Naar boven ↑
8.701 resultaten

Rechtspraak

PS 2026-0126

Strafrecht. Op 23 juni 2023 omstreeks 20:40 uur werd het slachtoffer, die in zijn personenauto zat, door twee schoten uit een vuurwapen om het leven gebracht. Het slachtoffer is daarmee op een gewelddadige manier van zijn leven beroofd. De vader, de zus, de echtgenote en de dochter van het slachtoffer vorderen immateriële schadevergoeding. De rechtbank wijst de vordering van de vader ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 17.500 aan affectieschade toe. De rechtbank oordeelt dat de zus in haar vordering tot shockschade niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Zij is in de moskee geconfronteerd met het levenloze en verwonde lichaam van haar broer. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit een diepe indruk op haar heeft gemaakt, is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen komen tot toekenning van de gevorderde schokschade. De rechtbank kent aan de echtgenote van het slachtoffer een bedrag van € 114.285 aan gederfd levensonderhoud toe. Daarnaast wijst de rechtbank de vordering van de echtgenote tot vergoeding van de geleden shockschade ook toe tot een bedrag van € 30.000. Zij heeft op de dag van het delict ter plaatse het levenloze lichaam van haar echtgenoot zien liggen. Daarnaast wordt de gevorderde affectieschade van € 20.000 ook toegewezen. De rechtbank acht voor de dochter een bedrag van € 7.470 aan gederfd levensonderhoud toewijsbaar. Echter verklaart de rechtbank de dochter niet-ontvankelijk in de gevorderde immateriële schade op grond van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ (anders dan schokschade). Volgens de rechtbank is het mogelijk dat een schadevergoedingsaanspraak bestaat door inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (vgl. Hof Den Haag 17 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2700). Zonder afbreuk te doen aan hoe het voor de benadeelde moet zijn om zonder haar vader op te groeien, kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van de omstandigheden in dit geval de conclusie niet worden getrokken dat daarvan sprake is. De dochter wordt niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de gevorderde affectieschade wel toe tot een bedrag van € 20.000.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 27-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0125

Strafrecht. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting, poging tot moord en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn ex-partner en de moeder van zijn kinderen. Verdachte heeft het slachtoffer op een berekenende en slinkse wijze naar een afgelegen locatie gelokt om haar vervolgens, terwijl zij niet op haar hoede was, gewelddadig te overmeesteren. Verdachte heeft het slachtoffer geslagen, gestompt en plukken haar uit haar hoofd getrokken. Verdachte heeft haar in haar hals getaserd met een stroomstootwapen en haar handen en voeten vastgebonden met een spanband. Deze gewelddadige vrijheidsberoving hield urenlang aan en ondertussen werd het slachtoffer herhaaldelijk geslagen, gestompt, vernederd, uitgescholden en bedreigd met de dood. Verdachte heeft haar met een schaar van haar kleding ontdaan, haar gewurgd, waarbij het haar zwart voor de ogen werd en zij vreesde voor haar leven en vervolgens verkracht. Met alleen een trui en voor het overige naakt werd het slachtoffer door verdachte achtergelaten. Het slachtoffer is naar huis gereden en werd in die toestand aangetroffen door twee van haar dochters. Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 30.000 gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank staat in dit geval vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 30.000 billijk is, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen.
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 26-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0124

Strafrecht. De verdachte heeft op 3 juni 2025 een verkeersongeval veroorzaakt waarbij het slachtoffer is komen te overlijden. Deze aanrijding is veroorzaakt door het zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag van de verdachte. De verdachte reed in de nachtelijke uren vermoeid door de bebouwde kom, is daarbij in slaap gevallen en heeft het slachtoffer aangereden die op dat moment als voetganger aan het verkeer deelnam. Het slachtoffer is kort na de aanrijding in het ziekenhuis komen te overlijden. Na de aanrijding is de verdachte weggereden en hij heeft daarmee het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten. De vrouw heeft zich namens haar en haar dochter als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Zij vordert naast materiële schade immateriële schade ter hoogte van € 25.000 bestaande uit € 2.500 voor affectieschade en € 22.500 voor shockschade. Namens haar dochter vordert zij dezelfde bedragen. De rechtbank acht de gevorderde affectieschade toewijsbaar. De rechtbank acht ook voor de vrouw en de dochter de shockschade toewijsbaar. Namens de benadeelde partijen is naar voren gebracht dat de politie vroeg in de ochtend van 3 juni 2025 aan hun deur stond met het bericht dat hun vader/echtgenoot in het ziekenhuis lag, en dat zij vervolgens direct zijn overgebracht naar het ziekenhuis. Daar troffen zij het slachtoffer ernstig gewond aan. Het hoofd van hun man en vader zwol vervolgens op, waardoor het slachtoffer voor hen onherkenbaar werd. Kort daarna is het slachtoffer in hun bijzijn overleden. De rechtbank zal voor de vrouw voor shockschade toewijzen een bedrag van € 12.500, en zal haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank zal voor de dochter voor shockschade toewijzen een bedrag van € 15.000, en zal haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0123

