Een moeder is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. In het kader van de hersteloperatie toeslagen heeft de Staat een forfaitaire compensatie van € 57.072 aan de moeder en haar kinderen toegekend. Daarnaast is een bedrag van € 129.513 aan aanvullende (deels immateriële) schadevergoeding toegekend. Er is bezwaar ingesteld tegen dit besluit. De moeder en de kinderen verzoeken de rechtbank tot benoeming van een psychiater en een arbeidsdeskundige over te gaan. Zij stellen dat zij meer schade hebben geleden dan wat tot nu toe aan hen is vergoed. De Staat voert aan dat er sprake is van niet-ontvankelijkheid van de moeder en de kinderen omdat gebruik is gemaakt van de bestuursrechtelijke route. De rechtbank volgt de Staat niet in dit verweer. Het enkele feit dat er al voor een bestuursrechtelijk traject is gekozen leidt niet tot een van de mogelijke afwijzingsgronden. Het feit dat in het bestuursrechtelijke traject nog niet vaststaat wat de omvang van de schadevergoeding is en dus nog niet vaststaat of het uiteindelijk in deze procedure vastgestelde bedrag toereikend is is wel relevant. Indien een deskundigenbericht zou worden bevolen, kan aan de hand van de uitkomst daarvan op dit moment geen vergelijking worden gemaakt met dat bedrag. De moeder en de kinderen kunnen aan de hand van het deskundigenbericht geen inschatting maken van de proceskansen, terwijl de regeling waarop zij nu een beroep doen daarvoor wel bedoeld is. Dit betekent dat het door haar ingestelde verzoek prematuur is en om die reden zal worden afgewezen. De rechtbank oordeelt (ook) dat de moeder en de kinderen onvoldoende aanknopingspunten naar voren hebben gebracht om aan te kunnen nemen dat een psychiatrisch onderzoek nodig is. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de vermelding dat een van de ouders vanwege de stopzetting van de kinderopvangtoeslag moest stoppen met werken om voor de kinderen te zorgen, op zichzelf ook onvoldoende aanknopingspunten oplevert voor een arbeidsdeskundig onderzoek gericht op deze ouder. Niet valt in te zien dat de eventuele schade die daaruit volgt door middel van een kostbaar arbeidsdeskundig onderzoek moet worden onderzocht. De rechtbank wijst het verzoek af. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat als een deskundigenonderzoek zou worden gelast, verzoekers er rekening mee moeten houden dat zij – conform de hoofdregel – daarvan zelf de kosten moeten voorschieten. Niet is betwist dat er al een traject beschikbaar is voor de vaststelling van schade wegens de aansprakelijkheid van de Staat waarin de schade die is geleden door deze aansprakelijkheid civielrechtelijk wordt getoetst. Hoewel het verzoekers vrijstaat om, naast de reeds ingeslagen bestuursrechtelijke route, ook te kiezen voor een civielrechtelijke route, zorgt dit er wel voor dat er geen aanleiding is om van de hoofdregel ten aanzien van het voorschot af te wijken.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 03-12-2025