Naar boven ↑
8.873 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0438

Hof. Tussenarrest. Een man heeft sinds 1 januari 1997 als assistent-voorman en voorman gewerkt bij de werkgever. In de procedure stelt hij onder meer nek- en schouderklachten en rugklachten te hebben overgehouden aan zijn werkzaamheden bij werkgever, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt. In eerste aanleg oordeelde de kantonrechter dat de werkgever voor 20% proportioneel aansprakelijk is voor de schade van de man. Een beroep op de toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel werd afgewezen. Het hof is, na het wel toepassen van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, van oordeel dat de nek/schouder- en rugklachten van de werknemer zijn veroorzaakt door de zware fysieke werkzaamheden die hij voor zijn werkgever heeft verricht. Volgens het hof is de kans dat de klachten en beperkingen door de zware fysieke werkzaamheden zijn veroorzaakt 50%. Deze kans wordt door hof niet als te onzeker of onbepaald gekwalificeerd. Hiermee is het vermoeden gerechtvaardigd dat de schade aan nek/schouders en rug is veroorzaakt door de fysiek zware omstandigheden waarin hij zijn werkzaamheden heeft verricht. De werkgever heeft dit vermoeden in de procedure niet kunnen weerleggen. Aangevoerde alternatieve verklaringen zijn niet voldoende onderbouwd. Als de werkzaamheden ook zouden kunnen zijn veroorzaakt door een andere werkgever waarvoor de man heeft gewerkt dan geldt volgens het hof dat de werkgevers hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn. De werkgever heeft ook niet aangetoond dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht als werkgever. Hij is dus (volledig) aansprakelijk voor de hieruit voortvloeiende schade. Het vonnis van de kantonrechter kan dan ook niet in stand blijven. Het hof verwijst de zaak niet naar de schadestaatprocedure omdat het hof het mogelijk acht om de schade al in deze procedure te begroten. Het hof verwijst de zaak naar de rol om de werknemer in de gelegenheid te stellen zijn schadeposten uiteen te zetten en te onderbouwen.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 29-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0437

Deelgeschil. In mei 2024 heeft een man zijn enkel verzwikt door een gat in het wegdek. De gemeente heeft de man laten weten dat zij de schade ter hand neemt en zal vergoeden. In november 2024 heeft de man een röntgenfoto laten maken van zijn linkerenkel. Daarop was een zeer uitgebreide synoviale chondromatose (zeldzame goedaardige afwijking waarbij kleine kraakbeenknobbeltjes/-deeltjes in het gewrichtsslijmvlies/slijmbeurzen of de peesschede rond een gewricht kunnen ontstaan) te zien. Volgens zijn orthopedisch chirurg is een operatieve ingreep geboden om de losgekomen kraakbeenknobbeltjes te verwijderen. Nu, in 2026, heeft de man zijn operatie nog steeds niet ondergaan. Een door partijen ingeschakelde ergotherapeut heeft in haar rapport onder meer opgemerkt dat het haar volstrekt niet duidelijk is of er een direct causaal verband is tussen het ongeval en het ontstaan van de synoviale chondromatose. Zij kan het echter ook niet uitsluiten. In dit deelgeschil vordert de man onder meer een voorschot van minimaal € 40.000. De gemeente betwist het gestelde causale verband tussen het letsel, de aanhoudende enkelklachten en het incident, de omvang van de schade en de redelijkheid van het verzochte voorschot. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de man voorafgaand aan het incident geen klachten aan zijn enkel had. Mogelijk leed hij al wel aan synoviale chondromatose maar in dat geval had hij er kennelijk geen last van. Voor zover sprake is van een dergelijke predispositie, staat die in beginsel niet in de weg aan het aannemen van causaal verband tussen de klachten en het incident. Het schadevergoedingsrecht kent immers als uitgangspunt dat de dader het slachtoffer heeft te nemen zoals hij is. Dat betekent dat als de man door een verborgen kwetsbaarheid ernstiger klachten heeft opgelopen door het incident dan anders het geval zou zijn geweest, de gemeente desalniettemin voor de volledige schade aansprakelijk is. Het incident is in dat geval een ‘trigger’ die de tot dan toe sluimerende synoviale chondromatose openbaart – met bijbehorende klachten. De rechtbank overweegt verder dat de man vanaf maart 2025 herhaaldelijk is gewezen op het belang om op zo kort mogelijke termijn een operatie te ondergaan en daarmee op de mogelijkheid om de looptijd van zijn schade te beperken. Vanuit de gemeente is zelfs doelgericht bevoorschot om de operatie in financieel opzicht te faciliteren en de operatie stond ook gepland in het ziekenhuis. Desalniettemin heeft een operatie niet plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man met het weigeren van een operatie een kans heeft laten liggen om zijn schade mogelijk te beperken en daarmee in beginsel zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden. Of met het eerder laten plaatsvinden van een operatie ook daadwerkelijk de schadelooptijd zou zijn verkort, is niet vast te stellen zolang de operatie niet heeft plaatsgevonden. De onzekerheid over het effect van het uitblijven van de operatie op het schadeverloop staat in de weg aan toewijzing van het verzoek om een aanvullend voorschot. In het huidige stadium kan immers niet worden vastgesteld dat de man aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door de gemeente betaalde voorschotten significant overstijgt.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 01-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0436

