemde ‘meeting’ van (jonge) mensen met (cross)motoren en bromfietsen, waarmee sommige aanwezigen hard reden en stunts deden. Een van de deelnemers reed daar op een crossmotor die hij had geleend. Deze crossmotor had geen kenteken en was niet tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd. Hij is tegen de vrouw aangereden. Zij heeft als gevolg van het ongeval (onder meer) een gebroken linkerkuit- en scheenbeen opgelopen. In deze zaak gaat het om de vraag of de schade die zij daardoor leed geheel of gedeeltelijk voor haar eigen risico komt. De schade die de vrouw leed moet door het Waarborgfonds worden vergoed indien en voor zover de crossmotorrijder vanwege zijn rijgedrag aansprakelijk is voor die schade (art. 25 lid 1 WAM). De rechtbank oordeelt dat de bestuurder van de crossmotor, gelet op zijn strafrechtelijke veroordeling, aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW in verband met gevaarlijk rijgedrag. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangenomen dat de omstandigheid dat de vrouw naar de meeting is gegaan en daaraan deelnam heeft bijgedragen aan het ontstaan van haar schade. Het mag zo zijn dat als zij daar niet was geweest, zij niet zou zijn aangereden door de motorcrossrijder, maar dat is niet voldoende om een voor ‘eigen schuld’ relevant causaal verband aan te nemen. Wel kan worden aangenomen dat de vrouw op dezelfde weg reed als de motorcrossrijder, zij besloot aan het eind van het verharde deel naar links te gaan (en al of niet te stoppen). De vrouw had de motorcrossrijder voor moeten laten gaan. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat hoewel het ging om een stuk weg dat nog niet klaar was, wel sprake was van openbare weg waarop verkeersregels gelden. Omdat beide partijen een verwijt valt te maken over het ontstaan van het ongeval en dus van de schade, moet de vergoedingsplicht van de motorcrossrijder verminderd worden met het deel van de schade dat het gevolg is van de aan de vrouw toe te rekenen omstandigheid dat zij de motorcrossrijder niet liet voorgaan. De rechtbank is van oordeel dat het ongeval in overwegende mate is veroorzaakt door de motorcrossrijder. Dat leidt ertoe dat de rechtbank aanneemt dat de aan hem toe te rekenen omstandigheden voor 75% hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade en de aan de vrouw toe te rekenen omstandigheden voor 25%. Echter is de rechtbank het met de vrouw eens dat de billijkheidscorrectie moet worden toegepast. In dit geval moet dat leiden tot een andere verdeling dan die op basis van causaliteit. De rechtbank komt tot een billijkheidscorrectie van 85%. De rechtbank komt tot de slotsom dat het Waarborgfonds gehouden is om 85% van de schade van de vrouw als gevolg van het ongeval te vergoeden.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 23-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0239

Dit geschil heeft betrekking op een verkeersongeval van de motorrijder in de nacht van 29 mei 2022. Hij is in een bocht tegen een geparkeerd staande auto gebotst en ten val gekomen. Aan de val ging een achtervolging door een (bestuurder van een) politievoertuig vooraf. De motorrijder heeft bij de val ernstig letsel opgelopen. Volgens hem was de politie betrokken bij het ongeval en zijn de politie en de WAM-verzekeraar van het voertuig aansprakelijk voor de gevolgen daarvan. De WAM-verzekeraar heeft namens de politie aansprakelijkheid afgewezen. Er heeft een onderzoek door de Rijksrecherche plaatsgevonden naar het ongeval. Op grond van de conclusie van dit onderzoek heeft het openbaar ministerie vastgesteld dat de motorrijder door eigen toedoen met zijn motor ten val is gekomen en dat de politie daarbij geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De motorrijder heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 12 november 2024 heeft het gerechtshof het beklag van de motorrijder in al zijn onderdelen afgewezen. Volgens de motorrijder heeft de politie gehandeld in strijd met artikel 5 en 6 WVW. De Politie c.s. heeft dit gemotiveerd betwist. Het ongeval is ontstaan doordat motorrijder met te hoge snelheid een bocht naderde en bij het remmen voor die bocht onderuit is gegaan. Er is geen sprake geweest van een aanrijding. Ook was er geen sprake van dat de motorrijder een manoeuvre heeft moeten maken om een aanrijding te voorkomen. Hij had op