Naar boven ↑
8.544 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0109

Deelgeschil. In 2021 heeft een motorrijder ernstig letsel (gedeeltelijke amputatie rechterbeen) opgelopen door een aanrijding met een auto die linksaf sloeg op een 80 kilometerweg, terwijl de motorrijder aan het inhalen was. In deze zaak verzoekt de motorrijder onder meer een verklaring voor recht dat de WAM-verzekeraar van de wederpartij ten minste ten dele aansprakelijk is voor zijn schade en dat deze schade door de WAM-verzekeraar vergoed moet worden. De eigen WAM-verzekeraar van de motorrijder heeft echter op basis van het schadeformulier en politierapport ongeclausuleerd aansprakelijkheid voor het ongeval erkend, nadat schade aan de auto was geclaimd. De rechtbank oordeelt dat de man gebonden is aan deze erkenning van aansprakelijkheid. De WAM-verzekeraar van de wederpartij mocht er gerechtvaardigd van uitgaan dat de erkenning een erkenning van aansprakelijkheid voor alle gevolgen van het ongeval inhield. Tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de motorrijder zich de toedracht niet kon herinneren waren het schadeformulier en het politierapport voldoende voor de eigen WAM-verzekeraar om haar standpunt over de aansprakelijkheid te bepalen. De motorrijder kan dus geen aanspraak maken op vergoeding van zijn schade door de WAM-verzekeraar van de tegenpartij. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag. Als het zo is dat de eigen WAM-verzekeraar ten onrechte aansprakelijkheid heeft erkend en de man daarvan nadeel ondervindt, is dat een kwestie tussen deze twee partijen, waar de wederpartij en haar WAM-verzekeraar buiten staan. Geheel ten overvloede merkt de rechtbank op dat de thans beschikbare stukken voorshands de conclusie rechtvaardigen dat de motorrijder een verkeersfout heeft gemaakt en minst genomen in aanzienlijke mate aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen, maar dat de wederpartij onvoldoende oplettend is geweest. De rechtbank beperkt ten slotte de gemaakte uren bij de begroting van de kosten van de deelgeschilprocedure.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 02-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0108

Bij beschikking van dit Gerecht uit 2024 is voor recht verklaard dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade die de werkneemster als gevolg van een bedrijfsongeval in 2022 heeft ondervonden. De werkgever is onder andere veroordeeld deze schade te vergoeden, nader op te maken bij staat. Deze beschikking is in hoger beroep bevestigd. Er is geen cassatie ingesteld zodat de beschikking van het Gerecht kracht van gewijsde heeft. Aan de werkneemster zijn meerdere voorschotbedragen door de werkgever voldaan van in totaal Afl. 40.000. De werkgever moet de schadevergoeding zelf dragen. Zij was tegen aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen namelijk niet verzekerd. De onderhavige zaak betreft de schadestaatprocedure. Blijkens het verzoekschrift verzoekt de werkneemster om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de werkgever te veroordelen tot betaling van de door het Gerecht vast te stellen vergoeding wegens materiële en immateriële schade als gevolg van het bedrijfsongeval. Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting volgt dat de werkgever het met enkele schadeposten eens is en op een aantal punten verweer voert. Door beide partijen wordt om benoeming van een deskundige gevraagd om het Gerecht te adviseren over de posten die door de werkgever worden betwist. Het Gerecht ziet echter geen reden om een deskundige of letselschadedeskundige te benoemen, het is in staat over alle schadeposten zonder inschakeling van een deskundige een oordeel te geven. Het Gerecht wijst Afl. 81.397 aan revalidatiekosten tot en met september 2025, Afl. 6.000 aan advocaatkosten, Afl. 109.440 aan toekomstige revalidatiekosten en Afl. 110.000 aan smartengeld toe.
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 11-11-2025

