Naar boven ↑
8.859 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0424

De vrouw is een kop-staartbotsing overkomen. De rechtbank heeft eerder al overwogen dat het gepresenteerde klachtenpatroon plausibel is. De deskundige heeft op basis van de klachten die de vrouw als gevolg van het ongeval heeft gekregen, enkele beperkingen kunnen vaststellen, die er zijns inziens toe leiden dat zij geacht kon/kan worden 6 uur per dag/30 uren per week werkzaamheden te verrichten die fysiek en psychisch niet te zwaar belastend zijn. Mede aan de hand van dit rapport moet worden bezien of aan de zijde van de vrouw sprake is van verlies aan verdienvermogen, zelfwerkzaamheid en behoefte aan huishoudelijke hulp. De rechtbank heeft een arbeidsdeskundige benoemd en hem vragen voorgelegd. De vader van de vrouw heeft de deskundige meerdere berichten gestuurd en daarbij onder meer verzocht de vrouw meer tijd te geven voor een reactie op het conceptdeskundigenbericht en voor het overleggen van nieuwe medische informatie. De rechtbank heeft de deskundige bericht dat hij niet langer op een inhoudelijke reactie van de vrouw op het concept hoefde te wachten. De deskundige heeft vervolgens het deskundigenbericht ingediend ter griffie. De verzekeraar heeft een conclusie na deskundigenbericht genomen, waarna hij vonnis heeft gevraagd. Na de onttrekking van de advocaat van de vrouw is zij niet in de gelegenheid geweest te concluderen na deskundigenbericht. Echter oordeelt de rechtbank dat er geen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren zijn. Gelet hierop neemt de rechtbank de bevindingen van de deskundige over en maakt zij zijn conclusies tot de hare. De verzekeraar heeft de schade vergoed. De gebruikte schadeberekening is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en kenbaar gebaseerd op het arbeidsdeskundig rapport. Nu de verzekeraar de aansprakelijkheid van zijn verzekerde heeft erkend en de geleden schade heeft vergoed, heeft de vrouw geen belang meer bij haar vordering tot afgifte van een verklaring voor recht dat de verzekeraar aansprakelijk is.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 09-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0423

De vrouw is betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarna sprake was van een whiplash en zij arbeidsongeschikt is geraakt. De vrouw heeft voor de afhandeling een belangenbehartiger in de arm genomen, die aangesloten is bij het Nederlands Instituut van Registerexperts (NIVRE). Deze heeft in mei 2017 met de aansprakelijke verzekeraar een definitieve regeling getroffen. Er was nog geen sprake van een medische eindtoestand. Een vaststellingsovereenkomst is gesloten en door de verzekeraar is € 20.000 aan de vrouw betaald. Na het sluiten van de overeenkomst is de vrouw in de bijstand terechtgekomen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de belangenbehartiger in de verlening van zijn bijstand aan de vrouw toerekenbaar tekort is geschoten. Zij heeft een klacht ingediend bij het NIVRE. Het tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de vrouw de belangenbehartiger gedagvaard, waarna de rechtbank haar vorderingen heeft afgewezen. Het hof beslist echter in het voordeel van de vrouw. Het hof oordeelt dat aan het oordeel van het tuchtcollege in deze zaak geen beslissende betekenis toekomt en de reden waarom wordt in deze uitspraak uitgebreid uitgelegd. Het hof komt tot de conclusie dat de belangenbehartiger niet over de (ten minste basale) kennis beschikt van de juridische regelingen die invloed kunnen hebben op de hoogte van de schadevergoeding waarop een slachtoffer aanspraak kan maken. De belangenbehartiger, die volgens het hof als register-expert in de onderhandelingsfase grotendeels gelijk te stellen is met een adviserend advocaat, kon ook niet aangeven hoe hij tot het bedrag uit de vaststellingsovereenkomst is gekomen. Verder tekent het hof aan dat het best denkbaar is, en in de praktijk niet geheel ongebruikelijk, dat een finale regeling wordt getroffen als nog geen sprake is van een medische eindtoestand. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam expert mag wel worden verwacht dat die de daaraan verbonden risico’s dan vooraf met zijn cliënt bespreekt en beschikt over de laatste medische informatie, zodat hij zijn cliënt een verantwoorde afweging kan laten maken, uitgaande van de verschillende scenario’s. De belangenbehartiger is ook op dit punt tekortgeschoten. Hij beschikte niet over de laatste medische informatie, had geen overleg gehad met een medisch adviseur en heeft de vrouw niet betrokken bij het doen van een voorstel voordat hij een regeling trof met Achmea. De belangenbehartiger heeft de vrouw volgens het hof niet adequaat geadviseerd, waardoor de vrouw, door de wijze waarop de belangenbehartiger de regeling presenteerde en mede in het licht van het grote verschil in kennis over de materie van de regeling van een letselschadezaak tussen de vrouw en de belangenbehartiger, zich volgens het hof terecht gedwongen voelde het aanbod van de verzekeraar te accepteren. Het hof oordeelt dat de belangenbehartiger in persoon en het schaderegelingsbureau waarvoor hij werkte aansprakelijk zijn jegens de vrouw. Zij worden hoofdelijk veroordeeld de door haar als gevolg van de tekortkoming geleden schade te vergoeden. Die schade moet worden vastgesteld in een schadestaatprocedure.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 15-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0422

