In 2014 heeft een psychotische man een politieagent bedreigd en meermaals met een wapen richting hem geschoten. De politieagent heeft aangifte gedaan tegen de man. Na dit incident merkte de politieagent psychische klachten op, die in ernst zijn toegenomen. In 2018 heeft de politieagent zich volledig ziek gemeld. Hij is toen ook gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Bij brief van zijn advocaat van 11 november 2019 heeft de politieagent de man aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van het schietincident geleden en nog te lijden schade en daarbij te kennen gegeven dat de man deze brief uitdrukkelijk diende op te vatten als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Bij de rechtbank is de man wel verschenen in de procedure, maar de man heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet (tijdig) een conclusie van antwoord genomen, waarna het recht om te antwoorden is vervallen, zo volgt uit het bestreden vonnis. Het door de politieagent gevorderde is vervolgens in het bestreden vonnis toegewezen. De man is in hoger beroep gegaan. De grief omtrent de verjaring slaagt niet. De brief van 11 november 2019 is tijdig op het adres van de man aangeboden. Dat hij destijds was opgenomen in Mondriaan, dat hijzelf het betreffende ontvangstbewijs niet kon ondertekenen en dat daarom een ander dan hijzelf heeft getekend voor ontvangst zijn persoonlijke omstandigheden waarvan de man het nadeel dient te dragen als een tot hem gerichte wilsverklaring hem daardoor niet bereikt. De verjaringstermijn is dus tijdig gestuit en de vordering is dus niet verjaard. De grief omtrent de medische en juridische causaliteit is wel (deels) gegrond. Het hof ziet aanleiding om de politieagent te gelasten om alle beschikbare medische informatie in het geding te brengen, met de beperking dat het de politieagent zal zijn toegestaan om diens privéadres in de over te leggen stukken weg te lakken. Verder ziet het hof aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten om met partijen nader van gedachten te kunnen wisselen over de inhoudelijke merites van de zaak, in welk verband partijen eventueel aan het hof nadere inlichtingen zullen kunnen verstrekken, het beproeven van een minnelijke regeling en, als niet tot een minnelijke regeling kan worden gekomen, het bespreken met partijen van de meest geëigende verdere procesgang, waaronder de waarschijnlijkheid dat dan een of meer deskundigen zullen moeten worden ingeschakeld en de waarschijnlijkheid dat de kosten daarvan voorshands voor rekening van de man zullen komen. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 11-11-2025