Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0348

Deelgeschil. In 2025 is een fietser ten val gekomen toen hij schrok en hard moest remmen door het plotselinge oversteken van een niet-aangelijnde hond. Hierdoor heeft de man letsel opgelopen. De rechtbank overweegt dat uit de WhatsAppberichten tussen partijen blijkt dat de eigen, onberekenbare gedraging van de hond, namelijk het plotselinge oversteken van het fietspad, direct heeft geleid tot de val van de man. De vrouw, als eigenares van de hond, draagt hiervan het risico. Dat er geen daadwerkelijk contact is geweest tussen de fietser en de hond doet daaraan niets af. Op grond van vaste rechtspraak is het in een deelgeschilprocedure niet noodzakelijk dat duidelijk wordt wat de exacte plaats van het ongeval is, de snelheid waarmee de man fietste en de staat van (de remmen van) de fiets van de man. De door de man verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen. De rechtbank constateert dat partijen op het punt van eigen schuld diametraal tegenover elkaar staan. Voor het beroep op eigen schuld is gelet op deze tegenstrijdige standpunten nadere bewijslevering nodig. Voor nadere bewijslevering is echter geen plaats, omdat dit buiten het bestek van de deelgeschilprocedure valt. Tegen deze achtergrond wordt het tegenverzoek van de vrouw afgewezen. Wel geeft de rechtbank partijen mee dat zij in het verdere onderhandelingstraject kunnen proberen (ook) op dit punt overeenstemming te bereiken of, zo nodig, daarover te procederen in een bodemprocedure, waarin wel ruimte is voor nadere bewijslevering. Nu op dit moment nog volstrekt onduidelijk is of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de fietser en, zo ja, in welke mate, is het niet aangewezen om op voorhand al een voorschot op de door hem geleden schade vast te stellen en de vrouw te veroordelen tot betaling daarvan. Om die reden wordt het door de fietser verzochte voorschot op de schade van € 15.000 afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 23-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0347

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een hamer tegen het gezicht of hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft zeer fors letsel opgelopen. Het hof gaat bij het bepalen van het smartengeld concreet uit van de Rotterdamse schaal (RS) en heeft acht geslagen op de Aanbevelingen van de rechtspraak. Aangezien er bij het slachtoffer sprake is van meervoudig letsel, wordt conform voornoemde Aanbeveling 5 eerst uitgegaan van het zwaarste letsel, dat volledig meetelt, waarna het in ernst tweede letsel voor 50% meetelt. Als zwaarste letsel neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij lijdt aan hersenletsel. Dit valt in de RS als middelzwaar hersenletsel waarin een bandbreedte van € 105.000 tot € 150.000 wordt genoemd. Er zijn daarnaast ook elementen aan te wijzen die vallen onder ernstig hersenletsel te weten dat de benadeelde partij sterk afhankelijk is van anderen en sprake is van een duidelijke aantasting in het intellect en de persoonlijkheid. In deze categorie wordt een bandbreedte van € 150.000 tot € 195.000 genoemd. Omdat bij de benadeelde partij sprake is van elementen uit beide categorieën, zal het hof hiervan het gemiddelde nemen en de schade naar billijkheid bepalen op € 172.500. Als tweede letsel in ernst neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij een Le Fort-fractuur heeft opgelopen. Hierin ziet het hof aanleiding om, gelet op het bepaalde in de RS, een bedrag van € 25.000 als uitgangspunt te nemen. Tot slot ziet het hof aanleiding om, vanwege de uiterst verwijtbare gedragingen van de verdachte, een opslag van 25% toe te passen. Het voorgaande resulteert in een bedrag van € 231.250. Nu daarnaast bij het slachtoffer sprake is van diverse andere letsels, acht het hof het gehele door het slachtoffer gevorderde bedrag van € 234.733 billijk.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 29-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0346

