Een vrouw wordt tijdens het uitlaten van haar hond op een grasveldje waar meerdere honden met elkaar spelen omver gelopen door een hond. In het ziekenhuis is geconstateerd dat zij een complexe breuk aan haar linkerscheenbeen heeft opgelopen. Zij is hiervoor geopereerd en is gestart met revalidatie onder begeleiding van een fysiotherapeut. Anderhalf jaar na het ongeval is de vrouw (nog) niet volledig hersteld en kampt zij nog met diverse beperkingen. De rechtsbijstandsverzekeraar van de vrouw heeft de eigenaren van de hond aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:179 BW voor de schade die zij als gevolg van het ongeval lijdt en zal lijden. De eigenaren hebben kenbaar gemaakt niet verantwoordelijk te zijn voor het ongeval. Volgens hen is het de eigen hond van de vrouw die haar omver heeft gelopen waardoor zij viel. Subsidiair beroepen zij zich op eigen schuld van de vrouw. Door haar hond onaangelijnd te laten spelen met andere loslopende honden en tussen die spelende honden te gaan staan, heeft zij zelf bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. De rechtbank oordeelt dat de vrouw geslaagd is in het bewijs dat het de hond van de eigenaren is geweest die haar omverliep. Hierbij hecht de rechtbank veel waarde aan de verklaring van de enige getuige die het incident zelf heeft zien gebeuren en die geen partij is bij deze procedure. Dat zij de vrouw wel kent als (onder)buurvrouw en van het gezamenlijk uitlaten van de honden doet, anders dan de eigenaren van de hond stellen, niet automatisch af aan de waarde die aan haar verklaring kan worden toegekend. Voor de waardering van het bewijs hecht de rechtbank weinig waarde aan wat zich direct na het ongeval heeft afgespeeld of hoe partijen zich nog later via tussen hen gevoerde (WhatsApp)correspondentie hebben geuit, nu daaruit geen uitdrukkelijke erkenning van aansprakelijkheid kan worden afgeleid. Het zich verontschuldigen of het zeggen/schrijven van ‘sorry’ is hiertoe onvoldoende. In aanmerking moet worden genomen dat iedereen die het incident heeft zien gebeuren hevig was geschrokken en de situatie enorm vervelend vond voor de vrouw. Dit leidt ertoe dat de eigenaren op grond van artikel 6:179 en 6:180 BW jegens de vrouw hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ten gevolge van het incident door de vrouw geleden en nog te lijden schade. Zij zijn echter niet volledig schadeplichtig. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van dergelijke aan de vrouw toe te rekenen en voor risico van de vrouw komende omstandigheden. Vast staat immers dat zowel de vrouw als de eigenaren hun honden uitlieten op een groenstrook/grasveld waarbij zij beiden de aldaar geldende aanlijnplicht niet in acht namen. Beiden, dus ook de vrouw, hebben hun hond van de lijn afgehaald en hebben het goed gevonden dat hun honden ongestoord en ongehinderd met elkaar gingen spelen. Een verdeling van de schade over de vrouw en de eigenaren in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de eigenaren 60% van de ten gevolge van het incident geleden schade dient te vergoeden en dat dus 40% van de schade voor eigen rekening van de vrouw dient te blijven. De rechtbank acht het met partijen wenselijk dat de te vergoeden schade in deze procedure zal worden vastgesteld en dat de zaak niet naar een schadestaatprocedure wordt verwezen, zoals subsidiair wordt gevorderd, met als bijgevolg dat partijen nog vele male langer, mogelijk zelfs jarenlang, met elkaar in een procedure verwikkeld zullen zijn. De vrouw krijgt wel nog de gelegenheid om in een nader te nemen akte haar gevorderde schade nader te kunnen toelichten en daarbij alsnog in te gaan op de door de eigenaren gevoerde verweren.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26-11-2025