Naar boven ↑
8.615 resultaten

Rechtspraak

PS 2025-0634

Een vrouw is betrokken geweest bij een verkeersongeval. De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid erkend en een bedrag van € 17.000 aan schadevergoeding uitgekeerd. De vrouw stelt dat het ongeval diverse gezondheidsklachten bij haar veroorzaakt heeft. Zij vordert een voorschot van € 90.000 op de door haar geleden en nog te lijden schade en daarnaast een bedrag aan buitengerechtelijke kosten. De verzekeraar betwist het bestaan van de gestelde gezondheidsklachten en het causaal verband met het ongeval. Zij stelt dat de schade niet meer bedraagt dan de al verstrekte voorschotten. De rechtbank is van oordeel dat de hoofdpijnklachten en de pijnklachten aan de nek en de schouder aan de maatstaf van een plausibel – in de zin van: consequent, consistent en samenhangend – patroon van klachten voldoen. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en de klachten. Gekeken dient te worden of de klachten van het ongeval tot de beperkingen leiden. De rechtbank komt tot de conclusie dat een deel van de klachten, namelijk de nek-, schouder- en hoofdpijnklachten, in juridisch causaal verband staan met het ongeval. Voor de onderrugklachten, tintelend gevoel in de armen, functioneel neurologische stoornis en psychische klachten staat het causaal verband met het ongeval niet vast. De rechtbank acht aannemelijk dat uit de klachten die vaststaan, gezien de blijvende aard ervan, in ieder geval enige beperkingen voortvloeien die van invloed zijn op haar algehele functioneren en verdienvermogen en dat de vrouw als gevolg daarvan schade lijdt. Onduidelijk is echter, bij gebrek aan een onafhankelijk deskundigenrapport van een verzekeringsgeneeskundige en (eventueel) daaropvolgend van een arbeidsdeskundige en een gespecialiseerd rekenkundige, wat de ernst en de impact van die beperkingen zijn voor onder andere het verdienvermogen en in welke mate de vrouw als gevolg daarvan schade heeft geleden. De vrouw heeft op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan. Om deze reden oordeelt de rechtbank dat het gevorderde voorschot dient te worden afgewezen. Evenmin kan worden vastgesteld dat de schade die al is vergoed volledig is. De door de verzekeraar op dit punt gevorderde verklaring voor recht moet daarom eveneens worden afgewezen.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 03-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0631

Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van zijn buren. Hierbij heeft verdachte zijn slachtoffers aangevallen met een samoeraizwaard. Door het handelen van verdachte ontstond de kans dat zijn buurman zou overlijden en ook zijn buurvrouw is bij de aanval zwaargewond geraakt. Beide slachtoffers hebben zich gevoegd als benadeelde partij. Naast dat zij beide vergoeding van de materiële schade vorderen, vorderen zij ook immateriële schade door het lichamelijk letsel dat zij hebben opgelopen. Het eerste slachtoffer heeft letsel aan de linker- en rechterarm, in het gezicht en aan de rug. Uit medische informatie blijkt dat het letsel aan de onderarmen zo ernstig was dat de onderarmen bijna moesten worden geamputeerd (‘near amputation’). Duidelijk is dat geen volledig herstel te verwachten is en dat sprake is van blijvend verlies in kracht, functionaliteit en sensibiliteit van beide armen. Volgens de medische stukken is het waarschijnlijk dat de benadeelde levenslang afhankelijk zal blijven van spalken en drukhandschoenen en dat hij blijvend ernstige beperkingen aan beide armen zal overhouden. Op de armen is uitgebreide littekenvorming. Ook in het gezicht is een zichtbaar litteken en op de rug is eveneens een litteken aanwezig. Voor het vaststellen van de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank acht dat het letsel tussen twee categorieën, a: zeer ernstig armletsel en b: middenzwaar armletsel, in zit. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag of een totaalbedrag van € 74.000 aan smartengeld passend is of dat er reden is dit bedrag naar boven of beneden bij te stellen. De rechtbank ziet grond het bedrag naar boven bij te stellen. Gelet op de aard, de ernst en de intensiteit van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in soortgelijke zaken toewijzen, is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 85.000 aan smartengeld redelijk en billijk is. Omtrent het tweede slachtoffer oordeelt de rechtbank dat het slachtoffer ernstig letsel aan haar linkerpols heeft opgelopen. De rechtbank oordeelt dat dit is te scharen onder categorie b ‘middelzwaar polsletsel’ van de Rotterdamse Schaal. Naast lichamelijk letsel, heeft de benadeelde als gevolg van het bewezen verklaarde ook geestelijk letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis opgelopen zodat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Gelet op de aard, de ernst en de ntensiteit van het feit acht de rechtbank de gevorderde immateriële schade van € 35.000 redelijk en billijk.
Rechtbank Gelderland, 18-11-2025

