Naar boven ↑
8.803 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0368

Kort geding. In 2021 is een werknemer slachtoffer geworden van een bedrijfsongeval tijdens het opbouwen van een steiger. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever heeft aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het ongeval. Sindsdien wordt tussen partijen onderhandeld over de uit het ongeval voortvloeiende schade. In september 2025 heeft de man een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt. Partijen zijn bij de mondelinge behandeling in december 2025 mediation overeengekomen. De eerste mediationbijeenkomst is kort van tevoren door de verzekeraar geannuleerd. Achteraf is gebleken dat de verzekeraar in de periode van januari tot mei 2026 een onderzoek naar de letselclaim heeft laten verrichten door een extern onderzoeksbureau. De man eist afschrift van de reeds opgemaakte rapporten, verklaringen, interne notities en/of andere vastgelegde feiten met betrekking tot het onderzoek. De verzekeraar heeft bepaalde stukken verstrekt, maar geen afschriften van interne communicatie van de verzekeraar, zoals e-mails, brieven en telefoonnotities. In het kort geding vordert de man nu dat de verzekeraar wordt veroordeeld om verschillende afschriften te verstrekken. De voorzieningenrechter gaat de verschillende vorderingen langs. De vordering omtrent een video waarin de man lopend te zien zou zijn wordt afgewezen, vanwege het professionele verschoningsrecht. Als bepaalde gegevens zich niet bij een functioneel verschoningsgerechtigde, zoals een arts, advocaat of notaris bevinden, maar bij diens patiënt of cliënt, zijn laatstgenoemden niet zonder meer gehouden inzage van de verlangde gegevens te verstrekken. Het professionele verschoningsrecht zou anders eenvoudig kunnen worden omzeild. Indien de verzekeraar inzage moet verstrekken in vertrouwelijke correspondentie met zijn advocaat doet dit afbreuk aan de rechten van de verzekeraar om zich vrijelijk tot zijn advocaat te kunnen wenden en met zijn advocaat te kunnen corresponderen en informatie te kunnen uitwisselen zonder dat een wederpartij of een derde daarin inzage krijgt. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de verzekeraar over bepaalde documenten/gegevens beschikt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding enige voorziening te treffen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0367

In 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto’s. Een van de auto’s is hierbij total loss geraakt. De bestuurster heeft vergoeding van haar schade, bestaande uit schade aan het voertuig en de expertisekosten, gevorderd. De wederpartij heeft geweigerd die schade te vergoeden, waarna zij hem heeft gedagvaard voor de kantonrechter. Die heeft de vorderingen van de vrouw afgewezen. Het hof laat het vonnis van de kantonrechter in stand. Het hof overweegt dat de vrouw eraan voorbijgaat dat het enkele feit dat een achteropaanrijding plaatsvindt, niet steeds het gevolg hoeft te zijn van een overtreding van de in artikel 19 RVV 1990 neergelegde regel. Indien immers een voor een auto rijdend voertuig een volkomen onverwachte manoeuvre uitvoert of een niet te verwachten beweging maakt (zoals plotseling sterk remmen) kan dat worden beschouwd als de oorzaak van de aanrijding. Anders dan de vrouw heeft aangevoerd rust op de wederpartij dus niet zonder meer de bewijslast van zijn stelling dat hij wél voldoende afstand heeft gehouden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt de bewijslast bij degene die zich op de rechtsgevolgen van bepaalde feiten beroept. Dat is niet anders bij aanrijdingen zoals hier aan de orde. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of van deze hoofdregel kan of moet worden afgeweken. Dit is hier niet het geval. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat de wederpartij onder invloed van alcohol verkeerde ten tijde van het ongeval. Zij beroept zich hierbij op het proces-verbaal van de politie. Deze passage is onvoldoende duidelijk om vast te stellen dat sprake is van overtreding van artikel 8 WVW, zoals zij betoogt. Het enkele feit dat vermeld wordt dat sprake is van ‘onder invloed van alcohol’ is niet voldoende om daaruit zo’n conclusie te trekken, omdat geen vervolgonderzoek is uitgevoerd en de uitslag (P, A of F) niet is vermeld. De vrouw vermeldt verder ook niets over concrete omstandigheden die daar verder zicht op zouden geven. De vrouw heeft nog een bewijsaanbod gedaan, maar dat is zo algemeen dat het hof daaraan voorbijgaat. Van haar had in hoger beroep mogen worden verwacht dat zij dit behoorlijk zou specificeren. Dat heeft zij nagelaten.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 04-08-2026