ieder moment van de relatief korte achtervolging zijn gas kunnen terugnemen. Er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 5 of 6 WVW. Subsidiair doet de motorrijder een beroep op onrechtmatig handelen van de politie in verband met strijd met (onder meer) de Brancherichtlijn Politie 2021. De rechtbank komt tot de conclusie dat niet in strijd met de richtlijn is gehandeld, ook niet door een geringe overschrijding van de toegestane snelheidsbegrenzing, die immers was ingegeven om het kenteken te kunnen lezen. Ter zitting heeft de motorrijder nog verklaard dat hij het stopteken niet heeft gezien en evenmin de optische en geluidssignalen heeft gezien/gehoord tot vlak voor de bocht waarin hij ten val is gekomen. Toen merkte hij de signalen op en is door een schrikreactie ten val gekomen. De rechtbank kan niet zonder meer uitgaan van de juistheid van hetgeen de motorrijder heeft verklaard omdat hij de enige is die dit heeft verklaard en er eerder bij de motorrijder geen herinneringen bestonden direct voorafgaand aan het ongeval. De motorrijder heeft ook aangevoerd dat er sprake was van opjagen ook nadat het kenteken bekend was. De rechtbank stelt vast op grond van de verklaringen en de bevindingen op grond van de bodycambeelden dat sprake was van een relatief korte achtervolging en dat nadat door de politie geconstateerd was wat het kenteken van de motor was, de snelheid van de politieauto is afgenomen en de motor uitliep op de politie. Nu kort daarop het ongeval plaatsvond is naar het oordeel van de rechtbank van opjagen geen sprake. Er zijn geen steekhoudende redenen aangevoerd die leiden tot de slotsom dat van de kant van de bestuurder of de bijrijder van de politieauto onrechtmatig is gehandeld en dat door dit onrechtmatig handelen het ongeval is ontstaan. Slotsom is dat de Politie c.s. niet aansprakelijk zijn voor het ontstaan van het ongeval en het ernstige letsel van de motorrijder.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 23-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0238

De motorrijder is op 22 juni 2019 aangereden door de bestuurder van een personenauto. De motorrijder is hierbij ten val gekomen en heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen. Eerder is de motorrijder al een verkeersongeval overkomen op 30 september 2011. Ten aanzien van dit ongeval heeft de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke partij, in 2018 een (slot)uitkering aan de motorrijder betaald van € 300.000. Op 15 oktober 2020 is de motorrijder, als inzittende van een auto, opnieuw een verkeersongeval overkomen. Tussen de motorrijder en de WAM-verzekeraar van de personenauto is een procedure gevoerd over de aansprakelijkheidsvraag met betrekking tot het ongeval. Het hof Den Haag heeft bij arrest van 2 mei 2023 voor recht verklaard dat de bestuurder voor 50% aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en dat de WAM-verzekeraar gehouden is tot vergoeding van 50% van de geleden en nog te lijden schade. Partijen hebben na de uitspraak van het hof afgesproken een neurologische expertise te laten verrichten op basis van de IWMD-vraagstelling. Bij brief heeft de WAM-verzekeraar aan de motorrijder gemeld dat er zwaarwegende bezwaren bestaan tegen het rapport en dat, op basis van de (alsnog aan te leveren) volledige gegevens, de neurologische expertise opnieuw zal moeten worden verricht. Verder neemt de WAM-verzekeraar in deze brief het standpunt in dat zij niet gehouden kan worden tot vergoeding van enig verlies aan verdienvermogen van de motorrijder. Op basis van de wel aan de deskundige voorgelegde informatie is de rechtbank van oordeel dat hij onvoldoende op de situatie vóór het ongeval (wat betreft het al dan niet aanwezig zijn van klachten) is ingegaan. Het voorgaande betekent, anders dan de WAM-verzekeraar stelt, niet dat het rapport van de deskundige tussen partijen niet als bindend kan worden beschouwd. Wel moeten partijen dit nader laten onderzoeken, waarbij dan de eventueel nog ontbrekende stukken moeten worden meegenomen. Of bij de bepaling van het (eventuele) verlies aan verdienvermogen van de motorrijder acht moet worden geslagen op de schadevergoeding die de motorrijder in 2018 van de toenmalige WAM-verzekeraar heeft ontvangen, is afhankelijk van de uitkomst van het nadere onderzoek door partijen. Als uit dat nadere onderzoek