Deelgeschil. In 1997 heeft een bloedonderzoek (vanwege aanwezige hemofilie) bij een man geleid tot een positieve hepatitis C-uitslag. Deze uitslag is vervolgens niet gedeeld met de man of zijn huisarts, ook niet toen hij in 2002 op consult is geweest bij de polikliniek hematologie. In 2006 is deze diagnose opnieuw in het dossier opgemerkt. De betrokken hematoloog heeft de man daarom per telefoon proberen te bereiken en hem per brief laten oproepen voor een consult op de polikliniek. Voor zover de man deze brief heeft ontvangen, heeft hij aan deze oproep geen gehoor gegeven. In 2023 is bij hem de diagnose leverkanker gesteld. Thans is de man uitbehandeld. Bij het indienen van zijn verzoekschrift had hij nog een levensverwachting van naar schatting zes tot twaalf maanden. Een door beide partijen benoemde deskundige acht de kans erg groot dat als de man in de tijdsperiode gelegen tussen 1997 en 2016 zou zijn behandeld voor de hepatitis C-infectie, hij daarvan genezen zou zijn. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid erkend en heeft in totaal een bedrag van € 160.000 aan voorschotten betaald, alsmede een bedrag van € 26.524,74 aan buitengerechtelijke kosten. De man vordert nu nog aanvullend € 125.000. Dit bedrag moet volgens de man worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 1997, omdat dit het moment was dat de normschending plaatsvond. De rechtbank overweegt dat het verwijt ernstig is. In de zaak zijn meerdere momenten aan te wijzen dat het ziekenhuis nalatig is geweest de man in kennis te stellen van de uitslag. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld rekening te houden met het feit dat de man in de periode tot 2015 zou zijn behandeld met medicatie met bijwerkingen. Dat compenseert immers niet het leed dat hij moet doorstaan als gevolg van het feit dat hij in 2023 leverkanker heeft ontwikkeld, met de gevolgen van dien die de smartengeldvergoeding billijken. Bovendien is hem daarmee ook de kans ontnomen om met behulp van deze mediatie te genezen. De rechtbank slaat acht op vergelijkbare zaken en de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht toepassing van de zwaarste categorie, namelijk ‘dodelijke verwondingen’ het meest passend, nu de normschending door het ziekenhuis met het ontstaan van het carcinoom uiteindelijk tot dodelijk letsel heeft geleid. Ten aanzien van het prijspeil en de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van 1 januari 2023 als ‘peildatum’. Het ziekenhuis heeft immers onweersproken gesteld dat op dat moment het carcinoom is ontstaan, wat heeft geleid tot de fysieke en psychische klachten die de smartengeldvergoeding billijken. Weliswaar ligt de schadeveroorzakende gebeurtenis veel verder in het verleden, maar dat maakt nog niet dat de vordering waar het in deze procedure – met name – om gaat op dat moment al opeisbaar was, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de schadevergoeding ten aanzien van de ongeneselijke ziekte het zwaartepunt van de vordering vormt, afgezet tegen de schadecomponent voor het niet communiceren van de hepatitis C-uitslag als zodanig. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een schadevergoeding van deze omvang als toekomstige schade zou zijn toegekend als vóór het ontstaan van het carcinoom de fout van het ziekenhuis al zou zijn ontdekt (en behandeling op dat moment nog mogelijk was geweest). Alles overwegend stelt de rechtbank de totale verplichting tot smartengeldvergoeding vast op een bedrag van € 180.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 en wijst deze toe onder aftrek van het schadebedrag dat het ziekenhuis al heeft vergoed.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 14-07-2026