Naar boven ↑
8.873 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0428

Een patiënt is in verband met rugklachten geopereerd. Als gevolg van deze operatie heeft de patiënt een gedeeltelijke dwarslaesie opgelopen en is hij rolstoelgebonden. De rechtbank heeft de vordering tot aansprakelijkheid van het ziekenhuis afgewezen. Het hof heeft bij tussenarrest een deskundige benoemd. Door tussenkomst van het IGZ is nog een extern onderzoek verricht door een andere deskundige. Het hof volgt in zijn eindarrest het vonnis van de rechtbank. Het middel klaagt onder meer dat de overwegingen van het hof onbegrijpelijk zijn. Volgens het middel is het oordeel van het hof dat er in theorie maar twee keuzemogelijkheden waren (uitstel van de operatie met neurologische follow-up of direct opereren) en dat bij uitstel ook op enig moment dezelfde operatie met dezelfde risico’s zou moeten worden uitgevoerd onbegrijpelijk. Volgens het middel zou de patiënt, in het licht van de bevindingen van de door het hof benoemde deskundige, de keuze hebben gehad om zich niet te laten opereren. De Hoge Raad overweegt dat het hof heeft gesteld dat uit de opinie van de door het IGZ benoemde deskundige volgt dat sprake was van progressie van het neurologische beeld en dat een operatie hoe dan ook op enig moment zou hebben moeten plaatsvinden, en dat het hof niet meegaat in de andersluidende opinie van de eigen benoemde deskundige dat niet opereren nog een optie was. Het hof heeft met deze verwijzing kennelijk slechts bedoeld dat volgens de eigen benoemde deskundige bij een uitgestelde operatie dezelfde risico’s zouden bestaan op ernstige complicaties, en niet dat ook volgens de eigen benoemde deskundige in een later stadium zeker een operatie zou hebben moeten plaatsvinden. De klachten van de patiënt stuiten hierop af. De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden.
Hoge Raad, 25-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0425

Strafrecht. De verdachte heeft zijn moeder van het leven beroofd door haar te wurgen. Toen hij haar al dodelijk letsel had toegebracht, heeft hij ook nog met een koekenpan op haar hoofd geslagen en haar meerdere keren met een mes in de hals gestoken. Nadat hij zijn moeder om het leven heeft gebracht, heeft de verdachte de woning – hun thuis – in brand gestoken terwijl zijn zuster, broertje en zusje zich nog daarbinnen bevonden. Vervolgens heeft hij zijn broertje en zusje mee naar buiten genomen, maar ervoor gezorgd dat zijn oudere zuster de brandende woning niet kon verlaten. De oudere zuster vordert € 20.000 aan affectieschade, € 45.000 aan smartengeld/aantasting in persoon en € 45.000 voor shockschade. De rechtbank acht de vordering met de betrekking tot de affectieschade toewijsbaar. De rechtbank acht de vordering met betrekking tot de post ‘Smartengeld/Aantasting in de persoon’ gedeeltelijk toewijsbaar. De aard en de ernst van de normschending zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zozeer voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook zonder vaststelling van geestelijk letsel door een psycholoog of psychiater of van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De rechtbank acht een vergoeding van € 20.000 billijk is. De rechtbank is van oordeel dat het deel van de vordering dat ziet op de post ‘Shockschade’ niet kan worden toegewezen omdat niet aan het tweede vereiste van shockschade is voldaan. De twee minderjarige kinderen van de moeder vorderen € 20.000 aan affectieschade, € 30.000 aan smartengeld/aantasting in de persoon en € 25.000 aan shockschade. De rechtbank acht de vorderingen ‘Affectieschade’ voor toewijzing vatbaar. De door de advocaat van de benadeelde partijen gestelde inbreuk op het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer leidt in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet tot een afzonderlijke aanspraak op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank ziet concluderend in de omstandigheden van de onderhavige zaak onvoldoende grond om naast de affectieschade tevens een vergoeding wegens aantasting in de persoon – zoals gevorderd – toe te kennen. Ten aanzien van deze post zullen de benadeelde partijen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank is ook van oordeel dat het deel van de vordering dat ziet op de shockschade niet kan worden toegewezen. Zij verklaart de minderjarige kinderen op dezelfde grond als de oudere zuster niet-ontvankelijk. Tot slot vordert de moeder van het slachtoffer € 17.500 aan affectieschade. De rechtbank wijst deze vordering toe.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 17-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0424