Rechtspraak

PS 2026-0366

In 2020 is een vrouw ten val gekomen tijdens een fietstocht toen zij tegen het achterwiel van een andere fietster in het clubje aanfietste. Zij heeft hierbij onder meer een gebroken bekken en heupletsel opgelopen. De gevolgen van het ongeval hebben een diepe impact op het (gezins)leven van de vrouw. De vrouw heeft de andere fietster aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van het ongeval. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw afgewezen. Het hof bekrachtigt de deelgeschilbeschikking. Tussen partijen staat vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het wielrennen waarbij de deelnemers op racefietsen zaten, fietskleding en helmen droegen, en met een snelheid van 25-27 km/uur achter elkaar reden met een geringe onderlinge afstand waarbij zij wisselend op kop reden. Naar het oordeel van het hof brengt deze algehele wijze van fietsen, geschiedend met de genoemde gemiddelde snelheid van 25-27 km/uur, mee dat dit fietsen niet is te zien als louter recreatief van aard, maar als een activiteit met een sportief karakter. Daarbij kan in het midden blijven of het rijden met een gemiddelde snelheid van ‘25 tot 27 km/uur’ heeft te gelden als rijden met een aanzienlijke snelheid. Dat het competitieve element ontbrak, zoals de vrouw heeft gesteld, doet er naar het oordeel van het hof niet aan af dat er sprake was van een sport- en spelsituatie. Het hof acht voor dit oordeel voorts van belang dat de deelnemers aan de fietstocht onderling afspraken hebben gemaakt over hoe zij zich op de weg zouden gedragen. De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat bij toepassing van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel de fietster niet onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld. De vrouw stelt dat de andere fietster in de gegeven omstandigheden onnodig gevaarlijk en onzorgvuldig heeft gehandeld nu zij zonder voldoende kenbare waarschuwing plotseling linksaf is geslagen. Het hof verwerpt ook deze grief. De andere fietster heeft overeenkomstig de tussen de deelnemers gemaakte afspraken gehandeld. De derde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende vast staat dat de fietster, die niet in de gaten had dat de overige fietsers achter haar aan de linkerkant van de weg waren gaan fietsen, in de veronderstelling verkeerde dat de fietsers nog in een lint achter haar fietsten en zij veilig linksaf kon slaan. Deze derde en laatste grief wordt ook verworpen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in deze zaak sprake is geweest van een toevallige samenloop van omstandigheden zonder toerekenbare fout, met helaas ernstig letsel tot gevolg.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 02-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0365