Rechtspraak

PS 2025-0630

Strafrecht. Verdachte heeft in de nacht van 26 op 27 juli 2024 zijn vriendin door geweld van het leven beroofd. Hij heeft haar op dat moment in blinde razernij meermalen geslagen, gestompt, getrapt en met voorwerpen geslagen. Aan deze geweldsexplosie ging een periode van vier maanden vooraf waarin verdachte richting zijn vriendin geweld gebruikte dat naar zijn aard en ernst steeds heftiger werd. In dezelfde fatale nacht heeft verdachte ook hun 5-jarig zoontje mishandeld. Verdachte heeft na de mishandeling de woning verlaten en is bij terugkomst met het zoontje gaan slapen. Verdachte is pas in de avond van 27 juli 2024 met het zoontje naar de politie gegaan. De ouders van het slachtoffer en haar zoontje hebben zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces. De schade die de ouders hebben geleden als gevolg van affectieschade wordt toegewezen. De wettelijke vertegenwoordiger van het zoontje vordert een bedrag van € 20.000 voor affectieschade, een bedrag van € 25.000 voor schokschade en een bedrag van € 20.000 voor immateriële schade als gevolg van aantasting in de persoon bestaande uit lichamelijk letsel en een zeer ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer. De affectieschade wordt op grond van artikel 6:108 BW toegewezen. De rechtbank heeft bij de beoordeling omtrent de shockschade acht geslagen op het feit dat het zoontje getuige is geweest van het excessieve geweld en dat hij een zeer afhankelijke band had met het slachtoffer. Hij was niet alleen getuige van dit geweld maar werd ook alleen achtergelaten met zijn ernstig gewonde moeder en daarna met zijn overleden moeder. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat de benadeelde partij door deze confrontaties een hevige emotionele schok heeft ervaren. Het zoontje is gediagnosticeerd met PTSS. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk. Tot slot acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 20.000 aan immateriële schade als gevolg van aantasting in de persoon in de zin van lichamelijk letsel en een zeer ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer, billijk.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 04-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0628

De man is betrokken geraakt bij een aanrijding. De man reed op een doorgaande weg, de andere bestuurder is vanaf een tankstation afgeslagen en heeft, volgens het proces-verbaal, de man over het hoofd gezien. Hij vordert in dit kort geding dat NN een voorschot op de schadevergoeding aan hem betaalt. Ten eerste oordeelt de voorzieningenrechter dat deze zaak zich leent voor een kort geding. De WAM-verzekeraar stelt dat er geen sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten en dat het ongeval de klachten van de man niet verklaren. De man heeft ter onderbouwing van zijn klachten naar het medisch advies verwezen van de verzekeringsarts. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat dit advies geen geneeskundige behandelingsovereenkomst is aangezien de verzekeringsarts de man niet heeft gezien en alleen op basis van een dossierstudie een medisch advies heeft geschreven. Daarnaast heeft de medisch adviseur van de WAM-verzekeraar het advies van de verzekeringsarts voldoende betwist. De voorzieningenrechter stelt vast dat er alleen van de huisarts recente medische gegevens beschikbaar zijn. Deze beschikbare gegevens over de medische situatie van de man zijn voor de voorzieningenrechter onvoldoende om een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten vast te kunnen stellen. Daarbij oordeelt de voorzieningenrechter ook dat op basis van de omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ongeval met een dermate impact dat de klachten op zich kan verklaren. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man af. De voorzieningenrechter oordeelt ook dat er een onderzoek moet komen door een deskundige die moet beoordelen welke klachten zijn veroorzaakt door het ongeval en tot welke beperking dat leidt. Partijen kunnen dat onderling regelen, maar de man kan zelf ook een voorlopig deskundigenonderzoek verzoeken. In het kort geding is geen plaats voor een nadere bewijslevering.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 03-12-2025

Rechtspraak

PS 2025-0626

De vrouw is betrokken geweest bij een verkeersongeval, waarbij zij in haar auto van achteren is aangereden door een vrachtwagen. De aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval is door de WAM-verzekeraar erkend. De vrouw heeft daarnaast ook in 1989, 2014 en 2019 letsel opgelopen door verschillende gebeurtenissen. De vrouw verzoekt de rechtbank om drie voorlopige deskundigenberichten te gelasten. De WAM-verzekeraars verzetten zich, zij voeren aan dat zij pas goed kunnen beoordelen of een voorlopig deskundigenonderzoek nodig is en – zo ja – welke vraagstelling aan de deskundige moet worden voorgelegd als zij over alle medische informatie beschikken. Ter zitting heeft de rechter met partijen besproken dat hij eerst een tussenbeschikking zal wijzen waarin de rechtbank een beslissing neemt over de vraag welke medische informatie door de vrouw verstrekt moet worden. De rechtbank oordeelt dat voor deze beoordeling een belangenafweging dient te worden gemaakt. De rechtbank sluit aan bij de Medische Paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade van De Letselschade Raad. De rechtbank oordeelt dat de vrouw medische informatie beschikbaar moet stellen. De rechtbank kent daarbij gewicht toe aan het feit dat de vrouw aanspraak maakt op een omvangrijke schade, dat er sprake is van een complex dossier en dat het hier gaat om een breed scala aan klachten. Naar het oordeel van de rechtbank komt onder deze omstandigheden aan het belang van NN c.s. om inzage te verkrijgen in de medische voorgeschiedenis meer gewicht toe dan aan het belang van privacy van de vrouw. De rechtbank beveelt de vrouw om de medische informatie aan de WAM-verzekeraars te verstrekken.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 21-11-2025