De vrouw is een kop-staartbotsing overkomen. De rechtbank heeft eerder al overwogen dat het gepresenteerde klachtenpatroon plausibel is. De deskundige heeft op basis van de klachten die de vrouw als gevolg van het ongeval heeft gekregen, enkele beperkingen kunnen vaststellen, die er zijns inziens toe leiden dat zij geacht kon/kan worden 6 uur per dag/30 uren per week werkzaamheden te verrichten die fysiek en psychisch niet te zwaar belastend zijn. Mede aan de hand van dit rapport moet worden bezien of aan de zijde van de vrouw sprake is van verlies aan verdienvermogen, zelfwerkzaamheid en behoefte aan huishoudelijke hulp. De rechtbank heeft een arbeidsdeskundige benoemd en hem vragen voorgelegd. De vader van de vrouw heeft de deskundige meerdere berichten gestuurd en daarbij onder meer verzocht de vrouw meer tijd te geven voor een reactie op het conceptdeskundigenbericht en voor het overleggen van nieuwe medische informatie. De rechtbank heeft de deskundige bericht dat hij niet langer op een inhoudelijke reactie van de vrouw op het concept hoefde te wachten. De deskundige heeft vervolgens het deskundigenbericht ingediend ter griffie. De verzekeraar heeft een conclusie na deskundigenbericht genomen, waarna hij vonnis heeft gevraagd. Na de onttrekking van de advocaat van de vrouw is zij niet in de gelegenheid geweest te concluderen na deskundigenbericht. Echter oordeelt de rechtbank dat er geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren zijn. Gelet hierop neemt de rechtbank de bevindingen van de deskundige over en maakt zij zijn conclusies tot de hare. De verzekeraar heeft de schade vergoed. De gebruikte schadeberekening is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en kenbaar gebaseerd op het arbeidsdeskundig rapport. Nu de verzekeraar de aansprakelijkheid van zijn verzekerde heeft erkend en de geleden schade heeft vergoed, heeft de vrouw geen belang meer bij haar vordering tot afgifte van een verklaring voor recht dat de verzekeraar aansprakelijk is.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 09-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0423

De vrouw is betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarna sprake was van een whiplash en zij arbeidsongeschikt is geraakt. De vrouw heeft voor de afhandeling een belangenbehartiger in de arm genomen, die aangesloten is bij het Nederlands Instituut van Registerexperts (NIVRE). Deze heeft in mei 2017 met de aansprakelijke verzekeraar een definitieve regeling getroffen. Er was nog geen sprake van een medische eindtoestand. Een vaststellingsovereenkomst is gesloten en door de verzekeraar is € 20.000 aan de vrouw betaald. Na het sluiten van de overeenkomst is de vrouw in de bijstand terechtgekomen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de belangenbehartiger in de verlening van zijn bijstand aan de vrouw toerekenbaar tekort is geschoten. Zij heeft een klacht ingediend bij het NIVRE. Het tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de vrouw de belangenbehartiger gedagvaard, waarna de rechtbank haar vorderingen heeft afgewezen. Het hof beslist echter in het voordeel van de vrouw. Het hof oordeelt dat aan het oordeel van het tuchtcollege in deze zaak geen beslissende betekenis toekomt en de reden waarom wordt in deze uitspraak uitgebreid uitgelegd. Het hof komt tot de conclusie dat de belangenbehartiger niet over de (ten minste basale) kennis beschikt van de juridische regelingen die invloed kunnen hebben op de hoogte van de schadevergoeding waarop een slachtoffer aanspraak kan maken. De belangenbehartiger, die volgens het hof als register-expert in de onderhandelingsfase grotendeels gelijk te stellen is met een adviserend advocaat, kon ook niet aangeven hoe hij tot het bedrag uit de vaststellingsovereenkomst is gekomen. Verder tekent het hof aan dat het best denkbaar is, en in de praktijk niet geheel ongebruikelijk, dat een finale regeling wordt getroffen als nog geen sprake is van een medische eindtoestand. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam expert mag wel worden verwacht dat die de daaraan verbonden risico’s dan vooraf met zijn cliënt bespreekt en beschikt over de laatste medische informatie, zodat hij zijn cliënt een verantwoorde afweging kan laten maken, uitgaande van de verschillende scenario’s. De belangenbehartiger is ook op dit punt tekortgeschoten. Hij beschikte niet over de laatste medische informatie, had geen overleg gehad met een medisch adviseur en heeft de vrouw niet betrokken bij het doen van een voorstel voordat hij een regeling trof met Achmea. De belangenbehartiger heeft de vrouw volgens het hof niet adequaat geadviseerd, waardoor de vrouw, door de wijze waarop de belangenbehartiger de regeling presenteerde en mede in het licht van het grote verschil in kennis over de materie van de regeling van een letselschadezaak tussen de vrouw en de belangenbehartiger, zich volgens het hof terecht gedwongen voelde het aanbod van de verzekeraar te accepteren. Het hof oordeelt dat de belangenbehartiger in persoon en het schaderegelingsbureau waarvoor hij werkte aansprakelijk zijn jegens de vrouw. Zij worden hoofdelijk veroordeeld de door haar als gevolg van de tekortkoming geleden schade te vergoeden. Die schade moet worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 15-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0422

