Conclusie advocaat-generaal M.E. van Wees. De verdachte heeft met de vrachtwagen die hij bestuurde, met een te hoge snelheid gereden op de afrit van de snelweg en is met die snelheid door een rood licht de kruising opgereden die zich aan het einde van die afrit bevond. Op de kruising heeft hij een auto aangereden die werd bestuurd door het slachtoffer. Als gevolg daarvan is het slachtoffer overleden. Het tweede middel van de cassatie richt zich tegen de toewijzing van schokschade aan de broer en de ouders van het slachtoffer. De moeder, vader en broer van het slachtoffer hebben ieder een vergoeding van immateriële schade van € 15.000 gevorderd op de grondslag van schokschade. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Als eerst wordt geklaagd dat het hof, ondanks een daartoe gevoerd verweer, de gezichtspunten onvoldoende in zijn oordeel heeft betrokken. De tweede deelklacht richt zich tegen de vaststelling van de hoogte van schokschade. Daarbij zou het hof geen acht hebben geslagen op beslissingen van rechters in vergelijkbare zaken en geen rekening hebben gehouden met de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade. De eerste deelklacht is een motiveringsklacht. Het hof zou de hiervoor beschreven drie gezichtspunten niet of onvoldoende hebben betrokken bij zijn oordeel, terwijl de verdediging wel had betoogd dat rekening moest worden gehouden met het feit dat het ging om een ongewild ongeval en de verdachte geen opzet had. Verder was aangevoerd dat geen van de benadeelde partijen getuige is geweest van het ongeval en dat niet blijkt op welke wijze de ouders zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval, maar dat die confrontatie in ieder geval niet onverhoeds is geweest. Op grond van het juridisch kader is het zeer wel mogelijk om op basis van voldoende zwaarwegende omstandigheden op twee gezichtspunten tot het oordeel te komen dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens degene die een hevige emotionele schok heeft ondergaan. Anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt lijkt te nemen, is de verminderde aanwezigheid van een gezichtspunt niet in alle gevallen ook een contra-indicatie voor de aanwezigheid van een onrechtmatige daad. Wat betreft de broer heeft het hof over de confrontatie met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan vastgesteld, dat de broer geen getuige is geweest van het ongeval. Het hof heeft over de confrontatie verder vastgesteld dat hij kort na het ongeval op de plaats delict is geweest, dat hij het slachtoffer heeft moeten identificeren en dat hij videobeelden heeft bekeken waarop duidelijk te zien is hoe het ongeval heeft plaatsgevonden en hoe de omstandigheden ter plaatse waren. Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond, vermeldt het hof niets. Met enige aarzeling meent de advocaat-generaal dat deze feiten en omstandigheden voldoende zijn om tot het oordeel te komen dat de verdachte jegens de broer van het slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Dat betekent dat het oordeel van het hof, dat uit deze confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval waarbij de broer van de benadeelde partij om het leven is gekomen volgt dat de verdachte jegens de broer onrechtmatig heeft gehandeld, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Dat ligt naar zijn mening anders ten aanzien van het oordeel van het hof dat de verdachte ook jegens de ouders van het primaire slachtoffer onrechtmatig heeft gehandeld. Anders dan bij de broer van het primaire slachtoffer, houden de vaststellingen van het hof niet in dat zij op de plaats delict zijn geweest of dat zij de videobeelden hebben bekeken die zijn gemaakt van het ongeval. Het hof heeft vastgesteld dat de confrontatie met de gevolgen van het verkeersongeval, waaronder de identificatie van hun zoon, een hevige emotionele shock teweeg heeft gebracht. Over het moment van deze identificatie en de wijze waarop deze plaatsvond vermeldt het hof niets. Met name wordt niets vastgesteld over eventuele verwondingen die de ouders hebben moeten waarnemen op het lichaam van hun zoon. Dat klemt in dit geval temeer, omdat door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd dat niet blijkt op welke wijze de ouders van het slachtoffer zijn geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Het hof verwijst in zijn motivering wel nog naar de schriftelijke onderbouwing van de vordering benadeelde partij. Waar het hof dan precies op doelt, wordt echter niet duidelijk. De vaststelling van het hof dat zij hun zoon hebben geïdentificeerd kan het oordeel dat de verdachte onrechtmatig jegens de ouders van het primaire slachtoffer heeft gehandeld niet zelfstandig dragen. Om die reden acht de A-G het oordeel van het hof dan ook niet toereikend gemotiveerd. De tweede deelklacht behoeft dan geen bespreking voor zover die ziet op de ouders. Als daarover anders zou worden geoordeeld, meent de advocaat-generaal dat de tweede deelklacht ook hier slaagt wat de ouders betreft, voor zover deze klacht inhoudt dat bij het bepalen van de hoogte van de vordering niet is ingegaan op de aanspraak die de ouders al hebben gemaakt op de vergoeding van affectieschade. Voor zover de deelklacht zich richt tegen de motivering van de hoogte van de aan de broer toegekende vergoeding voor schokschade, faalt deze. De advocaat-generaal wijst erop dat aan de broer geen affectieschade is toegekend en dat de verdachte bij het hof geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de vordering. Het middel slaagt deels.
Parket bij de Hoge Raad, 09-06-2026