Een vrouw heeft tijdens het trainen met haar personal trainer een dumbbell op haar gezicht en borst gekregen waardoor zij ernstig letsel heeft opgelopen. Aansprakelijkheid is door (de verzekeraar van) de sportschool erkend. In deze procedure is (alleen) de vraag aan de orde of sprake is van eigen schuld van de vrouw in de zin van artikel 6:101 BW. De sportschool stelt zich op het standpunt dat het ongeval het gevolg is van de eigen fout van de vrouw (eigen schuld) en de schadevergoedingsplicht van de sportschool daardoor is beperkt tot 50%. De rechtbank is het met de sportschool eens dat de vrouw eigen schuld heeft aan het ongeval. De rechtbank is daarom van oordeel dat de omstandigheid dat de vrouw door haar handelen zelf heeft bijgedragen aan haar letsel reden is om de schadevergoedingsplicht van de sportschool te verminderen op grond van artikel 6:101 lid 1 BW. De rechtbank acht de beperking van de schadevergoedingsplicht tot 50% niet onredelijk. De vrouw heeft zich nog op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is van enige mate van eigen schuld, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW meebrengt dat geen vermindering van de schadevergoedingsplicht kan plaatsvinden. De vrouw heeft het beroep op de billijkheidscorrectie onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijkt af van het uitgangspunt dat eigen schuld ook wordt toegepast op de kosten van het deelgeschil nu het percentage eigen schuld nu juist inzet van deze procedure is. De kosten dienen volledig vergoed te worden door de sportschool.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 09-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0343

Een verzekeraar weigert om verder nog letselschadezaken af te handelen met drie letselschadebureaus en hun bestuurders met wie zij geen zaken meer wil doen. Het hof is van oordeel dat de verzekeraar de samenwerking met de letselschadebureaus met goede redenen heeft kunnen opzeggen. In beroep wordt – omwille van het beoordelen van de vordering tot proceskostenveroordeling – ook een oordeel gegeven over de door de verzekeraar opgenomen registraties in verschillende interne en externe registers. Het voorlopige oordeel van hof is dat door de verzekeraar onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat voor het registreren in het Incidentenregister en het EVR aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Het ontbreken van kwaliteit in de belangenbehartiging is onvoldoende en niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van zodanige feiten en omstandigheden dat zij als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaringen in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen, dan wel een zwaardere verdenking van een vermoeden van schuld kunnen opleveren. De opname van de in deze procedure betrokken letselschadeondernemingen in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR kunnen volgens het hof wel in stand blijven. Dat geldt niet voor de twee in de procedure betrokken natuurlijke personen. Deze registraties voldoen niet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het hof gebiedt de verzekeraar om deze registraties binnen drie dagen na het wijzen van het arrest te verwijderen en verwijderd te houden.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0342

Een destijds 17-jarig meisje heeft zelfmoord gepleegd. Het meisje heeft voor haar dood regelmatig contact gehad met haar huisartsenpraktijk. De gemeente heeft het overlijden van het meisje als calamiteit gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoekrapport. Hierin wordt geconcludeerd dat de zorg en ondersteuning aan het meisje gedeeltelijk passend was. De vader verzoekt de rechtbank om de huisartsenpraktijk te bevelen een kopie van het medisch dossier van zijn dochter af te geven voor zover dat in verband staat met de zelfdoding en/of de psychische gesteldheid van zijn dochter. Daarnaast verzoekt hij de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van het meisje een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op de vader en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van het meisje op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij het meisje betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt. Dit laat echter onverlet dat het verzoek van de vader tot afgifte van de gegevens van zijn dochter langs een juridische lat moet worden gelegd. De rechtbank overweegt dat er twijfel is of de huisartsenpraktijk de zorg aan het meisje naar behoren heeft verleend. Aan de hand van het dossier kan inzichtelijk worden welke signalen wanneer en met wie zijn gedeeld en op welke wijze de huisartsenpraktijk daarmee vervolgens is omgegaan. De vader heeft aannemelijk gemaakt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van zijn dochter. Het inzageverzoek wordt toegewezen op grond van artikel 7:458a lid 1 sub c BW. De rechtbank volgt het standpunt van de huisartsenpraktijk niet dat de enige wettelijke toegestane route inzage is door een onafhankelijke arts ex artikel 7:458b BW. Deze regeling biedt de verzoekende partij een extra voorziening, maar de verzoekende partij wordt niet verplicht om van deze voorziening gebruik te maken. Dat de vader deze weg niet heeft bewandeld staat niet in de weg aan toewijzing van het inzageverzoek. Het feit dat de dochter tijdens haar leven niet wilde dat haar ouders werden geïnformeerd over haar medische situatie zorgt er ook niet voor dat het inzageverzoek moet worden afgewezen. De dochter heeft niet uitdrukkelijk uitgesproken dat zij niet wenste dat haar ouders te allen tijde, en specifiek na haar overlijden, inzage in of afschrift van gegevens uit haar medisch dossier zouden krijgen en dat deze wens elektronisch of schriftelijk is vastgelegd. Ook het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. De vader heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van de huisartsenpraktijk bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0341