De man heeft een MRI-onderzoek ondergaan in het ziekenhuis. Hij stelt zich op het standpunt dat dit onzorgvuldig is gebeurd en dat door dit onderzoek zijn al licht aanwezige vorm van tinnitus een zeer ernstige vorm heeft aangenomen. De man vordert dat het ziekenhuis geboden wordt om de werkinstructies van de laboranten te verstrekken en de namen te verstrekken van de (drie) betrokken laboranten (ten behoeve van een te verzoeken getuigenverhoor). De vordering tot het verstrekken van de werkinstructies wordt afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat het ziekenhuis beschikt over de door de man gevorderde schriftelijke werkinstructies. Het ziekenhuis heeft aangevoerd dat deze instructies mondeling worden gegeven. Ook als er wel schriftelijke werkinstructies zouden bestaan, zou de vordering om die instructies te verstrekken worden afgewezen, omdat daarbij geen spoedeisend belang is. De vordering tot het verstrekken van de namen van de laboranten die bij het MRI-onderzoek van de man betrokken zijn geweest wordt afgewezen, omdat sprake is van gewichtige redenen die zich op dit moment ertegen verzetten dat deze namen worden gegeven. De man zal via een verzoekschriftprocedure toestemming aan de rechter moeten vragen voor dit voorlopige getuigenverhoor. Het is op dit moment onduidelijk of die toestemming wel of niet zal worden gegeven. Wanneer de toestemming niet wordt gegeven en UMCU, via dit kort geding, wordt gedwongen om de namen van haar laboranten te geven, dan heeft dit, zoals UMCU aanvoert, tot gevolg dat de privacy van de laboranten onomkeerbaar wordt geschonden. Dat is een onwenselijke situatie. UMCU heeft als werkgever van de laboranten de verplichting om de privacy van hen te waarborgen. Er bestaat een mogelijkheid om deze onwenselijke situatie te voorkomen. De man kan een verzoekschriftprocedure (voorlopige bewijsverrichtingen) starten waarin hij een gecombineerd verzoek indient tot het verstrekken van de namen van de laboranten en het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Van de man kan worden verlangd dat hij deze mogelijkheid benut. Dat leidt mogelijk tot enige vertraging, maar dat weegt minder zwaar dan het recht op privacy van de laboranten. Overigens wordt de vertraging vooral veroorzaakt doordat de man de verzoekschriftprocedure tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor nog moet starten. Ook weeg mee dat de man het aanbod van UMCU om een gesprek te hebben met de laboranten heeft afgewezen. Tot slot wordt de laatste vordering afgewezen omdat het weinig zinvol is. De ruimte is gerenoveerd en de hoofdtelefoon die bij de man is gebruikt is niet meer in de ruimte aanwezig. Kortom: alle vorderingen van de man zijn afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 16-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0421