Rechtspraak

PS 2026-0107

Strafrecht. De verdachte heeft van een korte afstand meerdere keren geschoten op drie ongewapende slachtoffers. Als gevolg hiervan is een van de slachtoffers overleden. De verdachte heeft dit slachtoffer zes keer geraakt. Daarnaast heeft de verdachte geprobeerd om de andere twee slachtoffers te doden. De verdachte heeft met zijn handelen het leven van deze slachtoffers op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Dat zij het hebben overleefd is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Het is uiterst kwalijk dat hij zijn problemen met de slachtoffers heeft beslecht door het gebruik van een vuurwapen. Deze keuze van de verdachte heeft ernstige, blijvende gevolgen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn en functioneren van de slachtoffers. Zo is een slachtoffer in haar borst geraakt en heeft de kogel dusdanige schade aangericht dat haar milt moest worden verwijderd en zij een incomplete dwarslaesie heeft opgelopen. Ze kan, met hulpmiddelen, kleine afstanden lopen en voor langere afstanden is ze afhankelijk van een rolstoel. Daarnaast heeft de verdachte drie kogels afgevuurd op het andere slachtoffer. Hij is geraakt in zijn been, bovenarm en schouderblad. Hij heeft een complete dwarslaesie opgelopen. Er is sprake van totale verlamming en gevoelsverlies van beide benen. Hij zal nooit meer kunnen lopen en is voor de rest van zijn leven volledig afhankelijk van een rolstoel. Het mannelijke slachtoffer heeft € 200.000 aan smartengeld, € 35.000 aan shockschade, € 15.000 aan affectieschade en € 52.141,26 aan materiële schade gevorderd. Het vrouwelijke slachtoffer heeft dezelfde bedragen gevorderd. Daarnaast hebben twee benadeelde partijen zich ook gevoegd, zij vorderen beide een vergoeding van € 20.000 en € 15.000 aan shockschade. Tot slot hebben ook drie nabestaanden van het overleden slachtoffer zich gevoegd. Naast de materiële schade vorderen twee nabestaande affectieschade. Omtrent de materiële schade van het mannelijk slachtoffer oordeelt de rechtbank dat een bedrag van € 87.981,43 zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank dat met inachtneming van het letsel, in deze zaak een schadevergoeding van € 200.000 billijk is. Het mannelijke slachtoffer heeft ook een vergoeding van de affectieschade ingediend omdat hij al een lange tijd een nauwe en persoonlijke relatie had met het vrouwelijke slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat de nauwe persoonlijke relatie als bedoeld in artikel 6:107 lid 2 sub g BW voldoende is komen vast te staan. Het gevorderde bedrag van € 15.000 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade, dit bedrag wordt toegewezen. De rechtbank is ook van oordeel dat het mannelijke slachtoffer aanspraak kan maken op vergoeding van de shockschade. Ondanks dat de hechte en affectieve relatie met het overleden slachtoffer niet is komen vast te staan, is er wel sprake van zo’n relatie met het vrouwelijke slachtoffer. Uit de stukken blijkt dat er sprake is van een forse PTSS. De rechtbank oordeelt dat in deze zaak een schadevergoeding van € 25.000 billijk is. Voor het vrouwelijke slachtoffer zal de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade een bedrag van € 44.977,13 toewijzen. Voor de immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 150.000 billijk. Voor het vrouwelijke slachtoffer acht de rechtbank voor de affectieschade en de shockschade hetzelfde bedrag als bij het mannelijke slachtoffer billijk. De rechtbank oordeelt dat voor de benadeelde, de zus van het slachtoffer, een schadevergoeding van € 10.000 aan shockschade billijk is. De rechtbank is van oordeel dat de tweede benadeelde, de partner van de zus, geen aanspraak kan maken op een vergoeding van shockschade, omdat een hechte en affectieve band met de slachtoffers in de zin van reeds genoemde jurisprudentie onvoldoende is onderbouwd en ook anderszins niet is aangetoond. Ten slotte wordt de gevorderde affectieschade van de nabestaande van het overleden slachtoffer volledig toegewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 13-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0106