De man heeft een MRI-onderzoek ondergaan in het ziekenhuis. Hij stelt zich op het standpunt dat dit onzorgvuldig is gebeurd en dat door dit onderzoek zijn al licht aanwezige vorm van tinnitus een zeer ernstige vorm heeft aangenomen. De man vordert dat het ziekenhuis geboden wordt om de werkinstructies van de laboranten te verstrekken en de namen te verstrekken van de (drie) betrokken laboranten (ten behoeve van een te verzoeken getuigenverhoor). De vordering tot het verstrekken van de werkinstructies wordt afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat het ziekenhuis beschikt over de door de man gevorderde schriftelijke werkinstructies. Het ziekenhuis heeft aangevoerd dat deze instructies mondeling worden gegeven. Ook als er wel schriftelijke werkinstructies zouden bestaan, zou de vordering om die instructies te verstrekken worden afgewezen, omdat daarbij geen spoedeisend belang is. De vordering tot het verstrekken van de namen van de laboranten die bij het MRI-onderzoek van de man betrokken zijn geweest wordt afgewezen, omdat sprake is van gewichtige redenen die zich op dit moment ertegen verzetten dat deze namen worden gegeven. De man zal via een verzoekschriftprocedure toestemming aan de rechter moeten vragen voor dit voorlopige getuigenverhoor. Het is op dit moment onduidelijk of die toestemming wel of niet zal worden gegeven. Wanneer de toestemming niet wordt gegeven en UMCU, via dit kort geding, wordt gedwongen om de namen van haar laboranten te geven, dan heeft dit, zoals UMCU aanvoert, tot gevolg dat de privacy van de laboranten onomkeerbaar wordt geschonden. Dat is een onwenselijke situatie. UMCU heeft als werkgever van de laboranten de verplichting om de privacy van hen te waarborgen. Er bestaat een mogelijkheid om deze onwenselijke situatie te voorkomen. De man kan een verzoekschriftprocedure (voorlopige bewijsverrichtingen) starten waarin hij een gecombineerd verzoek indient tot het verstrekken van de namen van de laboranten en het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Van de man kan worden verlangd dat hij deze mogelijkheid benut. Dat leidt mogelijk tot enige vertraging, maar dat weegt minder zwaar dan het recht op privacy van de laboranten. Overigens wordt de vertraging vooral veroorzaakt doordat de man de verzoekschriftprocedure tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor nog moet starten. Ook weeg mee dat de man het aanbod van UMCU om een gesprek te hebben met de laboranten heeft afgewezen. Tot slot wordt de laatste vordering afgewezen omdat het weinig zinvol is. De ruimte is gerenoveerd en de hoofdtelefoon die bij de man is gebruikt is niet meer in de ruimte aanwezig. Kortom: alle vorderingen van de man zijn afgewezen.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 16-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0421

