De vrouw is betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarna sprake was van een whiplash en zij arbeidsongeschikt is geraakt. De vrouw heeft voor de afhandeling een belangenbehartiger in de arm genomen, die aangesloten is bij het Nederlands Instituut van Registerexperts (NIVRE). Deze heeft in mei 2017 met de aansprakelijke verzekeraar een definitieve regeling getroffen. Er was nog geen sprake van een medische eindtoestand. Een vaststellingsovereenkomst is gesloten en door de verzekeraar is € 20.000 aan de vrouw betaald. Na het sluiten van de overeenkomst is de vrouw in de bijstand terechtgekomen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de belangenbehartiger in de verlening van zijn bijstand aan de vrouw toerekenbaar tekort is geschoten. Zij heeft een klacht ingediend bij het NIVRE. Het tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de vrouw de belangenbehartiger gedagvaard, waarna de rechtbank haar vorderingen heeft afgewezen. Het hof beslist echter in het voordeel van de vrouw. Het hof oordeelt dat aan het oordeel van het tuchtcollege in deze zaak geen beslissende betekenis toekomt en de reden waarom wordt in deze uitspraak uitgebreid uitgelegd. Het hof komt tot de conclusie dat de belangenbehartiger niet over de (ten minste basale) kennis beschikt van de juridische regelingen die invloed kunnen hebben op de hoogte van de schadevergoeding waarop een slachtoffer aanspraak kan maken. De belangenbehartiger, die volgens het hof als register-expert in de onderhandelingsfase grotendeels gelijk te stellen is met een adviserend advocaat, kon ook niet aangeven hoe hij tot het bedrag uit de vaststellingsovereenkomst is gekomen. Verder tekent het hof aan dat het best denkbaar is, en in de praktijk niet geheel ongebruikelijk, dat een finale regeling wordt getroffen als nog geen sprake is van een medische eindtoestand. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam expert mag wel worden verwacht dat die de daaraan verbonden risico’s dan vooraf met zijn cliënt bespreekt en beschikt over de laatste medische informatie, zodat hij zijn cliënt een verantwoorde afweging kan laten maken, uitgaande van de verschillende scenario’s. De belangenbehartiger is ook op dit punt tekortgeschoten. Hij beschikte niet over de laatste medische informatie, had geen overleg gehad met een medisch adviseur en heeft de vrouw niet betrokken bij het doen van een voorstel voordat hij een regeling trof met Achmea. De belangenbehartiger heeft de vrouw volgens het hof niet adequaat geadviseerd, waardoor de vrouw, door de wijze waarop de belangenbehartiger de regeling presenteerde en mede in het licht van het grote verschil in kennis over de materie van de regeling van een letselschadezaak tussen de vrouw en de belangenbehartiger, zich volgens het hof terecht gedwongen voelde het aanbod van de verzekeraar te accepteren. Het hof oordeelt dat de belangenbehartiger in persoon en het schaderegelingsbureau waarvoor hij werkte aansprakelijk zijn jegens de vrouw. Zij worden hoofdelijk veroordeeld de door haar als gevolg van de tekortkoming geleden schade te vergoeden. Die schade moet worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 15-09-2026