In 2017 heeft een man samen met anderen tegen betaling een schuur gedemonteerd. Tijdens deze werkzaamheden is gebruikgemaakt van een los op de dragers van een door de opdrachtgever bestuurde vorkheftruck geplaatste metalen bak. De man en een ander hebben in deze bak gestaan om op een hoogte van omstreeks 2 meter een dakspant te demonteren. De metalen bak is met hen erin van de dragers afgevallen. De man is daarbij onder de bak terechtgekomen en heeft daardoor letsel opgelopen aan zijn rechterarm/-elleboog. Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank is geoordeeld dat de opdrachtgever aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van dit ongeval. Ook heeft zij geoordeeld dat deze schade voor 50% voor rekening van de man blijft, vanwege de aanwezigheid van eigen schuld van de man aan het ontstaan van de schade. Onderhavige procedure is de schadestaatprocedure volgend op het vonnis. De man vordert in deze procedure de helft van het in zijn schadestaat genoemde bedrag, bestaande uit schade ten gevolge van onder meer verlies aan arbeidsvermogen, zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp en smartengeld. Dit gaat om een bedrag van € 152.091,75. De opdrachtgever betwist het bestaan en de omvang van alle opgevoerde schadeposten, alsmede het causaal verband tussen deze schadeposten en het ongeval. De rechtbank oordeelt dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat na maart 2018, toen de man weer aan het werk was gegaan, nog sprake is geweest van behandelingen (orthopedisch, fysiotherapeutisch of anderszins). Evenmin is er onvoldoende feitelijke houvast voor de aanname dat van relevante beperkingen ten gevolge van het letsel dat de man door het ongeval heeft opgelopen sindsdien nog sprake was. Tegen deze achtergrond beoordeelt de rechtbank de schadeposten die de man in zijn schadestaat heeft opgevoerd. De rechtbank begroot de gevorderde reiskosten van € 250 in redelijkheid op € 150. De vergoeding van de ziektekosten wordt afgewezen. De kosten voor de huishoudelijke hulp worden eveneens afgewezen. De stelling van de man dat hij een vast aandeel had in het huishouden kan zonder nadere toelichting niet worden gevolgd. De man laat ten onrechte in het midden wat zijn daadwerkelijke bijdrage aan het huishouden in Polen was en wat in dit verband ‘wanneer hij thuis was’ betekent. Dat is relevant omdat hij ten tijde van het ongeval al enige tijd in Nederland werkte (als onderaannemer van zijn in Nederland gevestigde broer) en hier ook verbleef. Dat hij daadwerkelijk een structureel aandeel in het huishouden had, waarvan hij kennelijk gedurende langere periode aaneen geen onderdeel uitmaakte en dat door anderen moest worden opgevangen, kan niet zonder nadere toelichting worden aangenomen. De man heeft verder nog kosten in verband met mantelzorg gevorderd. Uit de medische informatie leidt de rechtbank af dat aannemelijk is dat de man de eerste maanden na het ongeval en de operatie (zij het in afnemende mate) beperkt is geweest in het gebruik van zijn rechterarm. Dat dit hindert bij de persoonlijke verzorging en andere dagelijkse aangelegenheden en dat de man daarbij dus op hulp aangewezen was, is aannemelijk. Daarbij geldt dat laagdrempelige en min of meer gebruikelijke hulp aan een naaste doorgaans niet aan een derde wordt uitbesteed en in zoverre ook niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank begroot deze schadepost op een bedrag van € 750. Daarnaast vordert de man kosten in verband met verlies van zelfwerkzaamheid. Hij stelt daartoe dat hij in Polen een eigen woning bezit en dat hij het onderhoud en allerhande bouwkundige werkzaamheden daaraan altijd zelf deed. Met de wederpartij stelt de rechtbank vast dat de man zijn vordering op dit punt nauwelijks heeft onderbouwd. Hij heeft wel gesteld maar niet onderbouwd dat hij een eigen woning bezit. Evenmin heeft hij toegelicht om wat voor soort woning het gaat, terwijl de richtlijn van De Letselschade Raad waarop hij zich beroept onderscheid maakt naar de situatie en de mate van daarbij passende te verwachten werkzaamheden. Relevant daarbij is niet alleen of sprake is van een koop- of een huurwoning, maar ook of de woning een tuin heeft, onderhoudsgevoelig is, of het een vrijstaande woning, een rijtjeswoning of een flat of appartement betreft. De rechtbank ziet geen grond voor het aannemen van schade op dit punt. Aangezien de man in Nederland zou zijn gebleven om te werken als het ongeval niet had plaatsgevonden was het van zelfwerkzaamheid in en om het huis in Polen hoe dan ook niet gekomen. Ten slotte vordert de man een vergoeding aan verlies aan arbeidsvermogen en smartengeld. De rechtbank overweegt dat op de door de man aangeleverde bescheiden niet vast is te stellen welk verlies aan inkomsten de man heeft geleden. De rechtbank komt tot een redelijk bedrag van € 7.000. De immateriële schade begroot de rechtbank op € 1.000. In totaal zal de opdrachtgever € 4.450 aan de man moeten vergoeden.
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 29-07-2020