Naar boven ↑
7.436 resultaten

Rechtspraak

PS 2024-0220

Deelgeschil. Verkeersongeval tussen bromscooter en automobilist, als gevolg waarvan de passagier van de bromscooter letsel heeft opgelopen. Nadat de bestuurder en diens moeder aansprakelijkheid van de hand wijzen, went hij zich als opzittende schuldloze derde tot Allianz, de WAM-verzekeraar van de automobilist. Allianz neemt ex artikel 25 lid 4 WAM de zaak in behandeling, waarbij zij vermeldt dat zij een eigenschuldpercentage van 50% toepast en dat zij ex artikel 6:102 BW een deel van de schadevergoeding zal verhalen bij (de ouders van) de bestuurder. De rechtbank oordeelt dat de automobilist jegens de passagier van de bromscooter onrechtmatig heeft gehandeld, door ten onrechte geen voorrang te verlenen. Ook is de bestuurder van de bromscooter aansprakelijk, door de passagier zonder helm als opzittende op zijn bromscooter te vervoeren, terwijl hij pas 15 jaar oud was en niet over het vereiste rijbewijs beschikte, ook van zijn moeder niet op de scooter mocht rijden, de scooter niet verzekerd was (en was opgevoerd), de scooter in het donker geen behoorlijke koplamp voerde en ook anderszins gebrekkig was, en vervolgens ten onrechte niet op de autorijbaan is gaan rijden, maar op het fietspad dan wel het zebrapad. Nu alle drie de betrokkenen fouten hebben gemaakt, wordt de causale bijdrage ieder op een derde gesteld, waarbij aanvullend geldt dat, voor zover de schade is verergerd door het niet dragen van een helm, van deze schade 25% extra voor rekening komt van de passagier. Bij de billijkheidscorrectie gaat de rechtbank uit van twee situaties: situatie (a) met wetenschap van het feit dat de bestuurder jonger was dan 16 jaar en situatie (b) zonder die wetenschap. In situatie a komt 33% van de schade voor rekening van de passagier en in situatie b 25%, steeds met dien verstande dat voor zover de schade door het niet dragen van de helm is verergerd, van deze schade in situatie a 58% (33% + 25%) en in situatie b 50% (25% + 25%) voor rekening moet blijven van de passagier.
Rechtbank Gelderland, 04-04-2024

Rechtspraak

PS 2024-0218

Strafrecht. Bewezenverklaring van moord op zakenpartner blijft in stand, wel moet de zaak op het punt van de schadevergoeding volgens de Hoge Raad opnieuw worden behandeld. De partner van het slachtoffer vordert een schadevergoeding van bijna € 340.000 aan gederfd levensonderhoud. De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof dat de volledige vordering tot schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud toewijsbaar is, ontoereikend is gemotiveerd. Het hof heeft de vordering integraal toegewezen en daarbij overwogen dat de benadeelde partij haar vordering heeft onderbouwd met een berekening van een fiscalist aan de hand van een geaccepteerde rekenmethode en gebruikelijke standaardbedragen, en dat de verdediging geen initiatief heeft genomen voor het laten verrichten van een tegenonderzoek. Verder heeft het hof overwogen dat de verdediging ter betwisting van de vordering slechts in het algemeen heeft gesteld dat het een omvangrijke post betreft, dat de berekening eenzijdig is opgesteld en dat er een vraagteken kan worden gezet bij het berekende jaarlijkse inkomen, nu het de laatste jaren slechter ging met het bedrijf. Volgens de Hoge Raad mag van de strafrechter bij omvangrijke vorderingen worden verwacht dat hij er blijk van geeft te hebben beoordeeld of partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de aanvaardbaarheid van een rekenmethode nog niet meebrengt dat de uitkomsten daarvan ook aanvaardbaar zijn als niet is vastgesteld dat de eenzijdig aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens aanvaardbaar zijn. Deze cassatieklacht slaagt. Terugwijzing.
Hoge Raad, 23-04-2024