Strafrecht. De verdachte heeft van een korte afstand meerdere keren geschoten op drie ongewapende slachtoffers. Als gevolg hiervan is een van de slachtoffers overleden. De verdachte heeft dit slachtoffer zes keer geraakt. Daarnaast heeft de verdachte geprobeerd om de andere twee slachtoffers te doden. De verdachte heeft met zijn handelen het leven van deze slachtoffers op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Dat zij het hebben overleefd is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Het is uiterst kwalijk dat hij zijn problemen met de slachtoffers heeft beslecht door het gebruik van een vuurwapen. Deze keuze van de verdachte heeft ernstige, blijvende gevolgen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn en functioneren van de slachtoffers. Zo is een slachtoffer in haar borst geraakt en heeft de kogel dusdanige schade aangericht dat haar milt moest worden verwijderd en zij een incomplete dwarslaesie heeft opgelopen. Ze kan, met hulpmiddelen, kleine afstanden lopen en voor langere afstanden is ze afhankelijk van een rolstoel. Daarnaast heeft de verdachte drie kogels afgevuurd op het andere slachtoffer. Hij is geraakt in zijn been, bovenarm en schouderblad. Hij heeft een complete dwarslaesie opgelopen. Er is sprake van totale verlamming en gevoelsverlies van beide benen. Hij zal nooit meer kunnen lopen en is voor de rest van zijn leven volledig afhankelijk van een rolstoel. Het mannelijke slachtoffer heeft € 200.000 aan smartengeld, € 35.000 aan shockschade, € 15.000 aan affectieschade en € 52.141,26 aan materiële schade gevorderd. Het vrouwelijke slachtoffer heeft dezelfde bedragen gevorderd. Daarnaast hebben twee benadeelde partijen zich ook gevoegd, zij vorderen beide een vergoeding van € 20.000 en € 15.000 aan shockschade. Tot slot hebben ook drie nabestaanden van het overleden slachtoffer zich gevoegd. Naast de materiële schade vorderen twee nabestaande affectieschade. Omtrent de materiële schade van het mannelijk slachtoffer oordeelt de rechtbank dat een bedrag van € 87.981,43 zal worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade oordeelt de rechtbank dat met inachtneming van het letsel, in deze zaak een schadevergoeding van € 200.000 billijk is. Het mannelijke slachtoffer heeft ook een vergoeding van de affectieschade ingediend omdat hij al een lange tijd een nauwe en persoonlijke relatie had met het vrouwelijke slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat de nauwe persoonlijke relatie als bedoeld in artikel 6:107 lid 2 sub g BW voldoende is komen vast te staan. Het gevorderde bedrag van € 15.000 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade, dit bedrag wordt toegewezen. De rechtbank is ook van oordeel dat het mannelijke slachtoffer aanspraak kan maken op vergoeding van de shockschade. Ondanks dat de hechte en affectieve relatie met het overleden slachtoffer niet is komen vast te staan, is er wel sprake van zo’n relatie met het vrouwelijke slachtoffer. Uit de stukken blijkt dat er sprake is van een forse PTSS. De rechtbank oordeelt dat in deze zaak een schadevergoeding van € 25.000 billijk is. Voor het vrouwelijke slachtoffer zal de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade een bedrag van € 44.977,13 toewijzen. Voor de immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 150.000 billijk. Voor het vrouwelijke slachtoffer acht de rechtbank voor de affectieschade en de shockschade hetzelfde bedrag als bij het mannelijke slachtoffer billijk. De rechtbank oordeelt dat voor de benadeelde, de zus van het slachtoffer, een schadevergoeding van € 10.000 aan shockschade billijk is. De rechtbank is van oordeel dat de tweede benadeelde, de partner van de zus, geen aanspraak kan maken op een vergoeding van shockschade, omdat een hechte en affectieve band met de slachtoffers in de zin van reeds genoemde jurisprudentie onvoldoende is onderbouwd en ook anderszins niet is aangetoond. Ten slotte wordt de gevorderde affectieschade van de nabestaande van het overleden slachtoffer volledig toegewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 13-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0105

Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord, aan het medeplegen van voorbereiding van moord of zware mishandeling met voorbedachten rade en aan medeplichtigheid aan voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing. Voor de poging tot moord en het voorbereiden van de aanslag op het beoogde slachtoffer heeft te gelden dat uiteindelijk, mede door het handelen van de verdachte, de verkeerde persoon ernstig gewond is geraakt. De verdachte heeft met zijn handelen ervan blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van het beoogde en het daadwerkelijke slachtoffer. Dit soort incidenten zorgen voor grote onrust en een gevoel van onveiligheid in de samenleving. De poging tot moord heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag en is door veel omstanders gehoord en gezien. Het daadwerkelijke slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij in het strafproces en vordert een bedrag bestaande uit € 25.340,41 aan materiële schade, te weten een ziekenhuisvergoeding, kosten voor medicatie en verlies van verdienvermogen. Het bedrag bestaat verder nog uit € 56.250 aan immateriële schade, op grond van lichamelijk letsel en geobjectiveerd psychisch letsel. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zodanig heeft bijgedragen aan het gepleegde geweld dat hij op grond van artikel 6:166 BW met zijn mededader(s) naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade en immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het slachtoffer de hoogte van zijn vordering tegenover de (beperkte) betwisting door de verdachte voldoende onderbouwd op alle onderdelen. Dat betekent dat de vordering volledig zal worden toegewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0104