Een activiteitenbegeleidster heeft tijdens haar werk een klap tegen haar rechterslaap gekregen van een van de bewoners. De begeleidster houdt zowel de bewoner als haar werkgever aansprakelijk. De bewoner en de werkgever voeren verweer: de bewoner betwist onrechtmatig te hebben gehandeld en de werkgever voert aan zijn zorgplicht te hebben nageleefd. In een eerder tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de bewoner aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. Om vast te kunnen stellen of (ook) de werkgever aansprakelijk is voor de schade heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat nadere bewijslevering noodzakelijk is. In dat kader zijn getuigen gehoord en nadere stukken toegezonden. De kantonrechter is echter van oordeel dat de werkgever niet in het bewijs is geslaagd. De werkgever heeft zijn zorgplicht geschonden. De begeleidster is niet op de hoogte gesteld van het gedragspatroon van de bewoner in de dagen voorafgaand aan haar dienst. Als zij dit wel had geweten, had zij anders kunnen handelen. De werkgever had moeten waarborgen dat de mondelinge overdracht door de verpleegkundige volledig was. Zij had dit ook kunnen doen door mogelijk te maken dat de begeleidster in haar voorbereidingstijd daadwerkelijk (qua tijd en middelen) kennis kon nemen van de inhoud van de dagrapportages van de bewoners waarmee zij zou gaan werken en ook de instructie te geven dat kennisname een verplicht onderdeel van de werkvoorbereiding is. De werkgever is gehouden de schade die de begeleidster als gevolg daarvan lijdt te vergoeden. De schade moet in een schadestaatprocedure worden vastgesteld.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 23-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0435

In 2023 is een bezorger op een scooter betrokken geraakt bij een verkeersongeval toen hij onderweg was om een maaltijd te bezorgen. Hij heeft hierbij letsel opgelopen. In deze procedure vordert de bezorger een verklaring voor recht dat de werkgever aansprakelijk is voor zijn schade als gevolg van het ongeval en dat de werkgever veroordeeld wordt tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding van € 45.746,62. Primair baseert de bezorger zijn vordering op artikel 7:658 lid 2 BW. Subsidiair stelt hij dat zijn werkgever niet voldaan heeft aan artikel 7:611 BW omdat hij geen behoorlijke verzekering heeft afgesloten die schade opgelopen in de uitoefening van werkzaamheden dekt. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende is gebleken dat de werkgever heeft voldaan aan zijn zorgplicht. Er waren geen vaste instructieprotocollen. Er zouden alleen mondelinge instructies worden gegeven. Uit niets is echter gebleken dat die mondelinge instructies daadwerkelijk gegeven zijn en dat die instructies erop gericht waren om de veiligheid van de werknemers te bevorderen. De kantonrechter dient er daardoor van uit te gaan dat de bezorger zonder enige instructies de weg op is gestuurd. De kantonrechter is bovendien met de bezorger van oordeel dat de onderhoudsfacturen onvoldoende onderbouwing bieden voor de stelling dat de scooter op het moment van het ongeluk veilig was voor gebruik. De werkgever had direct na het ongeluk de status van de scooter moeten laten onderzoeken om de deugdelijkheid van de scooter te kunnen aantonen. De kantonrechter overweegt verder dat de werkgever tekort is geschoten in zijn verplichting zich als goed werkgever te gedragen door geen behoorlijke verzekering af te sluiten voor zijn werknemers. De werkgever is aansprakelijk jegens de werknemer voor de schade die hij als gevolg van het scooterongeluk lijdt of nog zal lijden en is verplicht die schade te vergoeden. De kantonrechter gaat de verschillende schadeposten langs. In totaal wordt € 21.746,62 als voorschot voor de schadevergoeding toegewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0434

