Kort geding. In augustus 2019 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een motorfiets en een personenauto. De motorrijder heeft als gevolg van de aanrijding letsel aan zijn rechterarm opgelopen. Hij is meer dan twintig keer geopereerd, maar zijn rechterarm/hand functioneert tot op heden niet volledig. Voor het ongeval was hij APK-keurmeester en eigenaar van een garage. Sinds 3 augustus 2015 had hij een eenmanszaak. Hij handelde in tweedehands (schade)voertuigen, waarbij zijn verdienmodel erop was gericht om schadevoertuigen in te kopen om die na reparatie (die hij zelf uitvoerde) met winst te verkopen. Na het ongeval heeft hij niet meer voor zijn eigen onderneming kunnen werken. In november 2019 is de onderneming opgeheven. De man heeft de WAM-verzekeraar van de personenauto aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade. In 2023 heeft de rechtbank een beschikking gewezen in de deelgeschilprocedure. Hierin is geoordeeld dat de motorrijder voor 75% aansprakelijk is voor het ongeval en dat de WAM-verzekeraar op haar beurt 25% aansprakelijk is voor het ongeval. Na de beschikking hebben partijen geprobeerd om de kwestie in der minne te regelen. In februari 2024 is door de WAM-verzekeraar een voorschot van € 10.000 aan de motorrijder ter beschikking gesteld. Er is daarna nog gecorrespondeerd over aanvullende voorschotten, een huisbezoek en een minnelijke regeling. Een nader voorschot en/of een toezegging over het betalen van het volledige bedrag voor een nadere expertise van de WAM-verzekeraar bleven uit, waardoor de motorrijder een kort geding is gestart. Voor de zitting heeft de WAM-verzekeraar vervolgens alsnog een voorschot van € 20.000 aan de motorrijder toegekend. In de periode daarna hebben partijen wederom getracht een schikking te bereiken en is ook een concreet voorstel besproken, maar de WAM-verzekeraar is uiteindelijk niet akkoord gegaan. De motorrijder heeft een bodemprocedure tegen de WAM-verzekeraar aanhangig gemaakt. Daarin heeft hij onder andere gevorderd dat aan hem verlof wordt verleend om in hoger beroep te gaan tegen de deelgeschilbeschikking. Dit is toegestaan en de bodemprocedure in afwachting daarvan is verwezen naar de parkeerrol. In de tussentijd heeft de motorrijder bij verzoekschrift aan de rechtbank Den Haag verzocht om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. In die zaak vond in december 2025 een mondelinge behandeling plaats. Verder is de motorrijder dit kort geding gestart waarin hij een aanvullend voorschot vordert. Om de zaak uit de impasse waarin deze zich bevindt te halen, zal de voorzieningenrechter een voorschot van € 20.000 aan de motorrijder toewijzen waarbij de motorrijder geacht wordt vooralsnog (minimaal) € 10.000 beschikbaar te houden om zo nodig bij te dragen aan de kosten van een nadere (medische) expertise, waar hij in de verzoekschriftprocedure bij deze rechtbank zelf ook om verzoekt, om zijn schade nader in kaart te brengen en ter bevordering van afwikkeling van de letselschadezaak. De voorzieningenrechter kan dit uiteraard niet bindend aan de motorrijder opleggen maar geeft het mee als een klemmend advies teneinde eraan bij te dragen dat de schaderegeling nu op afzienbare termijn gestalte kan krijgen. De voorzieningenrechter acht, op basis van het vooralsnog geldende uitgangspunt dat de WAM-verzekeraar voor 25% aansprakelijk is, in dit kader voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de totale schade meer beloopt dan het straks in totaal door de WAM-verzekeraar betaalde bedrag aan voorschotten. Het door de WAM-verzekeraar aangevoerde restitutierisico acht de voorzieningenrechter – bij deze stand van zaken – dan ook verwaarloosbaar.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 19-12-2025