Naar boven ↑
8.676 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0231

Een jongen heeft in 1999 op 11-jarige leeftijd ernstige hersenschade opgelopen als gevolg van een ongeval. Het slachtoffer is daardoor blijvend aangewezen op verblijf en verzorging in een gezinsvervangend tehuis zonder mogelijkheden van loonvormende arbeid. Deze zorg wordt verstrekt op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Partijen twisten over de wijze waarop de schade wegens verlies van arbeidsvermogen moet worden berekend, met name over de vraag of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het hof oordeelt dat artikel 10.2.1 Wlz bedoeld is om te voorkomen dat dezelfde schade twee keer wordt vergoed. Het gaat hier echter niet om dezelfde schade. De vergoeding vanuit de Wlz is namelijk geen vergoeding voor verlies van verdienvermogen. Die ontvangt hij wel in de vorm van een Wajong-uitkering, waarmee dus bij het vaststellen van het verlies van verdienvermogen rekening moet worden gehouden. Dit betekent niet dat voor voordeelstoerekening op grond van artikel 6:100 BW geen plaats kan zijn. De vraag die met name voorligt is of de schade als gevolg van verlies aan arbeidsvermogen op grond van bepalingen in de Wlz verminderd moet worden met het ‘voordeel’ dat het slachtoffer heeft van de genoemde voorzieningen vanuit de Wlz. Het is redelijk om hiermee rekening te houden bij het vaststellen van de schade. Het is echter niet redelijk om dit ‘voordeel’ te berekenen door uit te gaan van wat een gemiddelde persoon als het slachtoffer, met het aan hem zonder verlies van verdienvermogen toegedichte inkomen, in normale omstandigheden redelijkerwijs aan huisvestiging had uitgegeven. Daar had immers in dat geval ook het voordeel van dergelijke huisvesting – het genot van het wonen in een eigen eengezinswoning – tegenover gestaan. Dit voordeel geniet het slachtoffer niet; hij woont in een gezinsvervangend tehuis met (hooguit) een eigen kamer en verder gedeelde voorzieningen. De voordeelstoerekening moet daarom redelijkerwijs worden beperkt tot de aan de huidige woonvorm van het slachtoffer toe te rekenen waarde. Het hof is van oordeel dat het door de rechtbank toegekende bedrag van € 200.000 past bij de ernst van het letsel. Het hof ziet aanleiding om het smartengeld nog verder naar boven bij te stellen vanwege de jeugdige leeftijd waarop het slachtoffer het ongeval is overkomen, en komt tot een bedrag van € 245.000. Deze beslissing sluit aan bij de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van artikel 6:106 BW. De rechtbank oordeelde dat hetzij de schade periodiek moet worden afgewikkeld, hetzij ineens, en dat het niet mogelijk is dat de schade ineens wordt afgewikkeld met uitzondering van een bepaalde post. Het hof oordeelt anders. Het is mogelijk om de schade grotendeels ineens af te wikkelen, terwijl onzekere toekomstige schadeposten niet worden afgewikkeld.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 24-03-2026