Strafrecht. Poging tot doodslag op een medewerker van een ggz-instelling. Het slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Bij het vaststellen van de immateriële schadevergoeding maakt de rechtbank gebruik van de Rotterdamse schaal en hanteert zij de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen. Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat er sprake is van persisterende klachten na traumatisch hersenletsel en dat een medische eindsituatie nog niet is bereikt. De rechtbank beschouwt dit letsel als het primaire letsel en schaart het onder categorie 2.1 hersenletsel, onder d minder ernstig (bandbreedte € 10.000 tot € 29.000). Het gevorderde bedrag van € 25.000 acht de rechtbank billijk. De rechtbank is verder van oordeel dat het letsel als gevolg van aangezichts- en tandletsel valt onder categorie 9.1 gezichtsletsel, onder d breuken van jukbeenderen, onder II eenvoudige breuken van de jukbeenderen waarbij enige reconstructieve chirurgie nodig is (bandbreedte € 3.000 tot € 4.500). Weliswaar heeft een dergelijke operatie niet plaatsgevonden, maar er is wel sprake van een fractuur, fors zichtbaar aangezichtsletsel, sensibiliteitsklachten en tandbeschadigingen. Het gevorderde bedrag van € 1.500 acht de rechtbank billijk. Tot slot past de rechtbank de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 10% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel. De rechtbank overweegt hiertoe dat het handelen van de verdachte actief en doelbewust was gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan de benadeelde partij. Anders dan door de benadeelde partij is gevorderd, zal de rechtbank niet een verhoging met een percentage van 20% toepassen, omdat de verdachte, volgens een hem betreffend psychiatrisch rapport, als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank stelt de totale immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op € 29.150.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 29-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0433

Strafrecht. Niet-letsel. Conclusie A-G Paridaens. In cassatie wordt geklaagd over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. De vordering van de benadeelde partij heeft onder meer betrekking op gestolen sieraden. Het middel klaagt dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk is, nu de waardeschatting van sieraden in die vordering op ChatGPT is gebaseerd. Het klaagt verder dat de beslissing van het hof niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, omdat het hof deze waardeschatting zonder nader onderzoek of deugdelijke motivering tot uitgangspunt heeft genomen. De waarde van die sieraden is door de benadeelde partij geschat op een bedrag van € 49.874. Bij die schatting heeft de benadeelde partij met behulp van ChatGPT rekening gehouden met de verandering van de goudprijs en inflatiecorrectie. De A-G overweegt dat in beginsel geen rechtsregel zich ertegen verzet dat een benadeelde partij bij de onderbouwing van haar vordering gebruik maakt van een ‘AI-tool’, zoals ChatGPT. Wel is volgens de A-G van belang dat de berekening voldoende inzichtelijk en controleerbaar is voor de overige procespartijen en de rechter. Hoewel het hof de hoogte van de toewijzing van de vordering wat betreft de sieraden niet direct heeft gebaseerd op de berekening van de benadeelde partij, maar op een schatting van het hof, heeft het hof bij die schatting onmiskenbaar de door de benadeelde partij voorgestelde en deels op ChatGPT gebaseerde berekening gevolgd door de schade eveneens te schatten op een bedrag van € 49.874. Dit terwijl de voorbeeldberekening geen enkele bron noemt en ook anderszins door de benadeelde partij geen gegevens zijn aangedragen die de percentages en cijfers die ChatGPT heeft gehanteerd, bevestigen. Daarbij komt dat de verdediging de vordering ten aanzien van de post sieraden heeft betwist door onder meer aan te voeren dat de waardebepaling middels gebruikmaking van ChatGPT onvoldoende betrouwbaar is. De A-G is dan ook van mening dat het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Parket bij de Hoge Raad, 22-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0432

Mondeling vonnis. In 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden. De WAM-verzekeraar van de auto die het ongeval heeft veroorzaakt heeft aansprakelijkheid erkend. Het gaat in deze zaak om de vraag of de eisende partij destijds een van de inzittenden was van de auto die werd aangereden. De eisende partij stelt dat hij links achter in de auto zat en dat hij als gevolg van de aanrijding lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen. De WAM-verzekeraar betwist dat de eisende partij ten tijde van de aanrijding in de auto zat en weigert de schade te vergoeden. De eisende partij vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat hij inzittende van de auto was. Alle getuigen hebben het verhaal van de eisende partij bevestigd, behalve de veroorzaker van het ongeval, die niet als geheel onpartijdig kan worden beschouwd. Daarnaast heeft de eisende partij de volgende dag de huisartsenpost bezocht. Anders dan de WAM-verzekeraar aanvoert vormt het feit dat de eisende partij pas later naar de huisartsenpost is gegaan geen aanleiding om aan zijn verhaal te twijfelen. Daarvoor bestaat een goede verklaring: hij is na de aanrijding eerst gewoon gaan slapen en heeft pas toen hij wakker werd met pijn de huisarts opgezocht. Tot slot wordt (ten overvloede) opgemerkt dat de WAM-verzekeraar zelf erkent dat op de eerste foto in een rapport (opgesteld op verzoek van de WAM-verzekeraar) inderdaad iemand vaag links achter in de auto lijkt te zitten. De verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0430

