Naar boven ↑
7.504 resultaten

Rechtspraak

PS 2024-0311

Schadestaatprocedure. Man is door een andere man met de vuist in het gezicht geslagen, waardoor hij achterover is gevallen en met zijn achterhoofd op straat is terechtgekomen. In 2012 is de man strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, te weten schedelhersenletsel en een nektrauma. In 2013 is in een civielrechtelijke procedure geoordeeld dat sprake is geweest van een onrechtmatige handeling, waarbij de schadeveroorzakende partij is veroordeeld tot vergoeding van de immateriële en materiële schade. In de daaropvolgende jaren zijn op verzoek van de benadeelde verschillende deskundigenonderzoeken verricht. Tot op heden is het partijen niet gelukt om de schade af te wikkelen in onderling overleg. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is welke klachten van de man door de mishandeling zijn veroorzaakt, tot welke beperkingen de klachten leiden en welke schade hij als gevolg daarvan lijdt. De rechtbank verwerpt diverse verweren van de schadeveroorzakende partij (overschrijding van de redelijke termijn ex art. 6 EVRM, strijd met de goede procesorde en niet voldaan aan stelplicht). De bezwaren tegen de deskundigenrapporten zijn niet steekhoudend. Op grond van de conclusies van de deskundigen stelt de rechtbank vast dat de cognitieve stoornissen, nekklachten en schouderklachten het gevolg zijn van de mishandeling. Het beroep op eigen schuld verwerpt de rechtbank. De rechtbank beoordeelt verschillende schadeposten, waaronder verlies aan verdienvermogen, verlies van zelfwerkzaamheid en medische kosten, die gedeeltelijk worden toegewezen. De beroepen op verjaring en op voordeelstoerekening ten aanzien van de schadeposten door de schadeveroorzakende partij slagen ook niet.
Rechtbank Limburg, 29-05-2024