De vrouw heeft een medische ingreep (een buikwand- en bovenarmcorrectie) ondergaan in de kliniek. Volgens de vrouw zijn rond die medische ingreep fouten gemaakt door de kliniek. In het deelgeschil ligt – kort gezegd –de vraag voor of de verzekeraar en de kliniek kunnen worden aangesproken voor de schade die de vrouw stelt te hebben geleden als gevolg van de door haar gestelde fouten. De verzekeraar meent dat de rechtbank daarover geen beslissing kan nemen omdat er onderzoek door een onafhankelijk medisch deskundige nodig is. In dat kader heeft de verzekeraar een tegenverzoek ingediend, inhoudende dat de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht gelast. Voor de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag is naar het oordeel van de rechtbank een onderzoek door een medisch deskundige noodzakelijk. Zonder een nader onafhankelijk deskundigenadvies kan de rechtbank de aansprakelijkheid van de kliniek niet beoordelen. Met de verzekeraar is de rechtbank daarom van oordeel dat de vrouw niet een deelgeschil had moeten starten, maar een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht had moeten indienen. Er is daarom geen grond voor de toewijzing van het gevorderde voorschot op de schadevergoeding of de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Het verzoek is op deze punten prematuur. Mede daarom worden de kosten in deelgeschil aan de zijde van de verzoekster ook niet begroot. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeraar in haar tegenverzoek kan worden ontvangen, dit tegenverzoek wordt verder behandeld.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 03-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0420

De man heeft het slachtoffer mishandeld en is daarvoor onherroepelijk veroordeeld door de politierechter. Het slachtoffer stelt als gevolg van de mishandeling schade te hebben geleden, onder meer bestaande uit gederfde inkomsten wegens (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter heeft de schadevorderingen van het slachtoffer toegewezen. In hoger beroep is enkel de vraag aan de orde wat de omvang is van de op de man rustende schadevergoedingsplicht, nu de man het hoger beroep heeft beperkt tot het door hem gevoerde eigenschuldverweer (grief I) en de onderbouwing van de schade wegens gederfde inkomsten door het slachtoffer (grief II). De man heeft niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan door onvoldoende toe te lichten welke concrete omstandigheden, die aan het slachtoffer kunnen worden toegerekend, tot gevolg hebben gehad dat er sprake is van eigen schuld. Daarnaast is het hof van oordeel dat het slachtoffer het schadebedrag van € 10.752 wegens gederfde inkomsten summier heeft toegelicht en onderbouwd. Daartegenover staat dat de man in hoger beroep de omvang van de schade slechts in algemene bewoordingen heeft betwist. Het had op de weg van de man gelegen om concreet in te gaan op de door het slachtoffer naar voren gebrachte stellingen en in het geding gebrachte stukken, hetgeen hij heeft nagelaten. Het door de man ingestelde hoger beroep heeft geen succes. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, met veroordeling van het slachtoffer in de proceskosten in het hoger beroep.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0419

In deze zaak staat de vraag centraal of het dienstvervoerbedrijf aansprakelijk is voor de schade die de fietser heeft geleden, nadat hij tijdens het fietsen – tegen de rijrichting in – de controle over zijn fiets verloor en ten val kwam tegen de zijkant van een passerende tram. De fietser heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De fietser stelt dat de trambestuurder hem had moeten waarschuwen en dat het uitblijven van de waarschuwing meebrengt dat het dienstvervoerbedrijf aansprakelijk is voor zijn schade. Nu de trambestuurder ter zake het ongeval op dit punt een verwijt kan worden gemaakt, is er volgens de fietser geen sprake van overmacht. Van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van de fietser is evenmin sprake. Volgens de fietser brengt dit met zich dat het dienstvervoerbedrijf op grond van de zogenoemde 50%-regel ten minste 50% van zijn schade dient te vergoeden. Daarop dient vervolgens de billijkheidscorrectie te worden toegepast, gelet op de ernst van zijn letsel en de ingrijpende gevolgen daarvan. De rechtbank oordeelt dat de trambestuurder in de gegeven omstandigheden rechtens geen verwijt kan worden gemaakt en dat daarmee sprake is van overmacht. Van een beroepsmatige trambestuurder mag worden verwacht dat hij rekening houdt met mogelijke verkeersfouten van andere (zwakkere) weggebruikers, maar niet met een zodanig onverwachte ontwikkeling dat een fietser die parallel naast een passerende tram rijdt plotseling de controle over zijn fiets verliest en tegen de zijkant van die tram valt. Met een dergelijk verloop van de gebeurtenissen hoefde de trambestuurder dan ook redelijkerwijs geen rekening te houden. De vorderingen van de fietser worden daarom afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0418