De vrouw heeft een medische ingreep (een buikwand- en bovenarmcorrectie) ondergaan in de kliniek. Volgens de vrouw zijn rond die medische ingreep fouten gemaakt door de kliniek. In het deelgeschil ligt – kort gezegd –de vraag voor of de verzekeraar en de kliniek kunnen worden aangesproken voor de schade die de vrouw stelt te hebben geleden als gevolg van de door haar gestelde fouten. De verzekeraar meent dat de rechtbank daarover geen beslissing kan nemen omdat er onderzoek door een onafhankelijk medisch deskundige nodig is. In dat kader heeft de verzekeraar een tegenverzoek ingediend, inhoudende dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht gelast. Voor de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag is naar het oordeel van de rechtbank een onderzoek door een medisch deskundige noodzakelijk. Zonder een nader onafhankelijk deskundigenadvies kan de rechtbank de aansprakelijkheid van de kliniek niet beoordelen. Met de verzekeraar is de rechtbank daarom van oordeel dat de vrouw niet een deelgeschil had moeten starten, maar een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht had moeten indienen. Er is daarom geen grond voor de toewijzing van het gevorderde voorschot op de schadevergoeding of de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Het verzoek is op deze punten prematuur. Mede daarom worden de kosten in deelgeschil aan de zijde van de verzoekster ook niet begroot. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeraar in haar tegenverzoek kan worden ontvangen, dit tegenverzoek wordt verder behandeld.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 03-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0420

De man heeft het slachtoffer mishandeld en is daarvoor onherroepelijk veroordeeld door de politierechter. Het slachtoffer stelt als gevolg van de mishandeling schade te hebben geleden, onder meer bestaande uit gederfde inkomsten wegens (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter heeft de schadevorderingen van het slachtoffer toegewezen. In hoger beroep is enkel de vraag aan de orde wat de omvang is van de op de man rustende schadevergoedingsplicht, nu de man het hoger beroep heeft beperkt tot het door hem gevoerde eigenschuldverweer (grief I) en de onderbouwing van de schade wegens gederfde inkomsten door het slachtoffer (grief II). De man heeft niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan door onvoldoende toe te lichten welke concrete omstandigheden, die aan het slachtoffer kunnen worden toegerekend, tot gevolg hebben gehad dat er sprake is van eigen schuld. Daarnaast is het hof van oordeel dat het slachtoffer het schadebedrag van € 10.752 wegens gederfde inkomsten summier heeft toegelicht en onderbouwd. Daartegenover staat dat de man in hoger beroep de omvang van de schade slechts in algemene bewoordingen heeft betwist. Het had op de weg van de man gelegen om concreet in te gaan op de door het slachtoffer naar voren gebrachte stellingen en in het geding gebrachte stukken, hetgeen hij heeft nagelaten. Het door de man ingestelde hoger beroep heeft geen succes. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, met veroordeling van het slachtoffer in de proceskosten in het hoger beroep.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0419

In deze zaak staat de vraag centraal of het dienstvervoerbedrijf aansprakelijk is voor de schade die de fietser heeft geleden, nadat hij tijdens het fietsen – tegen de rijrichting in – de controle over zijn fiets verloor en ten val kwam tegen de zijkant van een passerende tram. De fietser heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De fietser stelt dat de trambestuurder hem had moeten waarschuwen en dat het uitblijven van de waarschuwing meebrengt dat het dienstvervoerbedrijf aansprakelijk is voor zijn schade. Nu de trambestuurder ter zake het ongeval op dit punt een verwijt kan worden gemaakt, is er volgens de fietser geen sprake van overmacht. Van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van de fietser is evenmin sprake. Volgens de fietser brengt dit met zich dat het dienstvervoerbedrijf op grond van de zogenoemde 50%-regel ten minste 50% van zijn schade dient te vergoeden. Daarop dient vervolgens de billijkheidscorrectie te worden toegepast, gelet op de ernst van zijn letsel en de ingrijpende gevolgen daarvan. De rechtbank oordeelt dat de trambestuurder in de gegeven omstandigheden rechtens geen verwijt kan worden gemaakt en dat daarmee sprake is van overmacht. Van een beroepsmatige trambestuurder mag worden verwacht dat hij rekening houdt met mogelijke verkeersfouten van andere (zwakkere) weggebruikers, maar niet met een zodanig onverwachte ontwikkeling dat een fietser die parallel naast een passerende tram rijdt plotseling de controle over zijn fiets verliest en tegen de zijkant van die tram valt. Met een dergelijk verloop van de gebeurtenissen hoefde de trambestuurder dan ook redelijkerwijs geen rekening te houden. De vorderingen van de fietser worden daarom afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-07-2026