Deelgeschil. In 2011 is een man op een snorscooter aangereden door een naar rechts afslaande auto, waardoor hij ten val is gekomen. In 2012 is hij weer ten val gekomen met zijn snorscooter toen een scooterrijder zijn evenwicht verloor en de snorscooter van de man raakte. Hij is toen op zijn hoofd terechtgekomen. In 2013 is hij, rijdend op een fiets, aangereden door een andere fietser, die hem geen voorrang verleende. In 2015 is hij weer het slachtoffer geworden van een verkeersongeval op zijn snorscooter toen hem geen voorrang werd verleend. De verzekeraars van de tegenpartijen in 2012, 2013 en 2015 hebben aansprakelijkheid voor de ongevallen erkend. Er zijn verschillende medische adviezen door de jaren heen uitgebracht. De man heeft over de jaren heen ook verschillende belangenbehartigers gehad. Ter zake van het hem in 2015 overkomen ongeval heeft het gerechtshof Amsterdam vastgesteld dat hij het oogmerk had om de verzekeraar te misleiden teneinde een hoger bedrag uitgekeerd te krijgen dan waarop hij aanspraak kon maken. De man vordert nu onder meer in dit deelgeschil dat de regelend verzekeraar voor de drie ongevallen gebonden is aan bepaalde gemaakte rapportages en dat deze rapportage c.q. deze rapportages het uitgangspunt moet of moeten vormen bij het verder tussen partijen te doorlopen schaderegelingstraject. De verzekeraar voert verweer. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde rapportages kan worden opgemaakt dat de man niet consistent is in hetgeen hij heeft verklaard over de hem overkomen ongevallen bij de verschillende deskundigen. De rechtbank overweegt dat de verzekeraar gemotiveerd heeft bestreden dat een dergelijk plausibel klachtenpatroon op basis van de door de man verstrekte (medische) informatie en de ingebrachte expertiserapporten kan worden vastgesteld. De verzekeraar heeft in dit verband naar voren gebracht dat de man de verzekeraar vanaf het begin onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt en dat uit de overgelegde verschillende expertiserapporten blijkt dat de deskundigen voor hun oordeel niet allen over dezelfde (medische) informatie beschikten. Gelet hierop is door de verzekeraar meermaals aangegeven dat het van belang is dat de man helderheid verschaft over alle ongevallen, waarbij in de vraagstelling – in het kader van de expertise – naar de verschillende ongevallen moet worden uitgesplitst. De rechtbank benoemt ook het arrest van het hof. Op basis van dit arrest kan worden aangenomen dat de man ter zake van een van de ongevallen, waarvoor de verzekeraar als regelend verzekeraar optreedt, opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt en dat er meer ongevallen zijn geweest dan door hem zijn gesteld. In het kader van de beoordeling kan daarom niet van het causaal verband worden uitgegaan en heeft de verzekeraar daarmee terecht en op goede gronden aangegeven dat alle ongevallen die de man in de periode van 16 juni 2012 tot en met 1 mei 2015 heeft gehad, dienen te worden onderzocht door de verschillende deskundigen en voor een goede beoordeling de vraagstelling aan de deskundigen per ongeval dient te worden uitgesplist. Het verzoek van de man wordt afgewezen.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 10-10-2017

Rechtspraak

PS 2026-0364

Deelgeschil. Een man is in 2019 gewond geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval toen hij op een driewielmotor zat en de bestuurder met het voorwiel van dit voertuig een stoeprand raakte. Hij heeft ernstig letsel opgelopen als gevolg van het ongeval: bloedingen in het brein, uitgebreide breuken van de schedelbasis, het aangezicht, de scapula links, wervels en van zenuwuitval. De verzekeraar van het voertuig heeft aansprakelijkheid erkend. Partijen hebben een geschil over de afwikkeling van de schade. De man verzoekt de rechtbank in dit deelgeschil primair om te bepalen dat zijn restverdiencapaciteit nihil is. Als dat niet toewijsbaar is, wil hij subsidiair veroordeling van de verzekeraar om mee te werken aan een nieuw neuropsychologisch onderzoek (NPO). Als dat ook niet toewijsbaar is, wil hij meer subsidiair dat de rechtbank bepaalt dat een revalidatiearts moet worden ingeschakeld. De verzekeraar voert verweer. De rechtbank overweegt dat op basis van het uitgevoerde NPO niet kan worden geoordeeld dat er geen cognitieve klachten en beperkingen zijn, maar ook niet dat die er wel zijn. Nu geen oordeel kan worden geveld over de cognitieve klachten en beperkingen, en de fysieke klachten en beperkingen van de man niet zodanig zijn dat elke restverdiencapaciteit alleen daarom al ontbreekt, moet het primaire verzoek worden afgewezen. Ook het feit dat de arbeidsdeskundigen rapporteren over de mogelijkheid voor de man om arbeid te verrichten op een beschutte werkplek, maakt dat afwijzing aan de orde moet zijn. Ook arbeid op een beschutte werkplek is tenslotte – anders dan de man aanvoert – arbeid tegen loonwaarde. De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek wel toe. De verzekeraar moet medewerking verlenen aan een nieuw NPO. Meerdere deskundigen wijzen op de noodzaak om te beschikken over een NPO waaruit conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de (eventuele) cognitieve klachten en beperkingen van de man als gevolg van het ongeval. Een nieuw NPO kan de discussie tussen partijen op dit punt oplossen, en kan de man verder helpen richting het verkrijgen van (beschutte) arbeid. De rechtbank merkt op dat de persoon die het vorige NPO heeft uitgevoerd niet de aangewezen persoon lijkt om het nieuwe NPO uit te voeren. Zonder af te doen aan de professionaliteit en deskundigheid van deze deskundige, geldt dat zij zich in deze zaak al negatief heeft uitgelaten over de zin van een nieuw NPO.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 15-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0363

