Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0099

De verdachte heeft met een vuurwapen het slachtoffer neergeschoten. Het slachtoffer had nog een heel leven voor zich, maar is door toedoen van verdachte slechts 37 jaar oud geworden. Met de doodslag van het slachtoffer heeft verdachte aan diens vrouw, kinderen, ouders, zussen, broer, overige familieleden en vrienden onbeschrijfelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. Er hebben verschillende benadeelde partijen zich gevoegd in het strafproces. Aan diverse personen is een shockschade en/of affectieschade toegewezen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de shockschade. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van het immateriële deel van shockschade de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen, maar ziet aanleiding om gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte deze schaal met 25% te verhogen en vast te stellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Omtrent het gederfd levensonderhoud is het hof van oordeel dat op basis van het dossier zonder meer kan worden vastgesteld dat de partner en de dochters van het slachtoffer schade in de vorm van gederfd levensonderhoud hebben geleden en verdachte gehouden is deze schade te vergoeden. Het hof overweegt daarnaast dat ten aanzien van een aantal (andere) uitgangspunten die aan de berekeningen van het expertisebureau en daarmee aan de vorderingen ten aanzien van het gederfd levensonderhoud ten grondslag liggen, gezien de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing en/of nader onderzoek noodzakelijk is. Dit alles maakt dat het hof de vordering gederfd levensonderhoud van de partner slechts voor een gedeelte zal toewijzen waarbij het hof de eerste tien jaar na datum overlijden als uitgangspunt neemt. Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud van de dochters zal het bedrag tot het jaar waarin zij achttien jaar oud worden als uitgangpunt worden genomen, met dien verstande dat vanwege de onzekerheid in de fiscale component ook hier het bedrag naar beneden zal worden afgerond, namelijk een bedrag van € 6.000 en € 10.000. Tot slot acht het hof alle vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van de affectieschade toewijsbaar.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 11-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0098

Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord door in 2019 zijn ex-partner in Kerkrade met een mes in de borst te steken en haar keel door te snijden. Aan verdachte is een levenslange gevangenisstraf opgelegd. Een van de cassatiemiddelen klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de vordering van de benadeelde partij, de oma van het slachtoffer, tot vergoeding van affectieschade. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat deze benadeelde partij niet kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4 sub g BW. De Hoge Raad oordeelt dat uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2 aanhef en onder g BW en artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. De beantwoording van de vraag of de benadeelde partij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. Voor de verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing. In het geval waarin een benadeelde partij een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal de benadeelde partij de stelling dat sprake is van een hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als de rechter oordeelt dat de benadeelde partij daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de vordering te betwisten ligt het in de rede dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het op deze vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade in verband met het overlijden van het ten tijde van het bewezenverklaarde feit 42-jarige slachtoffer niet-ontvankelijk moet worden verklaard, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
Hoge Raad, 10-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0095

Op 15 september 2022 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op een kruising tussen een voetganger en een fietser. Toen de voetganger in of vlak na de bocht wilde oversteken, kwamen hij en de fietser met elkaar in botsing. De voetganger kwam ten val en liep letsel op aan zijn rechterarm. In deze zaak staat de vraag centraal of de fietser jegens de voetganger aansprakelijk is. De voetganger verwijt de fietser dat hij onvoldoende oplettend en voorzichtig heeft gereden en zijn snelheid niet heeft aangepast aan de verkeerssituatie en de omstandigheden ter plaatse. De fietser betwist dit. De rechtbank oordeelt dat de fietser er redelijkerwijs niet op bedacht hoefde te zijn dat voetgangers, over de rijbaan tegen het verkeer in de bocht om zouden komen, omdat er een trottoir aan de overzijde aanwezig was. Er was voor de voetganger ook geen noodzaak om tegen het verkeer in door de bocht over de weg te lopen. Doordat de voetganger en zijn vrienden, die dicht bij elkaar liepen, pas in het gezichtsveld van de fietser zijn gekomen toen hij al vlakbij hen was, kan niet van de fietser worden verwacht dat hij anders had gehandeld dan dat hij heeft gedaan. Omdat de voetganger nog in de binnenbocht of net na de binnenbocht liep, heeft de fietser daarop niet kunnen anticiperen. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling dat de fietser meer voorzichtigheid had moeten betrachten. De voetganger heeft niet gesteld dat het op het moment van het ongeval zodanig druk was dat de fietser meer voorzichtig had moeten handelen. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de voetganger onvoldoende aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat de fietser te hard heeft gereden. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 14-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0094