Deze zaak is een vervolg op het tussenvonnis van 24 september 2025. Tijdens het Preuvenemint in 2013 heeft de man een glas in het gezicht van het slachtoffer gegooid, als gevolg waarvan hij ernstig letsel aan zijn rechteroog heeft opgelopen. In de strafzaak tegen gedaagde heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in 2018 aan het slachtoffer als benadeelde partij een schadevergoeding toegekend. In aanvulling op die vergoeding vordert het slachtoffer in deze civiele procedure dat de man wordt veroordeeld tot betaling van diverse schadeposten. In het tussenvonnis van 24 september 2025 heeft de rechtbank diverse vorderingen al beoordeeld. In dit eindvonnis beoordeelt de rechtbank nog een schadepost (verlies zelfwerkzaamheid). Allereerst constateert de rechtbank dat het slachtoffer terecht stelt dat het normbedrag wegens verlies aan zelfwerkzaamheid in het geval van een eigen woning met tuin (alle onderhoud) over het jaar 2024 € 1.436 bedraagt en niet het door de rechtbank in het tussenvonnis genoemde bedrag van € 1.354. De man heeft bij antwoordakte niet betwist dat de rechtbank van het verkeerde bedrag per 1 januari 2024 was uitgegaan. De rechtbank zal de berekening aanpassen. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om terug te komen op het oordeel omtrent de mate van beperking met betrekking tot het verlies aan zelfwerkzaamheid, deze blijft 75%. Daarnaast wijst de rechtbank de fiscale component toe. Het betreft weliswaar toekomstige schade en onzeker is hoe het fiscaal regime er in de toekomst zal uitzien, maar dat is onvoldoende grond om deze schadecomponent niet toe te wijzen. Aangezien de man de berekeningen van de schade wegens verlies aan zelfwerkzaamheid inclusief fiscale component verder niet inhoudelijk heeft betwist, zal de rechtbank uitgaan van de juistheid daarvan. Het bedrag van € 30.693,37 moet worden opgeteld bij het bedrag dat de rechtbank in het tussenvonnis al had berekend, te weten € 49.788,29. De in het kader van vordering 2 toewijsbare schade bedraagt aldus in totaal € 80.481,66. De rechtbank heeft in het tussenvonnis al geoordeeld over de vorderingen 1 en 3, de rechtbank ziet geen aanleiding op hierop terug te komen.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 24-09-2025

Rechtspraak

PS 2026-0121

De man is als passagier in een personenauto op 23 april 2020 betrokken geraakt bij een verkeersongeval en hij is daarbij gewond geraakt. De WAM-verzekeraar heeft uitkering op grond van de WAM geweigerd, omdat de man zelf in gelijke mate als de bestuurder zou hebben bijgedragen aan de veroorzaking van het ongeval. De man is bij de bestuurder van de auto ingestapt en op verzoek van de bestuurder heeft de man hem tijdens het rijden ballonen met lachgas gegeven. Toen zij op de N247 reden, is de bestuurder zonder te remmen op een vrijwel stilstaande pijlwagen gebotst. Daarbij is niet alleen grote materiële schade ontstaan, maar zijn ook meerdere personen gewond geraakt, waaronder de man. De bestuurder is door de strafrechter veroordeeld wegens roekeloos rijden door onder invloed van lachgas te rijden en een ongeval te veroorzaken. De rechtbank heeft de bestuurder van de auto aansprakelijk geacht voor het ongeval, maar 50% eigen schuld aan de zijde van de man aangenomen. Tegen die uitspraak is de WAM-verzekeraar in hoger beroep gekomen. In hoger beroep maakt zij ook nog een extra verwijt aan de man: hij zou de autogordel niet hebben gedragen. De WAM-verzekeraar stelt dat het gedrag van de man samen met die van de bestuurder als onrechtmatig gedrag moet worden gezien en dat man om die reden de bescherming van de WAM moet ontberen. Volgens de WAM-verzekeraar heeft de man zich zelf niet gedragen naar de norm waaraan hij in de procedure tegenover ASR bescherming wil ontlenen. Het hof volgt de WAM-verzekeraar hierin niet. Volgens het hof was er sprake van verschillende rollen tijdens het rijden. Er is niet gebleken dat de man zich heeft bemoeid met het rijden van de bestuurder. Het vullen van de ballonnen met lachgas gebeurde op verzoek van de bestuurder. Het enkele feit dat de man daaraan heeft toegegeven, betekent nog niet dat hij eveneens, in gelijke mate als de bestuurder, de norm heeft geschonden waarop de man zich tegenover de bestuurder c.q. de WAM-verzekeraar beroept. De keuze om de ballonnen lachgas leeg te zuigen bleef bij de bestuurder rusten; niet gebleken is dat de man hem daartoe heeft aangezet. Daarnaast is het rijgedrag van de bestuurder niet op zodanige wijze aan de man toe te rekenen dat hij in dat opzicht gelijk moet worden gesteld aan de bestuurder. Wel zijn er aan de man omstandigheden tegen te werpen die leiden tot eigen schuld aan zijn zijde. De man heeft onvoldoende betwist dat hij ten tijde van het ongeval een gordel heeft gedragen, wat volgens het hof eigen schuld oplevert. De man heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de eigen schuld van 50% zodat dit percentage de bovengrens is van de vergoedingsplicht van de WAM-verzekeraar. Wel heeft de omstandigheid dat geen autogordel is gedragen bijgedragen aan de omvang van zijn schade. Het hof ziet daarin aanleiding de 50/50-verdeling ten nadele van de man bij te stellen naar een 40/60-verdeling.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 09-12-2025