Rechtspraak

PS 2026-0230

De klagende partij heeft in 2013 een verkeersongeval gehad. De verwerende partij heeft de klager bijgestaan in de zaak tegen enkele verzekeringsmaatschappijen om de schade als gevolg van dit ongeval te verhalen. Na het vertrek van de verwerende partij van het kantoor is de zaak overgenomen door collega’s. Jaren later heeft de klagende partij contact opgenomen met de verwerende partij met het verzoek hem verder bij te staan bij deze kwestie, nu deze nog steeds niet was afgerond. De klagende partij heeft meermaals contact opgenomen met de verwerende partij en om informatie verzocht, stukken gestuurd en hem gevraagd de zaak verder op te pakken. De verwerende partij heeft geschreven dat hij nog geen ondertekende opdrachtbevestiging had en dat hij formeel nog niet zijn advocaat was. Klager heeft daarop gereageerd en geschreven dat er wel degelijk een mondelinge overeenkomst van opdracht was en dat indien verweerder een ondertekende opdrachtbevestiging verlangde, hij hem een te ondertekenen exemplaar had moeten sturen. In deze mail heeft klager nogmaals aangegeven dat hij wil dat verweerder doorgaat met de zaak. Hierna heeft de verwerende partij met de verzekeraars overlegd. Klager is niet op het aanbod van de verzekeraars ingegaan en heeft een klacht ingediend bij de verwerende partij. De verwerende partij heeft klager toen gemaild dat zij het er niet over eens waren hoe de zaak verder moest en heeft hij klager aangeraden om andere belangenbehartiging te zoeken. Hierop heeft de klager een klacht bij de deken ingediend. Na het onderzoek van de klacht door de deken heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met klager en heeft hij zijn excuses aangeboden voor het gebeuren en aangeboden om de zaak weer op te pakken. Voor klager was dit de reden om de klacht in te trekken. Een jaar later verzoekt klager om het klachtdossier te heropenen, omdat verweerder de zaak na acht maanden nog steeds niet heeft opgepakt. De raad is van oordeel dat, gelet op het gesprek dat tussen klager en verweerder over de zaak heeft plaatsgevonden en omdat verweerder daarna – ondanks de vele berichten die klager over de zaak aan verweerder heeft gestuurd – nooit aan klager heeft laten weten dat hij hem niet bijstond, er vanaf eind 2022 tussen klager en verweerder een cliënt-advocaat-relatie bestond, althans dat bij klager het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat die relatie er was. De omstandigheid dat er geen opdrachtbevestiging is opgemaakt, maakt dat niet anders. Het was aan verweerder om hierover duidelijkheid te verschaffen. Verweerder heeft dat nagelaten. Bij de beoordeling van de klacht gaat de raad er daarom van uit dat verweerder vanaf december 2022 als advocaat voor klager heeft opgetreden. De raad stelt vast dat uit het klachtdossier niet blijkt dat verweerder de procedure, de strategie, de verwachtingen, de kansen en de (financiële) risico’s met klager heeft besproken. Verweerder heeft daarover in ieder geval niets schriftelijk vastgelegd, terwijl hij dat wel had behoren te doen, ook gelet op de persoon van klager en de aard van de zaak. Doordat deze schriftelijke vastlegging ontbreekt, gaat de raad ervan uit dat verweerder klager over deze genoemde punten niet, dan wel onvoldoende, heeft geïnformeerd. Ook heeft verweerder onvoldoende adequaat en voortvarend op berichten van klager gereageerd. Ook in de periode waarover verweerder heeft aangegeven dat hij wel als advocaat voor klager heeft opgetreden, was deze communicatie ondermaats. De raad neemt het verweerder ten slotte nog kwalijk dat hij – nadat klager de klacht had ingetrokken omdat verweerder zijn excuses had gemaakt en had aangeboden om de zaak weer op te pakken – wederom een langere periode niet voortvarend heeft gehandeld en onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd. Gelet op de ernst van dit handelen en omdat verweerder al eerder door de raad is veroordeeld, wordt aan verweerder een berisping opgelegd.
Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden, 04-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0228

