Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0358

In 2014 heeft een psychotische man een politieagent bedreigd en meermaals met een wapen richting hem geschoten. De politieagent heeft aangifte gedaan tegen de man. Na dit incident merkte de politieagent psychische klachten op, die in ernst zijn toegenomen. In 2018 heeft de politieagent zich volledig ziek gemeld. Hij is toen ook gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Bij brief van zijn advocaat van 11 november 2019 heeft de politieagent de man aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van het schietincident geleden en nog te lijden schade en daarbij te kennen gegeven dat de man deze brief uitdrukkelijk diende op te vatten als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Bij de rechtbank is de man wel verschenen in de procedure, maar de man heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet (tijdig) een conclusie van antwoord genomen, waarna het recht om te antwoorden is vervallen, zo volgt uit het bestreden vonnis. Het door de politieagent gevorderde is vervolgens in het bestreden vonnis toegewezen. De man is in hoger beroep gegaan. De grief omtrent de verjaring slaagt niet. De brief van 11 november 2019 is tijdig op het adres van de man aangeboden. Dat hij destijds was opgenomen in Mondriaan, dat hijzelf het betreffende ontvangstbewijs niet kon ondertekenen en dat daarom een ander dan hijzelf heeft getekend voor ontvangst zijn persoonlijke omstandigheden waarvan de man het nadeel dient te dragen als een tot hem gerichte wilsverklaring hem daardoor niet bereikt. De verjaringstermijn is dus tijdig gestuit en de vordering is dus niet verjaard. De grief omtrent de medische en juridische causaliteit is wel (deels) gegrond. Het hof ziet aanleiding om de politieagent te gelasten om alle beschikbare medische informatie in het geding te brengen, met de beperking dat het de politieagent zal zijn toegestaan om diens privéadres in de over te leggen stukken weg te lakken. Verder ziet het hof aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten om met partijen nader van gedachten te kunnen wisselen over de inhoudelijke merites van de zaak, in welk verband partijen eventueel aan het hof nadere inlichtingen zullen kunnen verstrekken, het beproeven van een minnelijke regeling en, als niet tot een minnelijke regeling kan worden gekomen, het bespreken met partijen van de meest geëigende verdere procesgang, waaronder de waarschijnlijkheid dat dan een of meer deskundigen zullen moeten worden ingeschakeld en de waarschijnlijkheid dat de kosten daarvan voorshands voor rekening van de man zullen komen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 11-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0357

Regres. In 2023 is een man ten val gekomen toen hij op zijn speedpedelec van werk naar zijn woning reed. Hij heeft door het ongeval ernstig letsel opgelopen. De werkgever van de man heeft gedurende 104 weken het loon van de man doorbetaald. De werkgever is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid van zijn werknemers. Op 7 november 2023 heeft de aansprakelijkheidsverzekering van de Provincie richting de man haar aansprakelijkheid erkend vanwege de gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 BW. De Provincie heeft op 4 juli 2025 de aansprakelijkheid richting de werkgever van de hand gewezen. De Provincie wijst erop dat de werkgever vanwege het bepaalde in artikel 6:197 BW geen beroep toekomt op artikel 6:174 BW en dus ook geen rechten kan ontlenen aan de erkenning van aansprakelijkheid op grond van dit artikel richting de werknemer. De Provincie betwist ook onrechtmatig te hebben gehandeld tegenover de werknemer doordat zij haar zorgplicht als wegbeheerder heeft geschonden door gevaarzetting. De rechtbank overweegt dat de werkgever zich niet kan beroepen op artikel 6:174 BW. De rechtbank gaat de Kelderluik-criteria langs en komt tot de conclusie dat voldoende vaststaat dat de gebreken zich pas kort voor het ongeval hebben openbaard en dat de Provincie aan haar zorgplicht heeft voldaan door het fietspad regelmatig te schouwen, ook kort voor het ongeval. Het gevaar was daarom niet kenbaar voor de Provincie, noch had dit de Provincie kenbaar moeten zijn. De vordering wordt afgewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 22-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0355