Een Amerikaanse toeriste stelt dat zij in Sint Maarten letsel heeft opgelopen doordat zij ’s nachts op een slecht verlichte weg met haar voet is terechtgekomen in een pothole. Zij vordert schadevergoeding van het Land. Het Gerecht heeft de vordering afgewezen op de grond dat niet kan worden aangenomen dat de bedoelde weg een openbare weg is en evenmin dat die weg een opstal is waarvan het Land bezitter is. De vrouw is in hoger beroep gegaan. Het Hof is wel van mening dat het Land aansprakelijk is. Blijkens de erfpachtakte en de ministeriële beschikking waarnaar de akte verwijst, heeft het Land aan de weg de bestemming van openbare weg gegeven. Het is dus een openbare weg in de zin van de tweede volzin van artikel 6:174 lid 2 BW. Het Hof overweegt dat op zichzelf aan wegen in Sint Maarten niet zonder meer dezelfde eisen gesteld kunnen worden als aan vergelijkbare wegen in Nederland of (delen van) de Verenigde Staten van Amerika. Rekening moet worden gehouden met budgettaire beperkingen van het Land, die dwingen tot keuzen bij het onderhoud van het wegennet. Verder moet rekening worden gehouden met regelmatig optredende storm- en orkaanschade, onder meer veroorzaakt door de orkaan Irma. Niettemin is het Hof van oordeel dat de Nile Road ten tijde van het ongeval niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en daardoor gevaar voor personen en zaken opleverde. Het hof overweegt onder meer dat een pothole erg gevaarlijk is, de weg in een populaire toeristische omgeving ligt en mede wordt gebruikt door feestgangers die alcoholische dranken hebben gedronken of om andere reden niet altijd voorzichtig zijn. Bovendien was het alweer drie en een half jaar geleden dat de orkaan Irma Sint Maarten trof en kan een pothole met eenvoudige middelen en weinig werk onschadelijk worden gemaakt. In het midden kan blijven of de weg ten tijde van het ongeval slecht verlicht was. Ook indien de verlichting goed was, voldeed de weg vanwege de pothole niet aan de daaraan te stellen eisen. Ook kan in het midden blijven of de vrouw alcoholhoudende dranken had gedronken, en zo ja, hoeveel. Mogelijk alcoholgebruik door de vrouw leidt ook niet tot vermindering van de schadevergoedingsplicht als bedoeld in artikel 6:101 BW. Verder is niet van belang of de weg (primair) bestemd is voor voetgangers. Het Land heeft niet betwist dat voetgangers zonder moeite langs de slagboom op de weg kunnen komen. Er bestaat een causaal verband. Bij de in artikel 6:98 BW bedoelde toerekening van de schade aan het Land is van belang dat de aansprakelijkheid is gebaseerd op een veiligheidsnorm en dat sprake is van letselschade. Mede gelet daarop passeert het Hof alle bezwaren van het Land tegen de schadebegroting. De vrouw krijgt USD 44.116,37 aan schadevergoeding toegekend.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0360

Deelgeschil. In 2022 is een automobilist aangereden toen hij met zijn auto stilstond voor een rood verkeerslicht. De WAM-verzekeraar van de andere auto heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. De automobilist stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvende fysieke en mentale klachten heeft ontwikkeld, onder meer bestaande uit hoofdpijn, nekpijn, rugpijn en herbelevingen. Partijen zijn in het kader van de schadeafwikkeling in onderhandeling geweest over de noodzaak van het laten verrichten van een neurologische en neuropsychologische expertise. De WAM-verzekeraar stelt zich op het standpunt dat bij een neurologische expertise de IWMD-vraagstelling uit 2025 moet worden gehanteerd. De automobilist wil dat de oude IWMD-vraagstelling wordt gehanteerd. De rechtbank overweegt dat de nieuwe vraagstelling tot stand is gekomen onder leiding van De Letselschade Raad, een onafhankelijke organisatie, waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn die bij de behandeling van letselschadezaken betrokken zijn. De Letselschade Raad is daarbij niet over één nacht ijs gegaan. Integendeel, de nieuwe vraagstelling is tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie van de vraagstelling is geëvalueerd en vervolgens is gereviseerd. Die evaluatie heeft branchebreed plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat de nieuwe vraagstelling aansluit bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024. Naar verwachting van De Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling daarmee beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. Gelet op dit alles geldt als uitgangspunt dat vanaf 1 november 2025 de nieuwe IWMD-vraagstelling wordt toegepast. Er bestaat geen aanleiding om daar in dit specifieke geval van af te wijken.
Rechtbank Gelderland (Locatie Zutphen), 01-07-2026