Een vrouw verwijt een ziekenhuis dat haar neurologen tekort zijn geschoten in haar medische behandeling. In een eerder tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het ziekenhuis voor bepaalde tekortkomingen op grond van artikel 7:462 BW aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade als gevolg van deze tekortkomingen, zowel materieel als immaterieel, voldoende aannemelijk is. Het hof heeft vervolgens de vrouw uitgenodigd zich nader uit te laten over de vraag of er (materiële en/of immateriële) schade is en zo ja, wat de omvang daarvan is die aan de te onderscheiden tekortkomingen zijn toe te rekenen en haar schade te onderbouwen. Het ziekenhuis is in de gelegenheid gesteld daarop bij akte te reageren. De vrouw heeft verwezen naar een schadestaat die door een letselschadespecialist is opgesteld. Het ziekenhuis heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft bij haar antwoordakte na tussenarrest een rapport van de door haar ingeschakelde medisch adviseur overgelegd alsmede een artikel over medische bevindingen na een herseninfarct. De vrouw heeft nog niet op deze producties kunnen reageren. Het hof zal haar daartoe ook niet meer in de gelegenheid stellen. De vrouw wordt hierdoor niet in haar belang geschaad, omdat het hof zonder gebruikmaking van deze producties tot een eindoordeel komt. Het hof gaat de schadeposten langs. De schadepost omtrent zorgschade en kosten van huishoudelijke hulp wordt afgewezen. De vrouw heeft weliswaar wel gesteld dat bij eerder handelen sprake zou zijn geweest van een gunstiger ziekteverloop waarbij behandeling niet zou zijn uitgesloten, maar zij heeft niet gesteld en (medisch) onderbouwd hoe deze hypothetische situatie waarin de vastgestelde tekortkomingen niet hadden plaatsgevonden eruit had gezien én hoe die situatie zou verschillen voor wat betreft beperkingen en hulpbehoefte met de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Zonder een onderbouwde vergelijking tussen de werkelijke en hypothetische situatie ontbreekt een deugdelijke grondslag voor toerekening van deze schadepost en kan niet worden vastgesteld dat de vrouw als gevolg van een of meer van de tekortkomingen zorgschade heeft geleden en kosten voor huishoudelijke hulp heeft moeten maken. Het komt het hof, zonder nadere toelichting die ontbreekt, voor dat de geclaimde kosten ook zouden zijn gemaakt indien de zorgverleners de behandeling correct (‘lege artis’) hadden uitgevoerd. Het hof merkt verder op dat door de vrouw ook geen onderscheid is gemaakt tussen werkzaamheden die behoren tot de normale echtelijke/huishoudelijke hulp op basis van in een relatie aanwezige wederkerigheid en hulp die naar aard en omvang uitstijgt boven het gebruikelijke als gevolg van de tekortkomingen van de neurologen. De vrouw vordert een bedrag aan smartengeld van € 241.000. Onvoldoende onderbouwd is dat de fouten van de neurologen de oorzaak zijn van het lichamelijk letsel, de cognitieve problemen of een ernstiger ziekteverloop. Het hof kent de vrouw een bedrag aan smartengeld van € 10.000 toe. Hier heeft het hof onder meer meegenomen dat de vrouw jarenlang zocht naar een diagnose, maar zich niet, althans onvoldoende gesteund en erkend voelde door de neurologen. Het hof acht het aannemelijk dat dit heeft geleid tot extra stress, gemis aan levensvreugde, depressieve gevoelens, verwerkingsproblemen en een verlies aan vertrouwen in artsen of ziekenhuizen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 19-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0227

Deelgeschil. Een werknemer is in 2020 bij het inladen van een bestelbus ten val gekomen. Hierdoor heeft de man een verbrijzelde radiuskop en een scheur in zijn linkerelleboogbot opgelopen. Daarvan ervaart hij nog steeds klachten. De kantonrechter komt tot de conclusie dat de werkgever niet aansprakelijk is ex artikel 7:658 BW omdat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden. Het ongeval kenmerkt zich door het alledaagse karakter van de handeling van het in- en uitstappen in de bestelbus tijdens het laden van de meubelen via de tredeplank van de bestelbus. De werknemer was gewend om deze handeling tientallen keren per dag uit te voeren en deed dit werk al zo’n twee jaar bij de werkgever. Hij was dus bekend met de hoogte van de bestelbus en de tredeplank. Het betreft weliswaar een relatief hoge opstap, namelijk van ongeveer 45 cm tot aan de tredeplank en van ongeveer 45 cm van de tredeplank tot aan de vloer van de bestelbus, maar dit was voor hem een bekende hoogte. Daarnaast heeft de werkgever veiligheidsschoenen aan de werknemer ter beschikking gesteld, die hij op het moment van het ongeval ook droeg. Ook heeft de werkgever ervoor zorg gedragen dat zowel de vloer van de bestelbus als de tredeplank waren voorzien van een antislipvloer. Dat blijkt uit het deskundigenrapport. Er rustte geen verdergaande zorgplicht op de werkgever dan het ter beschikking stellen van een antislipvloer en -traptrede en veiligheidsschoenen. Het verzoek van de werknemer wordt afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 06-05-2026