Deelgeschil. Een werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat zijn voormalige werkgever aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden doordat hij tijdens zijn werk van een ladder is gevallen in 2023. De man voert aan dat de werkgever aansprakelijk is omdat hij niet heeft aangetoond dat hij de maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig waren om schade te voorkomen, terwijl sprake was van een valrisico en een onervaren werknemer. Ook heeft de werkgever geen geschikt materieel verstrekt om op hoogte te werken. De werkgever voert verweer. Hij voert aan dat het de bedoeling was dat zijn opdrachtnemer de werkzaamheden aan de schuur zou uitvoeren en het benodigde gereedschap zou meenemen; de werknemer zou de opdrachtnemer slechts assisteren. Bovendien had de werknemer een veiligheidscertificaat en had hij dus zelf moeten inzien dat het plaatsen van een ladder op een gladde ondergrond onveilig was. De werkgever heeft zijn verantwoordelijkheid genomen, door het loon van de werknemer na het ongeval zes maanden door te betalen. Ook betwist de werkgever de gestelde (arbeidsvermogens)schade, omdat de werknemer volgens de werkgever in staat is om te werken. De werkgever wil er niet aan meewerken dat de man profiteert van de situatie en is daarom niet bereid de gegevens van zijn verzekeraar te verstrekken aan de man. De kantonrechter overweegt dat het betoog van de werkgever niet kan slagen. Omdat de werkgever een van zijn werknemers heeft opgedragen werkzaamheden uit te voeren waarbij (ook) op hoogte moest worden gewerkt, was de werkgever ervoor verantwoordelijk dat die werknemer kon beschikken over (bijvoorbeeld) een veilige ladder. Dat heeft de werkgever niet gedaan. In plaats daarvan was de werknemer aangewezen op een ladder die toevallig aanwezig was, omdat de eigenaar van de schapenschuur die ladder ter beschikking had gesteld. De werkgever heeft niet gezorgd voor de beschikbaarheid van een ladder die was voorzien van voor de hand liggende maatregelen om wegglijden te voorkomen, zoals bijvoorbeeld (rubberen) antislipvoet(en), terwijl van de werkgever kan worden verlangd dat hij materieel ter beschikking stelt dat aan dergelijke veiligheidseisen voldoet. Er is geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de werknemer. Dat een werknemer minder voorzichtig is dan raadzaam, is daarvoor onvoldoende. De werkgever is dus aansprakelijk voor de schade van de werknemer en moet een voorschot betalen van € 8.000. De kantonrechter overweegt dat de werkgever niet zijn verzekeringsgegevens hoeft te verstrekken aan de werknemer. De werknemer heeft op grond van artikel 7:954 lid 2 BW geen (rechtstreekse) vordering op de verzekeraar zolang de werkgever geen (formele) melding doet van het ongeval bij de verzekeraar. Kennelijk heeft de werkgever zo’n melding (nog) niet gedaan, althans daarvan is niet gebleken. Bij deze stand van zaken heeft de werknemer onvoldoende belang bij zijn verzoek om de verzekeringsgegevens te verkrijgen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 23-06-2026

Rechtspraak

PS 2026-0354

Een man is op 16 mei 1997 ten val gekomen met zijn racefiets als gevolg van een oneffenheid in het wegdek. De man heeft bij de val hersenschade opgelopen. Bij vonnis van 11 januari 2006 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de gemeente gehouden is om aan de man 70% van de schade te vergoeden die het gevolg is geweest van het ongeval en heeft de rechtbank de gemeente veroordeeld tot het betalen van diverse bedragen. De gemeente heeft aan de veroordelingen tot betaling voldaan. In dit deelgeschil vordert de man aanvullende schade, stellende dat sprake is van inkomensschade die nog niet is meegenomen in het vonnis van 11 januari 2006. Volgens de rechtbank is tussen partijen niet in geschil is dat de rechtbank in het eindvonnis van 11 januari 2006 de geleden en toekomstige schade van de man heeft begroot, waarbij een concreet bedrag is toegewezen dat als verlies van verdienvermogen aan de man diende te worden vergoed. Daarbij is sprake van een veroordeling tot betaling van een bedrag ineens (als bedoeld in artikel 6:105 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat in de berekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade, op basis waarvan de rechtbank tot de schadevaststelling is gekomen, inflatie en indexering zijn meegenomen. Het verzoek zoals dat door de man is voorgelegd ziet daarmee naar het oordeel van de rechtbank op een schadecomponent die al in het vonnis van de rechtbank Roermond van 11 januari 2006 is verdisconteerd. Daarom staat het gezag van gewijsde eraan in de weg dat de man het in 2006 voor de toekomst vastgestelde verlies van verdienvermogen opnieuw ter beoordeling voorlegt. Het verzoek van de man wordt om die reden afgewezen, waarbij de kosten van het deelgeschil worden begroot.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 21-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0350

