Deze zaak gaat over de hoogte van de schade die de man heeft geleden en mogelijk nog lijdt als gevolg van een ongeval waarvoor de verzekeraar aansprakelijkheid heeft erkend. Op 24 maart 2013 is de man betrokken geweest bij een verkeersongeval. Hij was op dat moment 27 jaar oud. Hij stond in de berm van een naast de weg gelegen fietspad, toen hij werd aangereden door een van de weg geraakte auto. Hij heeft door het ongeval ernstig letsel opgelopen (schedel-hersenletsel, fracturen schouder en sleutelbeen, wervelfracturen borstwervelkolom en ribfracturen). De verzekeraar heeft een bedrag van € 113.504,27 aan de man vergoed, waarvan € 86.000 aan (persoonlijke) schadevergoeding en € 27.504,27 aan buitengerechtelijke kosten. Partijen hebben geprobeerd buitengerechtelijk tot een schaderegeling te komen, maar zijn daar niet in geslaagd. De partijen hebben gezamenlijk opdracht gegeven tot meerdere expertises. In eerste aanleg heeft de man veroordeling van de verzekeraar tot betaling van € 1.228.846,48 gevorderd. Een groot deel van deze vordering betreft het verlies van verdienvermogen. De man, die ten tijde van het ongeval op basis van een tijdelijk contract van 24 uur per week als supportmedewerker BOPZ werkzaam was, stelt dat hij in de situatie zonder ongeval meer uren zou zijn gaan werken, promotie zou hebben gemaakt en meer zou zijn gaan verdienen dan in de situatie met ongeval het geval is (geweest). De rechtbank kwam tot de conclusie dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer schade heeft geleden en nog lijdt dan de verzekeraar heeft uitgekeerd. De vorderingen van de man zijn door de rechtbank afgewezen. In de procedure in hoger beroep vordert de man vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof volgt met inachtneming van de maatstaf uit onder meer het molenaarszoon-arrest de door de man gehanteerde uitgangspunten niet. Toekomstig verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval kan niet worden vastgesteld omdat daarvoor onvoldoende is aangevoerd en het verschenen verlies aan verdienvermogen al is vergoed. De man heeft geen bewijs aangeboden van voldoende onderbouwde stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden. De man heeft ook niet voldoende onderbouwd dat hij in de toekomst minder huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten. Hij heeft onvoldoende aangevoerd waarom hij in 2015 wel nog deze taken kon uitvoeren en in 2019 niet meer. Overige schadeposten worden eveneens afgewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 22-07-2025