Een destijds 17-jarig meisje heeft zelfmoord gepleegd. Het meisje heeft voor haar dood regelmatig contact gehad met jongerenwerkers van een welzijnsorganisatie: zowel telefonisch, in persoon en via WhatsApp. De gemeente heeft het overlijden van het meisje als calamiteit gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoekrapport. Hierin wordt geconcludeerd dat de zorg en ondersteuning aan het meisje gedeeltelijk passend was. De advocaat van de vader van het meisje heeft de welzijnsorganisatie verzocht om inzage in en kopie van alle stukken die betrekking hebben op de ondersteuning die de organisatie en haar jongerenwerkers hebben geboden aan het meisje. De welzijnsorganisatie weigert dit. Zij stelt dat de jongerenwerkers een geheimhoudingsplicht hebben en dat niet is gebleken van een zwaarwegend belang van de vader dat tot doorbreking van die geheimhoudingsplicht kan leiden. De vader verzoekt nu de rechtbank om de organisatie te bevelen tot afgifte van de stukken en een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van het meisje een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op de vader en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van het meisje op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij het meisje betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt. Dit laat echter onverlet dat het verzoek van de vader tot afgifte van de gegevens van zijn dochter langs een juridische lat moet worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen de vader en de organisatie een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv omdat hij (gemotiveerd en met stukken onderbouwd) stelt dat de organisatie haar zorgplicht heeft geschonden en hij wil onderzoeken of de organisatie jegens hem verplicht is tot vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW. De gevraagde gegevens zijn voldoende bepaald. De vader heeft voldoende belang bij inzage. Er is naar het oordeel van de rechtbank gegronde reden voor twijfel dat de begeleiding van de organisatie naar behoren is verleend, gelet op het rapport van de inspectie. Gesteld nog gebleken is dat op jongerenwerkers een wettelijke geheimhoudingsplicht rust. Evenmin komt hen een wettelijk verschoningsrecht toe. Hoewel de rechtbank zonder meer aanneemt dat jongerenwerkers op deze wijze zinvol en maatschappelijk relevant werk verrichten waaraan een vertrouwensrelatie met de jongere bijdraagt, is daarmee nog niet aannemelijk dat met het effectief kunnen uitoefenen van het beroep van jongerenwerker zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid, laat staan dat deze belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad zonder het aanvaarden van het verschoningsrecht en dat het algemeen belang van de waarheidsvinding daarvoor moet wijken. Ten slotte hebben zij ook geen afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van de informatie die betrekking heeft op zorg door de huisarts en diens praktijkondersteuners. De jongerenwerkers en/of de organisatie hebben immers geen werkzaamheden voor de huisarts(enpraktijk en -ondersteuners) verricht uit hoofde waarvan hen informatie bekend is. De rechtbank wijst ook het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. De vader heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van de organisatie bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0340