De werkneemster is in dienst geweest bij een kaashandel. Vast staat dat de werkneemster verschillende klachten heeft, zoals artrose in handen, elleboog, schouder, rug, heupen, knieën en voeten, lichte artrose in CMC1-gewrichten, tendinitis (peesontsteking) in schouder en veranderingen in de lumbale wervelkolom. Daarnaast kampt de werkneemster met mentale problemen. Het gaat in deze zaak om de vraag of de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die de werkneemster stelt te hebben geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. De aandoeningen van de werkneemster hebben een multi-causaal ziektebeeld. De werkneemster stelt dat de aandoeningen waaraan zij lijdt een rechtstreeks gevolg zijn van de zware werkomstandigheden bij werkgever. Zij onderbouwt haar stelling met verschillende verklaringen van (oud-)werknemers en licht de zware werkomstandigheden toe. De werkgever betwist niet dat het werk dat de werkneemster verrichtte zwaar was, maar heeft de geschetste werkomstandigheden op bepaalde punten gemotiveerd weersproken. De kantonrechter is echter van oordeel dat de werkneemster de blootstelling aan schadelijke werkomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De overgelegde getuigenverklaringen zijn gemotiveerd betwist en de werkneemster heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de werkomstandigheden ook schadelijk konden zijn voor de gezondheid. Daarmee is niet aan het eerste vereiste voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voldaan. Ook aan het tweede vereiste is niet voldaan, omdat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende is komen vast te staan dat de klachten van de werkneemster kunnen zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden. De werkneemster draagt nu de volledige bewijslast. Pas als zij hierin is geslaagd, komt de vraag aan de orde of de werkgever de op hem rustende zorgplicht is nagekomen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 13-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0417

Het verzoekschrift strekt er in de kern toe dat de rechtbank voorlopige deskundigenberichten zal bevelen ter beantwoording van de in het verzoekschrift opgenomen vraagstellingen, met benoeming van een door de rechtbank aan te wijzen neuroloog tezamen met een psychiater, verzekeringsarts en bedrijfseconoom. Daarnaast wordt verzocht om te bepalen dat de kosten van het onderzoek en dus ook van het voorschot op deze kosten ten laste van de verzekeraar zullen worden gebracht. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat partijen in grote lijnen overeenstemming hebben bereikt over het plan van aanpak in onderhavige zaak. Het plan van aanpak komt erop neer dat partijen het eens zijn dat er eerst een neuroloog en een psychiater worden benoemd. De beslissing op het verzoek tot benoeming van een verzekeringsarts en bedrijfseconoom zal, mede gelet op de daarmee gepaard gaande kosten, in afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek van de neuroloog en psychiater, worden aangehouden. De rechtbank benoemt de neuroloog en de psychiater en oordeelt dat de verzekeraar de kosten van het deskundigenonderzoek moet voorschieten. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om aan te sluiten bij de nieuwe IWMD-vraagstelling uit 2025. Anders dan verzoeker lijkt te betogen, is het de rechtbank niet gebleken dat de nieuwe vraagstelling onzorgvuldig tot stand is gekomen. De IWMD-vraagstelling is tot stand gekomen onder leiding van De Letselschade Raad, een onafhankelijke en overkoepelende organisatie in de letselschadebranche. Volgens De Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling vastgesteld na een intensief proces van zes jaar, waarbij de vorige versie branchebreed is geëvalueerd. De nieuwe versie sluit volgens De Letselschade Raad aan bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. Dat daarbij in de vraagstelling meer aandacht is voor de predispositie en pre-existentie mag zo zijn, maar dat zijn volgens de rechtbank ook onderwerpen die niet onderbelicht moeten blijven, zeker niet bij zaken waar het gaat om moeilijk objectiveerbaar letsel.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 07-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0416