De producent heeft een permanente sterilisatiemethode voor vrouwen ontwikkeld. Bij deze methode plaatste een gynaecoloog een spiraalachtig implantaat, Essure, in de eileiders van de vrouw. De Stichting komt op voor alle vrouwen die in Nederland Essure geïmplanteerd hebben gekregen. Volgens de Stichting is Essure onveilig en heeft de producent daar onvoldoende onderzoek naar gedaan. Essure veroorzaakt gezondheidsklachten bij de vrouwen en daar zijn de vrouwen onvoldoende voor gewaarschuwd. Een substantieel aantal vrouwen heeft de keuze gemaakt om Essure operatief te laten verwijderen en ondervindt sindsdien geen klachten meer of een afname daarvan. Om te bereiken dat deze vrouwen een schadevergoeding krijgen, en de zorgverzekeraars worden gecompenseerd voor de medische kosten, is de Stichting deze massaschadeprocedure tegen de producent gestart. De producent bestrijdt dat zij aansprakelijk is tegenover de vrouwen. Zij is van mening dat Essure een veilig product is en dat de klachten die de vrouwen hebben niet door Essure komen. In het kader van het partijdebat over de gestelde gebrekkigheid van Essure en het causale verband met de klachten, hebben partijen diverse publicaties en rapporten van medisch-wetenschappelijke onderzoeken over (de veiligheid van) Essure overgelegd. Om al deze onderzoeken tegen elkaar te kunnen afwegen, wil de rechtbank zich eerst laten voorlichten door een commissie van deskundigen over de (methodologische) kwaliteit van de aangehaalde onderzoeken en de zeggingskracht en relevantie van die onderzoeken. Daarnaast wil de rechtbank onafhankelijk laten toetsen of de producent meer en betere onderzoeksmogelijkheden tot haar beschikking had staan dan zij heeft benut, zoals de Stichting heeft aangevoerd. De rechtbank constateert dat zich in het dossier geen langetermijnonderzoek bevindt, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen een controlegroep vrouwen zonder Essure en zonder anticonceptie die op het lichaam inwerkt (zoals de pil of een spiraal) en een controlegroep vrouwen met Essure. De producent heeft aangevoerd dat dit onderzoek niet mogelijk is, terwijl de Stichting juist de producent verwijt dit onderzoek niet te hebben gedaan. De rechtbank wil zich daarom laten voorlichten of dergelijk onderzoek, dat tot een directe manier van vergelijken zou leiden, wel of niet mogelijk was. Naast de discussie over de medisch-wetenschappelijke onderzoeken naar Essure, vindt de rechtbank ook relevant hoe gynaecologen in Nederland vrouwen die Essure geïmplanteerd hebben gekregen en klachten ervaren, behandelen. Bij een substantieel deel van die vrouwen wordt Essure namelijk sinds een aantal jaren verwijderd met een operatie, ondanks de verstrekkende gevolgen die dat kan hebben. Uit dat wat hiervoor is overwogen, volgt dat bij de rechtbank de vraag leeft of de onderzoeken die de producent heeft gedaan toereikend zijn en dan vooral of de producent (ook) onderzoek had kunnen doen naar vrouwen zonder Essure en zonder anticonceptie die inwerkt op het lichaam (pil, spiraal). De rechtbank zal een commissie van deskundigen benoemen, die bestaat uit twee klinisch epidemiologen (waarvan één voorzitter zal zijn), twee gynaecologen en één immunoloog. De rechter stelt de vraagstelling vast. De kosten van het deskundigenonderzoek worden over de partijen verdeeld. Uitgangspunt is dat de verzoeker deze kosten betaalt, maar omdat de producent nog niet aan haar verzwaarde stelplicht heeft voldaan dient zij de helft van de kosten te voldoen. Daarnaast wil de rechtbank meer informatie ontvangen van de producent over de (klinische) onderzoeken die zij naar Essure heeft ingesteld en de onderbouwing daarvan voor toelating tot en behoud op de markt, die zij nog niet heeft overlegd. Daarom zal de rechtbank de producent op grond van artikel 22 Rv bevelen de documenten die staan opgesomd bij akte in deze procedure te overleggen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 11-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0091

In de beschikking van 3 juli 2025 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden zodat partijen zich uit konden laten over de persoon van de te benoemen deskundige. Uit de e-mailberichten en de brief die de rechtbank vervolgens van partijen heeft ontvangen, blijkt dat partijen geen overeenstemming hebben weten te krijgen over de persoon van de te benoemen deskundige. Om die reden zal de rechtbank in deze beschikking beoordelen wie als deskundige benoemd moet worden. Niet ter beoordeling staat of de operatie had moeten worden verricht door een gynaecoloog die op de hoogte is van ernstige gecompliceerde wondproblemen bij buikchirurgie. Dit komt ook niet in de vraagstelling naar voren waar partijen al eerder overeenstemming over hebben bereikt. Beoordeeld moet worden of het handelen van de behandelend gynaecoloog onder de gegeven omstandigheden voldeed aan de eisen van een redelijk bekwaam en een redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden. Een te benoemen deskundige die hetzelfde specialisme uitoefent als de hulpverlener van wie het handelen ter discussie staat, is aan dezelfde professionele standaard gebonden en weet wat daarin wordt voorgeschreven. Daarbij dient de deskundige rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de vrouw, zoals die ook bij de behandeld gynaecoloog bekend waren, en dat in zijn onderzoek mee te nemen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de deskundige, met eenzelfde specialisme als de gynaecoloog die de vrouw heeft behandeld, als deskundige dient te worden benoemd. Daarnaast stelt de rechtbank de vraagstelling vast.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 18-09-2025