Deze letselschadezaak gaat over de gevolgen van een ongeval dat een man op 6 november 2018 is overkomen. Er is sprake van een chronisch pijnsyndroom na een whiplashmechanisme. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend maar betwist de omvang van de schade. Bij tussenvonnis van 27 november 2024 heeft de rechtbank een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige benoemd om de beperkingen (ten gevolge van de ongevalsgerelateerde klachten) in kaart te brengen om de omvang van de schade te kunnen vaststellen. Partijen hebben geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen deze bevindingen en conclusies, zodat de rechtbank deze zal volgen. De rechtbank neemt daarbij tot uitgangspunt dat de FML de situatie weergeeft zoals die zich vanaf 10 mei 2023 heeft voorgedaan. Op 10 mei 2023 heeft de psychiater zijn tweede onderzoek verricht en heeft hij op grond van dat onderzoek geconcludeerd dat de in 2020 vastgestelde aanpassingsstoornis in 2023 niet langer aan de orde is. Vanaf 10 mei 2023 kan daarom een wijziging in de medische situatie worden vastgesteld. De verzekeringsarts haalt ook aan dat sinds 2023 sprake is van afname van klachten. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank ervan uitgaat dat de man vanaf 10 mei 2023 niet als arbeidsongeschikt heeft te gelden voor werk en huishoudelijke taken en dat de jaarschade voor uitval van zelfwerkzaamheid zal worden vastgesteld op € 87,15 per jaar. De rechtbank stelt vast dat in de periode van november 2018 tot 10 mei 2023 geen FML is opgesteld. De man heeft bij akte verzocht de verzekeringsarts een tweede FML te laten opstellen. De verzekeraar heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Uit de medische rapportages volgt dat de man vóór 10 mei 2023 klachten had waaruit beperkingen voortvloeiden. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over het voornemen een tweede FML op te laten stellen en de arbeidsongeschiktheid voor de periode van 6 november 2018 tot 10 mei 2023 te laten beoordelen.
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 22-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0349

Een laborante stelt dat zij in 2014 en in 2017 in de uitoefening van haar werkzaamheden letsel heeft opgelopen. Hierbij zijn schouderklachten ontstaan dan wel verergerd, met blijvend letsel (gedeeltelijke supraspinatus ruptuur in 2014 en een volledige supraspinatus ruptuur in 2017) tot gevolg. Zij stelt dat haar werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de als gevolg van de ongevallen geleden en nog te lijden schade omdat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. De vrouw stelt dat zij bij beide ongevallen boven haar macht moest tillen en niet of onvoldoende werd bijgestaan door een andere laborant. Ook waren er volgens haar onvoldoende hulpmiddelen aanwezig en hield de werkgever onvoldoende toezicht op de naleving van de verplichting om hulpmiddelen te gebruiken. De werkgever en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar voeren verweer. Primair wordt betwist dat de vrouw schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Subsidiair stellen zij dat van een zorgplichtschending geen sprake is geweest. Voor zover van een zorgplichtschending wel sprake is geweest, stellen zij dat aannemelijk is dat de pre-existente klachten en de mogelijke oorzaken gelegen in de privésfeer van de vrouw zo overheersend zijn, dat eventuele aansprakelijkheid op grond van artikel 6:101 BW komt te vervallen. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Hoewel naar zijn oordeel voldoende vaststaat dat de vrouw (enige) schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, is namelijk onvoldoende gebleken dat de werkgever de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden. In de gegeven omstandigheden heeft de werkgever alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van hem verwacht mochten worden. De vorderingen van de vrouw worden afgewezen.
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 31-07-2026