Rechtspraak

PS 2026-0359

Deelgeschil. In 1997 heeft een bloedonderzoek (vanwege aanwezige hemofilie) bij een man geleid tot een positieve hepatitis C-uitslag. Deze uitslag is vervolgens niet gedeeld met de man of zijn huisarts, ook niet toen hij in 2002 op consult is geweest bij de polikliniek hematologie. In 2006 is deze diagnose opnieuw in het dossier opgemerkt. De betrokken hematoloog heeft de man daarom per telefoon proberen te bereiken en hem per brief laten oproepen voor een consult op de polikliniek. Voor zover de man deze brief heeft ontvangen, heeft hij aan deze oproep geen gehoor gegeven. In 2023 is bij hem de diagnose leverkanker gesteld. Thans is de man uitbehandeld. Bij het indienen van zijn verzoekschrift had hij nog een levensverwachting van naar schatting zes tot twaalf maanden. Een door beide partijen benoemde deskundige acht de kans erg groot dat als de man in de tijdsperiode gelegen tussen 1997 en 2016 zou zijn behandeld voor de hepatitis C-infectie, hij daarvan genezen zou zijn. Het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid erkend en heeft in totaal een bedrag van € 160.000 aan voorschotten betaald, alsmede een bedrag van € 26.524,74 aan buitengerechtelijke kosten. De man vordert nu nog aanvullend € 125.000. Dit bedrag moet volgens de man worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 1997, omdat dit het moment was dat de normschending plaatsvond. De rechtbank overweegt dat het verwijt ernstig is. In de zaak zijn meerdere momenten aan te wijzen dat het ziekenhuis nalatig is geweest de man in kennis te stellen van de uitslag. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld rekening te houden met het feit dat de man in de periode tot 2015 zou zijn behandeld met medicatie met bijwerkingen. Dat compenseert immers niet het leed dat hij moet doorstaan als gevolg van het feit dat hij in 2023 leverkanker heeft ontwikkeld, met de gevolgen van dien die de smartengeldvergoeding billijken. Bovendien is hem daarmee ook de kans ontnomen om met behulp van deze mediatie te genezen. De rechtbank slaat acht op vergelijkbare zaken en de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht toepassing van de zwaarste categorie, namelijk ‘dodelijke verwondingen’ het meest passend, nu de normschending door het ziekenhuis met het ontstaan van het carcinoom uiteindelijk tot dodelijk letsel heeft geleid. Ten aanzien van het prijspeil en de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van 1 januari 2023 als ‘peildatum’. Het ziekenhuis heeft immers onweersproken gesteld dat op dat moment het carcinoom is ontstaan, wat heeft geleid tot de fysieke en psychische klachten die de smartengeldvergoeding billijken. Weliswaar ligt de schadeveroorzakende gebeurtenis veel verder in het verleden, maar dat maakt nog niet dat de vordering waar het in deze procedure – met name – om gaat op dat moment al opeisbaar was, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de schadevergoeding ten aanzien van de ongeneselijke ziekte het zwaartepunt van de vordering vormt, afgezet tegen de schadecomponent voor het niet communiceren van de hepatitis C-uitslag als zodanig. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een schadevergoeding van deze omvang als toekomstige schade zou zijn toegekend als vóór het ontstaan van het carcinoom de fout van het ziekenhuis al zou zijn ontdekt (en behandeling op dat moment nog mogelijk was geweest). Alles overwegend stelt de rechtbank de totale verplichting tot smartengeldvergoeding vast op een bedrag van € 180.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2023 en wijst deze toe onder aftrek van het schadebedrag dat het ziekenhuis al heeft vergoed.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 14-07-2026