Naar boven ↑
8.873 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0418

De werkneemster is in dienst geweest bij een kaashandel. Vast staat dat de werkneemster verschillende klachten heeft, zoals artrose in handen, elleboog, schouder, rug, heupen, knieën en voeten, lichte artrose in CMC1-gewrichten, tendinitis (peesontsteking) in schouder en veranderingen in de lumbale wervelkolom. Daarnaast kampt de werkneemster met mentale problemen. Het gaat in deze zaak om de vraag of de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die de werkneemster stelt te hebben geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. De aandoeningen van de werkneemster hebben een multi-causaal ziektebeeld. De werkneemster stelt dat de aandoeningen waaraan zij lijdt een rechtstreeks gevolg zijn van de zware werkomstandigheden bij werkgever. Zij onderbouwt haar stelling met verschillende verklaringen van (oud-)werknemers en licht de zware werkomstandigheden toe. De werkgever betwist niet dat het werk dat de werkneemster verrichtte zwaar was, maar heeft de geschetste werkomstandigheden op bepaalde punten gemotiveerd weersproken. De kantonrechter is echter van oordeel dat de werkneemster de blootstelling aan schadelijke werkomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De overgelegde getuigenverklaringen zijn gemotiveerd betwist en de werkneemster heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de werkomstandigheden ook schadelijk konden zijn voor de gezondheid. Daarmee is niet aan het eerste vereiste voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voldaan. Ook aan het tweede vereiste is niet voldaan, omdat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende is komen vast te staan dat de klachten van de werkneemster kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden. De werkneemster draagt nu de volledige bewijslast. Pas als zij hierin is geslaagd, komt de vraag aan de orde of de werkgever de op hem rustende zorgplicht is nagekomen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 13-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0417

Het verzoekschrift strekt er in de kern toe dat de rechtbank voorlopige deskundigenberichten zal bevelen ter beantwoording van de in het verzoekschrift opgenomen vraagstellingen, met benoeming van een door de rechtbank aan te wijzen neuroloog tezamen met een psychiater, verzekeringsarts en bedrijfseconoom. Daarnaast wordt verzocht om te bepalen dat de kosten van het onderzoek en dus ook van het voorschot op deze kosten ten laste van de verzekeraar zullen worden gebracht. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat partijen in grote lijnen overeenstemming hebben bereikt over het plan van aanpak in onderhavige zaak. Het plan van aanpak komt erop neer dat partijen het eens zijn dat er eerst een neuroloog en een psychiater worden benoemd. De beslissing op het verzoek tot benoeming van een verzekeringsarts en bedrijfseconoom zal, mede gelet op de daarmee gepaard gaande kosten, in afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek van de neuroloog en psychiater, worden aangehouden. De rechtbank benoemt de neuroloog en de psychiater en oordeelt dat de verzekeraar de kosten van het deskundigenonderzoek moet voorschieten. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om aan te sluiten bij de nieuwe IWMD-vraagstelling uit 2025. Anders dan verzoeker lijkt te betogen, is het de rechtbank niet gebleken dat de nieuwe vraagstelling onzorgvuldig tot stand is gekomen. De IWMD-vraagstelling is tot stand gekomen onder leiding van De Letselschade Raad, een onafhankelijke en overkoepelende organisatie in de letselschadebranche. Volgens De Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling vastgesteld na een intensief proces van zes jaar, waarbij de vorige versie branchebreed is geëvalueerd. De nieuwe versie sluit volgens De Letselschade Raad aan bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. Dat daarbij in de vraagstelling meer aandacht is voor de predispositie en pre-existentie mag zo zijn, maar dat zijn volgens de rechtbank ook onderwerpen die niet onderbelicht moeten blijven, zeker niet bij zaken waar het gaat om moeilijk objectiveerbaar letsel.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 07-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0416

