Strafrecht. Poging tot doodslag op een medewerker van een ggz-instelling. Het slachtoffer heeft zich gevoegd als benadeelde partij. Bij het vaststellen van de immateriële schadevergoeding maakt de rechtbank gebruik van de Rotterdamse schaal en hanteert zij de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen. Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat er sprake is van persisterende klachten na traumatisch hersenletsel en dat een medische eindsituatie nog niet is bereikt. De rechtbank beschouwt dit letsel als het primaire letsel en schaart het onder categorie 2.1 hersenletsel, onder d minder ernstig (bandbreedte € 10.000 tot € 29.000). Het gevorderde bedrag van € 25.000 acht de rechtbank billijk. De rechtbank is verder van oordeel dat het letsel als gevolg van aangezichts- en tandletsel valt onder categorie 9.1 gezichtsletsel, onder d breuken van jukbeenderen, onder II eenvoudige breuken van de jukbeenderen waarbij enige reconstructieve chirurgie nodig is (bandbreedte € 3.000 tot € 4.500). Weliswaar heeft een dergelijke operatie niet plaatsgevonden, maar er is wel sprake van een fractuur, fors zichtbaar aangezichtsletsel, sensibiliteitsklachten en tandbeschadigingen. Het gevorderde bedrag van € 1.500 acht de rechtbank billijk. Tot slot past de rechtbank de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 10% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel. De rechtbank overweegt hiertoe dat het handelen van de verdachte actief en doelbewust was gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan de benadeelde partij. Anders dan door de benadeelde partij is gevorderd, zal de rechtbank niet een verhoging met een percentage van 20% toepassen, omdat de verdachte, volgens een hem betreffend psychiatrisch rapport, als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank stelt de totale immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op € 29.150.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 29-09-2026