Deelgeschil. In 2025 is een vrouw bij het verlaten van een winkel gevallen over een lege palletwagen. Zij droeg op dat moment de vier sierkussens die zij had opgehaald voor zich. Door de val heeft de vrouw haar linkerelleboog gebroken. Aan dit verzoek in deelgeschil heeft de vrouw ten grondslag gelegd dat de winkel een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd, doordat zij een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen. Volgens de winkel is er geen sprake geweest van onrechtmatig (gevaarzettend) handelen, maar behoorde de vrouw de benodigde oplettendheid in acht te nemen. Bovendien zou zij zijn gewaarschuwd voor de palletwagen. De rechtbank loopt de Kelderluik-criteria langs. De rechtbank overweegt dat het laten staan van een lege palletwagen gevaarzettend is, maar aangezien er gewaarschuwd is, er geen sprake is van een onrechtmatige gedraging. De waarschuwing heft naar het oordeel van de rechtbank de gevaarzetting op. Het is dé wezenlijke te nemen maatregel. Weliswaar heeft de vrouw verklaard dat zij niet gewaarschuwd is, maar de rechtbank heeft op dit moment geen reden om aan de schriftelijke verklaring van de medewerker te twijfelen. Zijn verklaring is duidelijk en concreet en de vrouw heeft hier niet méér tegenovergesteld dan dat het volgens haar anders is gegaan – dus zonder de waarschuwing. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien in een eventueel vervolg zou komen vast te staan dat de vrouw niet is gewaarschuwd, dan wél aan de vereisten van onrechtmatige daad is voldaan en de winkel aansprakelijk is. Voor die situatie geldt, zo overweegt de rechtbank eveneens ten overvloede, wel dat de vrouw ook zelf meer voorzichtigheid had moeten betrachten: zij kon weten dat er in de winkel palletwagens zouden staan omdat de voorraad bijgevuld werd tijdens openingstijden van de winkel en zij heeft zelf haar zicht gedeeltelijk beperkt door met de kussens voor zich in haar handen te lopen, waardoor zij minder zicht had op waar ze liep. Een percentage eigen schuld van 25% is gezien deze omstandigheden in beginsel (zonder vooruit te lopen op een mogelijke billijkheidscorrectie) redelijk.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17-09-2026

Rechtspraak

PS 2026-0429

Deelgeschil. In 2020 is een destijds 13-jarige jongen door de huisarts verwezen naar de afdeling Neurologie in een ziekenhuis wegens onder meer pijnklachten in de rug en beide benen. In dit ziekenhuis heeft de neuroloog een MRI-scan van de lumbale wervelkolom aangevraagd, waar volgens de betrokken arts geen afwijkingen op te zien waren. De jongen bleef klachten houden. In 2021 heeft in Turkije nader medisch onderzoek plaatsgevonden. Er werden toen bij hem meerder tumoren geconstateerd, in zijn hoofd en rug. Er heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van de MRI-scan. In dit verslag wordt onder meer vermeld dat er waarschijnlijk al pathologisch tumorweefsel te zien was. Op verzoek van partijen is er vervolgens een expertiseonderzoek uitgevoerd door de Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR). In deze procedure verzoekt de jongen onder meer dat de rechtbank voor recht verklaart dat de radioloog en/of neuroloog van het ziekenhuis niet heeft/hebben gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mocht worden verwacht en dat het ziekenhuis en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar jegens hem hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vertraging in de diagnose en de nog nader vast te stellen daardoor ontstane schade. Het ziekenhuis en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar voeren verweer. De rechtbank overweegt dat het heel begrijpelijk is dat de jongen zich op het standpunt stelt dat de radioloog in 2020 het tumorweefsel had moeten opmerken, zeker aangezien verschillende andere radiologen wel afwijkend weefsel zagen op die scan. Het is verschrikkelijk naar dat het tumorweefsel destijds niet is gezien terwijl, als dat wel was ontdekt, er eerder ingegrepen had kunnen worden en er misschien een beter resultaat was behaald. Toch kan de rechtbank in dit deelgeschil niet vaststellen dat de eerste radioloog – en daarmee het ziekenhuis – onzorgvuldig heeft gehandeld. Het expertisepanel komt immers op grond van de bevindingen uiteindelijk juist tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat de radioloog niet heeft gehandeld volgens geldende richtlijnen en standaarden. Daarmee zijn naar het oordeel van de rechtbank niet alleen de specifieke richtlijnen en protocollen bedoeld waarin kort gezegd is beschreven hoe radiologen horen te handelen in bepaalde situaties, maar daarbij gaat het (ook) om de standaard van de redelijk handelend en redelijk bekwaam radioloog. Dat de meerderheid van de radiologen die de scan later hebben bekeken het weefsel opmerkte, is niet genoeg om te concluderen dat een redelijk handelend radioloog het weefsel (dus) had moeten zien.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11-09-2026