Het bedrijf verkoopt en verhuurt onder andere rolstoelen. Door het bedrijf is er een nieuwe rolstoel ter beschikking gesteld aan de man. In eerste instantie is de rolstoel zonder achterwielen geleverd. Het bedrijf ging ervan uit dat de achterwielen van de oude rolstoelen zouden worden omgezet. Vervolgens is het bedrijf nog tweemaal lang geweest om de rolstoel aan te passen. Na de derde keer heeft de man de rolstoel gebruikt. Hij is die dag naar de vlonder in zijn achtertuin gereden vervolgens heeft de man een wheelie gemaakt en is voorover uit de rolstoel gevallen. Hierdoor heeft de man zijn rechteronderbeen gebroken. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bedrijf aansprakelijk is. De daaropvolgende buitengerechtelijke onderhandelingen over de afwikkeling van de schade hebben niet tot een overeenkomst geleid. Partijen blijven verdeeld over de vraag of sprake is van enige mate van eigen schuld en of causaal verband bestaat tussen het ongeval en de verhuizing van de man. Op basis van het in kracht van gewijsde gegane vonnis staat vast dat de oorzaak van de val is gelegen in de onjuiste afstelling van de rolstoel. Het bedrijf heeft aangevoerd dat de rolstoel niet geschikt was voor het uitvoeren van een wheelie. Dat bepaalde typen rolstoelen mogelijk makkelijker of soepeler kunnen kiepen maakt op zichzelf nog niet dat het uitvoeren van een wheelie geen normale basisvaardigheid meer is of dat de man reeds daarom onvoorzichtig zou hebben gehandeld. Aan het voorgaande doet evenmin af dat in de gebruikershandleiding van de rolstoel wordt gewaarschuwd voor het risico op een val. Daarnaast heeft het bedrijf geen feiten of omstandigheden gesteld die – mits bewezen – kunnen leiden tot het oordeel dat de man dermate onvoorzichtig heeft gehandeld dat hij zich anders heeft gedragen dan een redelijk rolstoelgebruiker onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen dragen dat de bewoning van de boerderij als gevolg van de val niet langer mogelijk was en dat de verhuizing naar het seniorenappartement daardoor noodzakelijk is geworden. De rechtbank concludeert dat het beroep van het bedrijf op eigen schuld aan de kant van de man wordt afgewezen en dat de gevorderde verklaring voor het recht dat er sprake is van een causaal verband tussen de verhuizing en de val wordt afgewezen.
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 09-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0415

De man onderging een medisch onderzoek bij het ziekenhuis ter evaluatie van het eerder gecoilde aneurysma. De man onderging hierna een operatie bij het UMC. Partijen vermoeden dat het coil-materiaal (‘spiraaltje’) dat is gebruikt in de loop van de tijd op de oogzenuw van de man is gaan drukken. Sinds de operatie is de man steeds minder goed gaan zien met zijn rechteroog en heeft hij last van dubbelbeelden. De man vordert in dit kort geding een voorschot op de schadevergoeding van het ziekenhuis vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, althans onrechtmatige daad. Het ziekenhuis voert zowel een verjarings- als een causaliteitsverweer en voert verder aan dat sprake is van een restitutierisico. De kantonrechter oordeelt dat het bestaan van een vordering van de man op het ziekenhuis, gelet op het gevoerde verjarings- en causaliteitsverweer, onvoldoende aannemelijk geworden is voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in kort geding. Een onmiddellijke voorziening is dan niet op zijn plaats, temeer nu er een reëel risico bestaat dat de man niet kan terugbetalen. Hoewel de situatie van de man prangend is en zijn belang bij een voorschot op schadevergoeding voldoende aannemelijk, weeg dat niet op tegen het belang van het ziekenhuis om bij de onzekere vordering tot een voorschot op schadevergoeding veroordeeld te worden. Dit betekent dat de vordering wordt afgewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15-09-2026