Rechtspraak

PS 2026-0226

In 2017 is een werknemer gewond geraakt tijdens zijn werkzaamheden toen een vallend dakpaneel hem raakte. Als gevolg hiervan heeft hij letsel opgelopen, waaronder breuken in zijn middenvoetsbeentjes en een scheur in zijn bekken. De werknemer vordert nu dat de kantonrechter onder andere voor recht verklaart dat zijn werkgever aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade. Volgens hem heeft de werkgever niet aan de zorgplicht ex artikel 7:658 BW voldaan. Partijen twisten over de toedracht van het ongeval. Naar het oordeel van de kantonrechter is het voldoende dat vaststaat dat er tijdens het verrichten van werkzaamheden een dakpaneel naar beneden is gevallen en dat de man daar onder terechtgekomen is. De precieze toedracht kan daarom in het midden blijven. De werknemer heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden letsel opgelopen en dit betekent dat de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade, tenzij zij aannemelijk kan maken dat zij alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die in redelijkheid van haar mochten worden verwacht. Het ging om gevaarlijk werk. De verantwoordelijkheid van de werkgever voor de veiligheid van de man werd die dag uitgevoerd door een andere werknemer, die zich ervan had moeten vergewissen dat het slachtoffer zich aan de veiligheidsinstructies hield. Uit de verklaring van deze toezichthouder in het EMN-rapport blijkt dat hij tijdens het hijsen van het dakpaneel geen zicht had op de werknemer. De kantonrechter leidt hieruit af dat de man zijn toezichthoudende taak daarmee heeft verzaakt. Juist bij een werknemer als deze, waarvan bij zowel bij de werkgever als de toezichthouder bekend was dat extra toezicht en instructie noodzakelijk was, had de werkgever meer moeten doen om zich ervan te vergewissen dat de werknemer zich aan de veiligheidsinstructies hield door voldoende afstand te nemen en te houden. De werkgever heeft dus niet aan haar zorgplicht voldaan. Van bewuste roekeloosheid is geen sprake. Het feit dat de werknemer na de geschreeuwde waarschuwing niet op tijd voldoende afstand heeft genomen of heeft kunnen nemen is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is geweest van bewust roekeloos gedrag. Het verzoek van de werkgever om de zaak te verwijzen naar de schadestaat wordt afgewezen. Het ongeval heeft ruim acht jaar geleden plaatsgevonden en er is sprake van een medische eindtoestand. Dit betekent dat de werknemer in staat moet zijn om zijn schade inzichtelijk te maken. De kantonrechter zal hem de gelegenheid geven een akte te nemen om zijn schade te onderbouwen. Voor het nemen van deze akte krijgt hij een termijn van vier weken. De werknemer krijgt in afwachting van de verdere procedure een voorschot van € 5.000 toegewezen.
Rechtbank Noord-Holland, 14-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0225