Er heeft een kopstaartbotsing plaatsgevonden waarbij de man met zijn auto achterop de (huur)auto van de gelaedeerde is gereden. De man heeft de achterkant van het aanrijdingsformulier ingevuld voor zijn verzekeraar. De man heeft opgeschreven dat hij een snelheid had van 50 kilometer per uur (voor de aanrijding) en dat de gelaedeerde degene is die aansprakelijk is, omdat hij ‘ineens volledig tot stilstand kwam door een onduidelijke oorzaak of een niet-logische oorzaak namelijk een konijn. Na een 1e kort remmoment van de gelaedeerde volgde een volledige stop’. De gelaedeerde heeft de aansprakelijkheid afgewezen. De gelaedeerde verzoekt in deze zaak dat de verzekeraar aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade. Ten eerste oordeelt de rechtbank dat zij rechtsmacht heeft en dat het Nederlands recht van toepassing is op deze zaak. Daarnaast leent deze zaak zich voor een behandeling in een deelgeschil. De rechtbank hecht allereerst waarde aan de voorkant van het aanrijdingsformulier dat direct na de aanrijding is ingevuld en ondertekend door beide partijen. Hieruit volgt dat de reden voor het stoppen een konijn was. De achterkant van het aanrijdingsformulier kan niet tot uitgangspunt worden genomen, omdat dit eenzijdig door de man is ingevuld en niet door gelaedeerde is (gezien of) ondertekend. De rechtbank komt tot de conclusie dat de man een verkeersfout heeft gemaakt en onrechtmatig jegens de gelaedeerde heeft gehandeld door zijn rijgedrag onvoldoende aan te passen op de verkeerssituatie. De man had een aanrijding kunnen voorkomen, maar heeft in de gegeven omstandigheden te hard gereden (wellicht toch harder dan 20 kilometer per uur, die zou zijn gereden ten tijde van de aanrijding) en/of onvoldoende afstand gehouden tot zijn voorligger (en/of wellicht helemaal niet geremd) en/of niet goed genoeg opgelet. De gelaedeerde valt onder de gegeven omstandigheden geen verwijt te maken. Het beroep van de verzekeraar op eigen schuld van de zijde van de gelaedeerde slaagt niet. Aan (de beoordeling van) een eventuele verdeling van de causaliteit en/of de toepassing van een billijkheidscorrectie wordt niet toegekomen. De rechtbank verklaart voor het recht dat de man aansprakelijk is voor de schade van de gelaedeerde. Matiging begroting kosten deelgeschil (aantal uur).
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 22-01-2026

Rechtspraak

PS 2026-0103

Deelgeschilprocedure. Verzoek deelgeschil aanhangig gemaakt als tegenverzoek in een voorlopige deskundigenprocedure. De vraag die centraal staat is in hoeverre het ziekenhuis aan de patiënt buitengerechtelijke kosten voor de advocaat moet vergoeden als het ziekenhuis voor slechts een deel aansprakelijkheid erkent. Niet voor alle naar voren gebrachte verwijten is aansprakelijkheid erkend. De tijd die de advocaat heeft besteed voor het voeren van verweer in een voorlopige deskundigenprocedure kan op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen omdat de voorlopige deskundigenprocedure in personenschadezaken vaak ook van betekenis is voor het buitengerechtelijke onderhandelingsproces. De beperking die hier echter geldt is dat hiervoor gemaakte kosten op die grond alleen als vergoeding kunnen worden toegewezen als aansprakelijkheid vaststaat of is erkend. In dit geval is dat slechts ten dele het geval. In de voorlopige deskundigenprocedure is verzocht twee deskundigen te benoemen om niet alleen de mogelijke gevolgen van de medicatieverwisseling tijdens de bevalling, waarvoor het ziekenhuis aansprakelijkheid heeft erkend, in kaart te brengen maar ook om de handelwijze rondom de fase daaraan voorafgaand en de fase direct daarop volgend, meer in het bijzonder rondom de reanimatie, te beoordelen, voor welke handelingen het ziekenhuis geen aansprakelijkheid heeft erkend omdat de verzekeraar meent dat binnen de geldende standaarden is gehandeld. Voor zover de werkzaamheden in het kader van het verweer in de voorlopige deskundigenbenoeming op laatstgenoemde handelingen van het ziekenhuis betrekking hebben gehad, kunnen de daaraan door haar bestede uren vooralsnog, in deze fase, daarom niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Kosten deelgeschil. Kosten advocaat voor het voeren van de voorlopige deskundigenprocedure vallen daar niet direct onder (gedeeltelijke toewijzing, voor zover deze samenhangen met het deelgeschil).
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26-01-2026