Deze zaak gaat over een kop-staartaanrijding. Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat de bestuurder van de achterste auto onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de bestuurder van de voorste auto. De bestuurder van de achterste auto werd uitgenodigd een met stukken onderbouwde schadeberekening in het geding te brengen. Het hof heeft in een tweede tussenarrest het verzoek de zaak naar een schadestaatprocedure te verwijzen verworpen omdat er inmiddels een eindtoestand is bereikt en de gelaedeerde nog één keer de gelegenheid geboden zijn schade deugdelijk te onderbouwen. In het onderhavige arrest stelt het hof de schade vast, gedeeltelijk schattenderwijs. De gelaedeerde vordert een bedrag van € 5.000 aan smartengeld. Het hof acht het op basis van het huisartsjournaal en de brief van de neuroloog aannemelijk dat de gelaedeerde klachten heeft ervaren als gevolg van het ongeval in de vorm van vermoeidheid, nekpijn, hoofdpijn en concentratieproblemen, om deze reden is smartengeld toewijsbaar. Gegeven de door de gelaedeerde hiervoor aangevoerde omstandigheden, acht het hof een smartengeld van € 750 passend en billijk. De gelaedeerde vordert daarnaast een bedrag van € 41.964,88 ter zake van inkomensschade. Hij stelt daartoe dat hij zich als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt heeft moeten melden bij zijn werkgever. Als gevolg daarvan is volgens de gelaedeerde zijn contract voor bepaalde duur (tot 1 augustus 2018), na het verstrijken van die duur niet verlengd. Pas toen hij weer volledig hersteld was, is hij weer in dienst genomen. Dit betekent dat hij vanaf augustus 2018 tot en met mei 2019 geen inkomsten heeft genoten. Het hof overweegt als volgt. Met betrekking tot de periode voor 1 augustus 2018 geldt dat de gelaedeerde op basis van zijn arbeidsovereenkomst tijdens ziekte recht had op doorbetaling van 70% van zijn loon van € 3.600 bruto per maand. Als het hof ervan uitgaat dat hij zich op 20 juni 2018 (de dag van het ongeval) heeft ziek gemeld en zich niet hersteld heeft gemeld voor of op 31 juli 2018 (de laatste dag van zijn arbeidsovereenkomst), betekent dat dat hij gedurende 1,33 maand 30% van zijn loon heeft gemist. De schade bedraagt dan € 1.436,40 bruto. Het hof kan op basis van de overlegde stukken er niet van uit gaan dat de gelaedeerde per 1 augustus 2018 als gevolg van het ongeval niet in aanmerking is gebracht voor ziekengeld of WW-uitkering. In combinatie met het feit dat langdurige arbeidsongeschiktheid als gevolg van de low-impactaanrijding niet aannemelijk is, de neuroloog geen afwijkingen heeft geconstateerd en de prognose goed achtte (hoewel hij uitging van een ongeval met een grotere impact dan zich daadwerkelijk heeft voorgedaan), acht het hof onvoldoende aangetoond dat ook in de periode na 1 augustus 2018 sprake was van relevant inkomensverlies als gevolg van het ongeval. Dit betekent dat het hof het inkomensverlies van de gelaedeerde schattenderwijs zal begroten op € 1.500 bruto. Het hof verklaart tot slot dat de verzekeraar van de laedens ook aansprakelijk is voor de schade aan de auto, schade in de vorm van expertisekosten en voor de kosten van de deelprocedure.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 13-01-2026