Deelgeschil. In 2020 is een wielrenner een ongeval overkomen op een fietspad. De wielrenner en zijn fietspartner hebben een noodstop gemaakt nadat zij een tegemoetlopende wandelaar en zijn hond zagen. De wielrenner is hierdoor gevallen en heeft daarbij een dwarslaesie opgelopen. De wielrenner verzoekt de rechtbank te bepalen dat de wandelaar aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het hem overkomen ongeval. Primair stelt hij dat de man onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, onder andere omdat de man zijn hond niet voldoende kort had aangelijnd, maar hem aan de andere kant van het fietspad in de berm liet lopen. Subsidiair doet de wielrenner een beroep op risicoaansprakelijkheid ex artikel 6:179 BW, meer subsidiair een beroep op zaakwaarneming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wandelaar een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Het lopen op een fietspad is op zichzelf niet gevaarzettend (een voetpad is daar immers niet aanwezig en het is niet verboden daar te lopen), maar het brengt logischerwijs wel met zich, dat de wandelaar rekening moest houden met tegemoetkomende fietsers. Daar komt bij dat de waarschijnlijkheid van onoplettend en onvoorzichtig gedrag van het tegemoetkomend fietsverkeer op een fietspad als dit niet gering is. De wandelaar had zijn hond zodanig kort aangelijnd moeten hebben dat hij bij onverwachte, plotselinge situaties (zoals hem tegemoetkomende fietsers) zijn hond meteen dicht naar zich toe kon trekken. Hoewel partijen verschillen van mening over de precieze plek op/bij het fietspad waar de hond ten tijde van het ongeval liep, heeft de wandelaar wel erkend dat zijn hond voorafgaand aan het ongeval 2 meter van hem vandaan liep, dat de hond vóór hem liep en dat de hond óp het fietspad liep. De hond liep dus niet in de berm in zijn directe nabijheid. De wandelaar moest er ook rekening mee houden dat hijzelf en – des te meer – zijn (kleine) hond voor tegemoetkomende fietsers pas op een laat moment zichtbaar zouden zijn, gelet op de weersomstandigheden, de schemering, de flauwe bocht in het fietspad ter hoogte van de ongevalslocatie en de hoge begroeiing in de berm aldaar. Hoewel hij daartoe niet verplicht was, was het verstandig geweest als hij verlichting had gevoerd (bij zichzelf en/of bij zijn hond en/of aan de riem). Dat is in deze tijd ook in financiële zin niet een veiligheidsmaatregel die bezwaarlijk van hem kon worden gevraagd. Het feit dat de wielrenner uiteindelijk noch de hond, noch de hondenlijn heeft geraakt, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het causaal verband tussen de aanwezigheid van (de lijn van) de hond op het fietspad en het ontstaan van het ongeval. De rechtbank geeft geen oordeel over een mogelijk eigen schuld aan de zijde van de wielrenner. Uit het verzoekschrift leidt de rechtbank namelijk af dat hij in dit deelgeschil géén beslissing van de rechtbank vraagt over de vraag of sprake was van eigen schuld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij ook uitdrukkelijk verklaard dat zijn verzoek niet inhoudt dat ook (eventuele) eigen schuld wordt meegenomen. De wielrenner wil dit onderwerp aan de orde stellen tijdens het nadere overleg van partijen buiten rechte. Bij het begroten van de kosten van de deelgeschilprocedure gaat de rechtbank voorbij aan het bezwaar van de wandelaar dat onduidelijk is of de wielrenner de kosten voor dit deelgeschil uiteindelijk zelf zal moeten betalen. In reactie daarop heeft de wielrenner namelijk aangevoerd dat zijn rechtsbijstandsverzekeraar de kosten van de advocaat alleen dekt voor zover die niet kunnen worden verhaald of door derden worden vergoed en dat geïncasseerde proceskostenveroordelingen en buitengerechtelijke kosten toekomen aan de rechtsbijstandsverzekeraar. De verzekeraar heeft de advocaat van de wielrenner ook te kennen gegeven dat de gemaakte en te maken (buitengerechtelijke) kosten ‘dienen’ te worden verhaald. Het aantal uren voor het opstellen van een verzoekschrift worden niet beperkt. De opgegeven 18 uur voor het opstellen van het verzoekschrift acht de rechtbank in de deze zaak redelijk.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 21-04-2026

Rechtspraak

PS 2026-0224

Strafrecht. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn gezicht geschoten. Hij heeft verklaard dat het slachtoffer zijn zoon aanviel, waarna de verdachte naar buiten is gerend en één schot heeft gelost. Het slachtoffer is aan zijn opgelopen letsel overleden. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag. De twee zoons, de weduwe, de moeder en de vader hebben zich gevoegd in het strafproces. De gevorderde affectieschade door deze partijen wordt toegewezen. Voor het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van eigen schuld door het slachtoffer bestaat geen grondslag. Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank wijst de gevorderde shockschade van de broer af. Ondanks dat hij is geconfronteerd met de gevolgen van het delict, namelijk doordat hij zijn broer heeft vastgehouden nadat deze was neergeschoten en hij geconfronteerd is geweest met het overlijden, heeft hij zich niet onder medische behandeling laten stellen. Dat is uiteraard een persoonlijke keuze, maar de vraag of bij hem geestelijk letsel is ontstaan in de zin van shockschade, is daarom niet onderbouwd met stukken van een deskundige. De rechtbank acht dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Daarnaast slaagt het beroep van de broer op de hardheidsclausule niet. De broer wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Omtrent de partner van het slachtoffer stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij op 21 oktober 2025 bij het café aanwezig was en dat zij heeft gezien hoe het slachtoffer na een ruzie met een vuurwapen van dichtbij in zijn gezicht is geschoten. Zij heeft het slachtoffer daarna met de wond in zijn gezicht ondersteund en ze zijn samen weggelopen. Later is zij geconfronteerd met zijn overlijden in het ziekenhuis. Het verweer dat de benadeelde partij vanwege de aard en hechtheid niet tot de kring van gerechtigden zou behoren, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat de confrontatie met het delict bij haar een emotionele schok teweeg heeft gebracht waardoor geestelijk letsel is ontstaan en stelt de shockschade naar de maatstaven van billijkheid vast op een bedrag van € 15.000.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 13-05-2026