Het bedrijf verkoopt en verhuurt onder andere rolstoelen. Door het bedrijf is er een nieuwe rolstoel ter beschikking gesteld aan de man. In eerste instantie is de rolstoel zonder achterwielen geleverd. Het bedrijf ging ervan uit dat de achterwielen van de oude rolstoelen zouden worden omgezet. Vervolgens is het bedrijf nog tweemaal lang geweest om de rolstoel aan te passen. Na de derde keer heeft de man de rolstoel gebruikt. Hij is die dag naar de vlonder in zijn achtertuin gereden vervolgens heeft de man een wheelie gemaakt en is voorover uit de rolstoel gevallen. Hierdoor heeft de man zijn rechteronderbeen gebroken. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bedrijf aansprakelijk is. De daaropvolgende buitengerechtelijke onderhandelingen over de afwikkeling van de schade hebben niet tot een overeenkomst geleid. Partijen blijven verdeeld over de vraag of sprake is van enige mate van eigen schuld en of causaal verband bestaat tussen het ongeval en de verhuizing van de man. Op basis van het in kracht van gewijsde gegane vonnis staat vast dat de oorzaak van de val is gelegen in de onjuiste afstelling van de rolstoel. Het bedrijf heeft aangevoerd dat de rolstoel niet geschikt was voor het uitvoeren van een wheelie. Dat bepaalde typen rolstoelen mogelijk makkelijker of soepeler kunnen kiepen maakt op zichzelf nog niet dat het uitvoeren van een wheelie geen normale basisvaardigheid meer is of dat de man reeds daarom onvoorzichtig zou hebben gehandeld. Aan het voorgaande doet evenmin af dat in de gebruikershandleiding van de rolstoel wordt gewaarschuwd voor het risico op een val. Daarnaast heeft het bedrijf geen feiten of omstandigheden gesteld die – mits bewezen – kunnen leiden tot het oordeel dat de man dermate onvoorzichtig heeft gehandeld dat hij zich anders heeft gedragen dan een redelijk rolstoelgebruiker onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen dragen dat de bewoning van de boerderij als gevolg van de val niet langer mogelijk was en dat de verhuizing naar het seniorenappartement daardoor noodzakelijk is geworden. De rechtbank concludeert dat het beroep van het bedrijf op eigen schuld aan de kant van de man wordt afgewezen en dat de gevorderde verklaring voor het recht dat er sprake is van een causaal verband tussen de verhuizing en de val wordt afgewezen.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 09-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0415

De man onderging een medisch onderzoek bij het ziekenhuis ter evaluatie van het eerder gecoilde aneurysma. De man onderging hierna een operatie bij het UMC. Partijen vermoeden dat het coil-materiaal (‘spiraaltje’) dat is gebruikt in de loop van de tijd op de oogzenuw van de man is gaan drukken. Sinds de operatie is de man steeds minder goed gaan zien met zijn rechteroog en heeft hij last van dubbelbeelden. De man vordert in dit kort geding een voorschot op de schadevergoeding van het ziekenhuis vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, althans onrechtmatige daad. Het ziekenhuis voert zowel een verjarings- als een causaliteitsverweer en voert verder aan dat sprake is van een restitutierisico. De kantonrechter oordeelt dat het bestaan van een vordering van de man op het ziekenhuis, gelet op het gevoerde verjarings- en causaliteitsverweer, onvoldoende aannemelijk geworden is voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in kort geding. Een onmiddellijke voorziening is dan niet op zijn plaats, temeer nu er een reëel risico bestaat dat de man niet kan terugbetalen. Hoewel de situatie van de man prangend is en zijn belang bij een voorschot op schadevergoeding voldoende aannemelijk, weeg dat niet op tegen het belang van het ziekenhuis om bij de onzekere vordering tot een voorschot op schadevergoeding veroordeeld te worden. Dit betekent dat de vordering wordt afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0413

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag en aan wapen- en munitiebezit. Op klaarlichte dag heeft hij met een vuurwapen gericht op het slachtoffer geschoten en hem daarbij in zijn arm geraakt. Daardoor is bij het slachtoffer gecompliceerd armletsel ontstaan. Het slachtoffer houdt hier in ieder geval een aanzienlijk litteken aan over en het is nog onduidelijk of de functionaliteit van zijn arm volledig zal herstellen. Het slachtoffer vordert € 75.000 aan immateriële schade. De kogel heeft aanzienlijke schade bij de benadeelde partij aangericht, waardoor hij twee keer moest worden geopereerd en aan een lang hersteltraject moest beginnen. Het psychische letsel ten gevolge hiervan is aannemelijk en ook voldoende onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het slachtoffer recht heeft op smartengeld. De rechtbank gaat daarbij uit van een bedrag van € 27.000 wegens het ontstaan van middelzwaar armletsel (categorie 5.7.b). Omdat niet vaststaat dat het hierbij om blijvend letsel gaat, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een verhoging van 25% vanwege de jonge leeftijd van het slachtoffer, nu dit – gezien de aanbeveling – geldt bij blijvend letsel. Wel zal de rechtbank een verhoging van 10% (€ 2.700) toepassen wegens ernstig verwijtbaar handelen van de verdachte, waarbij de rechtbank is uitgegaan van voorwaardelijk opzet bij de verdachte. De rechtbank komt tot een vergoeding van € 10.000 wegens het ontstaan van middelzwaar geestelijk letsel (traumaklachten) en sluit daarbij aan bij de categorie ‘middelzwaar’ omdat ook in dit geval niet vaststaat dat er sprake is van blijvende beperkingen (categorie 14.1.c). Ten slotte komt de rechtbank tot een bedrag van € 10.000 wegens het ontstaan van middelzware littekenvorming (categorie 10.b) en daarbovenop een verhoging van 25% (€ 2.500), vanwege de jonge leeftijd van het slachtoffer, omdat dit letsel naar verwachting blijvend is. Bij beide laatstgenoemde bedragen zal de rechtbank een verhoging van 10% (€ 2.250) toepassen wegens ernstig verwijtbaar handelen van de verdachte. De rechtbank komt tot de conclusie dat het slachtoffer recht heeft op vergoeding van € 54.450 aan immateriële schade.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 03-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0412