Deelgeschil. In 2016 vond een kettingbotsing plaats waarbij een automobiliste letsel heeft opgelopen. De automobiliste was ten tijde van het ongeval werkzaam als apotheker, maar is nu volledig arbeidsongeschikt verklaard. Zij ervaart nog steeds klachten. De WAM-verzekeraar van de auto die de kettingbotsing veroorzaakte heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft een neurologische expertise plaatsgevonden. Deze neuroloog komt in zijn rapport tot de conclusie dat de huidige klachten van pijn in de nek en het achterhoofd redelijkerwijs als het gevolg van het ongeval moeten worden beschouwd. De WAM-verzekeraar blijft zich echter op het standpunt stellen dat er geen causaal verband is en baseert dit oordeel op het advies van haar eigen medisch adviseur. In geschil is tussen partijen of de rapportage van de neuroloog kan dienen als uitgangspunt voor de juridische beoordeling van de verzoeken van de vrouw. De rechtbank oordeelt dat de WAM-verzekeraar geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren heeft. De WAM-verzekeraar is in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over en kanttekeningen te plaatsen bij het conceptrapport. De medisch adviseur van de WAM-verzekeraar heeft geen aanleiding gezien tot het stellen van (aanvullende) vragen. Gelet op de voormelde bezwaren van de WAM-verzekeraar had dat wel op de weg van de WAM-verzekeraar gelegen. Om die reden moeten de bevindingen van de neuroloog tussen partijen tot uitgangspunt worden genomen. De WAM-verzekeraar kan niet achteraf, als de uitkomsten van de gezamenlijke rapportage van 2021 haar niet bevallen en er pas in 2023 een onderzoek is uitgevoerd naar de impact van het ongeval, alsnog aanvullende vragen stellen en dan in dit stadium nog verlangen dat er aanvullend psychologisch en neurologisch onderzoek wordt gedaan of verder onderzoek wordt gedaan naar de impact van het ongeval. Dat had de WAM-verzekeraar allemaal kunnen aankaarten in het kader van de gezamenlijke expertise en dat heeft zij niet gedaan. Van een redelijk handelend verzekeraar mag onder deze omstandigheden worden verwacht dat zij zich conformeert aan het rapport van een in gezamenlijk overleg ingeschakelde deskundige. Op basis van de verschillende door de vrouw overgelegde medische rapporten die zijn opgesteld en het rapport van de neuroloog is de rechtbank van oordeel dat de vrouw heeft aangetoond dat haar klachtenpatroon plausibel is en dan mogen aan het bewijs van het oorzakelijk verband geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. De vrouw toont een consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon. Een alternatieve (zelfstandige) verklaring voor de klachten is onvoldoende aannemelijk geworden. Het causaal verband wordt aangenomen. Het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat (een deel van) de door haar beschreven symptomen en klachten leiden tot beperkingen bij haar als gevolg waarvan zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is wordt afgewezen. Een in opdracht van partijen uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft immers nog niet plaatsgevonden en het is niet aan de rechtbank om zonder dergelijk onderzoek zelf vast te stellen dat de met het ongeval causaal samenhangende klachten en symptomen leiden tot beperkingen die tot gevolg hebben dat de vrouw volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht. Dat geldt zelfs in het geval dat dit voor de hand lijkt te liggen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 03-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0339

Tussenvonnis. In een eerder tussenvonnis is een deskundigenonderzoek bevolen over de looptijd van de door de eisende partij geleden en te lijden schade (het verlies aan verdienvermogen). De deskundige heeft de aan hem voorgelegde vragen beantwoord. De vraag die partijen verdeeld houdt is in hoeverre vervolgens rekening moet worden gehouden met het pre-existent letsel van de eisende partij en of hij al dan niet vanwege de aanwezigheid van een pensioenvoorziening eerder zou zijn gestopt met werken. De rechtbank acht, de goede en kwade kansen afwegend, aannemelijk dat de eisende partij in de hypothetische situatie tot aan het bereiken van zijn AOW-leeftijd (thans 67,5 jaar) zou hebben doorgewerkt in zijn onderneming. Dat betekent dat voor de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen moet worden gerekend tot 30 maart 2034. De rechtbank kan zich voorstellen dat, nu er duidelijkheid is over het einde van de looptijd van deze schadepost, partijen in staat zijn in onderling overleg tot een berekening van de schade wegens het verlies aan verdienvermogen te komen. Wanneer dat in onderling overleg niet mogelijk blijkt, zal de rechtbank een deskundige benoemen, waarbij vooralsnog kan worden volstaan met één deskundige. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld zich in dat geval uit te laten over de persoon en de expertise van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank noemt een potentiële deskundige bij naam.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 08-07-2026