blijkt dat de motorrijder voor het ongeval al klachten (en beperkingen) had en dat er toen geen, of verminderd, reëel arbeidsvermogen was, dan is aannemelijk dat de motorrijder dit (in zoverre) ook niet is kwijtgeraakt als gevolg van het ongeval (en heeft hij in dat geval ook geen (extra) schade wegens verlies aan verdienvermogen geleden) of dat er sprake is van mengschade (waarbij de thans aanwezige schade zijn oorzaak heeft in beide ongevallen). Als geen sprake meer was van klachten (en beperkingen) en er wel een (gedeeltelijk) reëel arbeidsvermogen was, dan is het mogelijk dat hij dit door het ongeval is kwijtgeraakt. Dat in de in 2018 betaalde schadevergoeding mogelijk al een verlies aan verdienvermogen was verdisconteerd doet hier niet zonder meer aan af. Een eventueel herstel nadien (in die zin dat motorrijder weer kon werken) maakt dat er, als hij door het ongeval van 2019 niet meer kan werken, een nieuwe schade is ontstaan die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Het voorgaande leidt tot het volgende ten aanzien van de voorliggende verzoeken. De rechtbank ziet geen aanleiding om het rapport terzijde te schuiven voor zover dat rapport betrekking heeft op de situatie van verzoeker na het ongeval, deze heeft te gelden als basis voor de verdere schaderegeling tussen partijen. Dat geldt niet voor zover het rapport ziet op de situatie van verzoeker vóór het ongeval.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 07-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0237

De werknemer is tijdens zijn werkzaamheden als installatiemonteur voor de werkgever onder stroom komen te staan, waardoor hij letsel heeft opgelopen. Tussen partijen is niet in geschil dat het ongeval heeft plaatsgevonden in de uitoefening van de werkzaamheden. Verder heeft de werknemer tijdens de zitting voldoende nader onderbouwd dat hij (ten minste enige) schade heeft geleden als gevolg van het ongeval, en heeft de werkgever dit niet (verder) weersproken. Gelet hierop draait deze zaak (alleen) om de vraag of de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan. De werkgever heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat zij in dit specifieke geval aan haar zorgplicht heeft voldaan. In november 2022 kwamen er signalen vanuit het werkveld dat de werknemer onveilig te werk ging en onzorgvuldig met bedrijfseigendommen omging. Gelet op de omstandigheden, bestaande uit de signalen over het onveilig werken door de werknemer, de gesprekken die zijn gevoerd, de waarschuwingen die zijn gegeven en het ontbreken van een adequate opvolging daarvan, kunnen vraagtekens worden gezet bij het afgeven van de aanwijzing. Dit had immers tot gevolg dat de werknemer alleen op pad kon gaan (zie het verslag van 11 november 2022 en de verklaringen ter zitting van partijen) en dat er dus sprake zou zijn van geen of minder toezicht door collega’s. In dat licht heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat de aanwijzing zorgvuldig en op goede gronden is afgegeven. Daarnaast heeft de werkgever onvoldoende onderbouwd dat zij na het verstrekken van de aanwijzing op andere wijze voldoende toezicht heeft gehouden op het functioneren van de werknemer. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in dit specifieke geval niet is komen vast te staan dat de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan als bedoeld in artikel 6:758 BW. Dat de werknemer tijdens zijn werkzaamheden op 19 juni 2023 zelf een fout heeft gemaakt door een kabel vast te pakken zonder dat hij zijn veiligheidshandschoenen aan had, leidt niet tot een ander oordeel. De werknemer heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de situatie veilig was en de kabel die hij vastpakte niet onder stroom stond. De werkgever heeft een andere toedracht niet voldoende aannemelijk gemaakt zodat de kantonrechter het door de werknemer geschetste scenario tot uitgangspunt zal nemen. Maar ook als zou komen vast te staan dat de werknemer een andere fout heeft gemaakt, volgt daaruit nog niet dat de werkgever wel aan haar zorgplicht heeft voldaan. Een werkgever mag er immers niet zonder meer op vertrouwen dat de werknemer zelf goed oppast, maar moet rekening houden met een zekere mate van onoplettendheid, hetgeen ook geldt voor ervaren medewerkers. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 12-05-2026