Strafrecht. Verdachte heeft met een scherp voorwerp zwaar lichamelijk letsel toegebracht aan het rechterbovenbeen van zijn toenmalige vriendin, als gevolg waarvan zij is komen te overlijden. Ten tijde van het incident was de dochter van het slachtoffer aanwezig in de woning. Daarnaast heeft de verdachte zich op een eerder moment schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. De moeder van het slachtoffer heeft € 27.500 aan immateriële schade gevorderd, waarvan € 17.500 aan affectieschade en € 10.000 aan shockschade. De rechtbank wijst de gevorderde affectieschade toe. Daarnaast wijst de rechtbank de gevorderde shockschade ook toe. Uit de stukken volgt dat de moeder onverwacht te horen heeft gekregen dat haar dochter in het ziekenhuis was opgenomen met levensbedreigende verwondingen en in comateuze toestand verkeerde. Tevens heeft zij in het ziekenhuis moeten aanschouwen hoe de pogingen van het medisch personeel om haar dochter in leven te houden uiteindelijk tevergeefs waren. Uit het verslag van de huisarts volgt ook dat zij is verwezen naar een psycholoog vanwege PTSS-klachten. Nu de vordering is onderbouwd, niet gemotiveerd is betwist en de rechtbank het gevorderde bedrag redelijk vindt, wijst de rechtbank de vordering in zijn geheel toe. De dochter en de zoon van het slachtoffer hebben zich ook als benadeelde partij gevoegd. De dochter vordert € 50.000 aan vergoeding van immateriële schade, deze omvat € 20.000 aan affectieschade en € 30.000 aan shockschade. De zoon heeft € 38.500 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, waarvan € 20.000 aan affectieschade en € 18.500 aan shockschade. De rechtbank zal de vorderingen van de affectieschade toewijzen tot een bedrag van elk € 20.000. De rechtbank is van oordeel dat ook de vordering tot schokschade voldoende is onderbouwd. In het geval van de dochter geldt dat zij aanwezig was in de woning toen het feit heeft plaatsgevonden en heeft zij haar moeder toen nog gezien. Zowel de dochter als de zoon hebben hun moeder in het ziekenhuis gezien. Daarnaast heeft een gedragswetenschapper naar voren gebracht dat wat hem betreft vaststaat dat de kinderen psychische schade hebben opgelopen als direct gevolg van het overlijden van hun moeder. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevorderde schokschade kan worden toegewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0411

Er is schade ontstaan toen de man met zijn auto in botsing kwam met een tegenligger en die tegenligger daardoor tegen een geparkeerd staande auto reed. Bij een voorlopig ademonderzoek (blaastest) bleek de hoeveelheid alcohol in de adem van de man meer dan de toegestane hoeveelheid. Bij onherroepelijk vonnis is de man door de politierechter veroordeeld voor rijden onder invloed. De verzekeraar heeft de door beide derden geleden schade vergoed. Het gaat in deze zaak om de beantwoording van de vraag of de verzekeraar op de man een verhaalsrecht heeft voor schade die hij als WAM-verzekeraar aan derden heeft vergoed. De man stelt zich op het standpunt dat hij ‘telkens [heeft] gesteld dat mogelijk een onjuist resultaat uit de ademalcoholanalyse zou volgen, omdat hij voor het reinigen van zijn kunstgebit gebruik maakt van ontsmettingsalcohol en mondwater’. Welk ontsmettingsmiddel en wat voor mondwater de man precies heeft gebruikt en hoeveel tijd voorafgaand aan de aanrijding die middelen zijn gebruikt, heeft hij niet gesteld. Ook over de vraag of hij nu wel of niet daarnaast alcohol had genuttigd heeft hij zich niet uitgelaten. Het hof heeft een en ander niet aan de man kunnen vragen, omdat hij zonder (goede reden) niet op de mondelinge behandeling is verschenen. Dat daarmee onduidelijkheid bestaat komt voor rekening van de man. Op grond van het voorgaande moet wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting door de man als vaststaand worden aangenomen dat hij tijdens de aanrijding onder invloed was van alcohol. Het hof bevestigt, net zoals de kantonrechter, de vraag of de WAM-verzekeraar een verhaalsrecht heeft en wijst de vordering van de WAM-verzekeraar toe.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 25-08-2026