Rechtspraak

PS 2026-0120

Het bedrijf heeft strobalen geleverd aan de aardbeienkwekerij van de man. Bij het uitladen viel een strobaal op de man, die daardoor ter plekke is overleden. Het bedrijf is aansprakelijk voor de overlijdensschade. Het bedrijf is verzekerd voor werk- en landbouwmaterieel bij de verzekeraar en bij een andere verzekeraar voor de aansprakelijkheid voor bedrijven. De werk- en landbouwverzekeraar heeft de schade aan de erven vergoed en het schaderegelingstraject bekostigd en wenst de uitkering te verhalen op de AVB-verzekeraar van het bedrijf waarbij zij zich baseert haar vordering op artikel 7:961 BW. Volgens de werk-en landbouwverzekeraar is de uitgekeerde schade niet gedekt onder haar WLM-polis en wel op de AVB-polis van het bedrijf. De aansprakelijkheid van het bedrijf ziet op een werkrisico; het bedrijf had erop moeten toezien dat derden zich niet in de buurt van de aanhangwagen konden begeven en aan de spanbanden zouden komen aldus de werk- en landbouwverzekeraar. De AVB-verzekeraar stelt daarentegen dat de aansprakelijkheid van het bedrijf wel degelijk is gedekt onder de WLM-polis, namelijk op grond van artikel 10.1 en 10.4 van de polisvoorwaarden. Daarmee is de schade volgens de AVB-verzekeraar gedekt onder beide verzekeringen. Omdat de AVB-verzekeraar een hardere ‘na-u-clausule’ heeft dan de werk- en landbouwverzekeraar, dient deze laatste in dit geval volledige dekking te verlenen, aldus de AVB-verzekeraar. Concluderend is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat – na uitleg van de polisvoorwaarden – geen dekking bestaat onder de WLM-polis van de werk- en landbouwmaterieelverzekeraar. Alleen de aansprakelijkheidsverzekeraar kan dus worden aangesproken door de erven van de man. Dit betekent dat de werk- en landbouwmaterieelverzekeraar de door haar uitbetaalde schadevergoeding en gemaakte redelijke kosten tot het vaststellen van de schade op grond van artikel 7:961 BW op de aansprakelijkheidsverzekeraar kan verhalen.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 17-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0119

Hof van Justitie van de Europese Unie. Prejudiciële vragen Hoge Raad over de reikwijdte van de verplichte WAM-dekking. Kan een bestuurder door het ingrijpen van een inzittende (plotseling aan de handrem trekken) zijn hoedanigheid van bestuurder verliezen en dan onder de verplichte dekking voor inzittenden gaan vallen? Artikel 12 lid 1 Richtlijn 2009/103/EG verplicht namelijk dat de WAM-verzekering het letsel van inzittenden dekt, maar niet het letsel van de bestuurder. Het Hof van Justitie beantwoordt de vraag ontkennend. De schade van de bestuurder hoeft niet door de WAM-verzekering te worden gedekt. Met betrekking tot een voertuig wordt met de term ‘bestuurder’ geduid op de persoon achter het stuur of achter de bedieningsorganen ervan die het voertuig bestuurt. De term ‘inzittende’ verwijst daarentegen naar een persoon die in een voertuig wordt vervoerd en het voertuig niet bestuurt. De bestuurder verliest zijn hoedanigheid van bestuurder niet als een inzittende ingrijpt, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan zowel het fundamentele onderscheid tussen bestuurder en derden die slachtoffer zijn, dat kenmerkend is voor het bij de richtlijn ingevoerde stelsel van verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, als het onderscheid tussen de verplichting tot dekking door die verzekering en de omvang van de vergoeding van schade uit hoofde van de door het nationale recht geregelde wettelijke aansprakelijkheid voor het ongeval. Of de inzittende die ingrijpt aansprakelijk kan zijn naar civiel recht is een kwestie voor het nationale recht.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 12-02-2026

Rechtspraak

PS 2026-0118

Hoge Raad. Verzekeringsrecht. AOV. In cassatie gaat deze zaak over de vraag of de AOV-verzekeraar de verzekeringnemer binnen de termijn van twee maanden bedoeld in artikel 7:929 lid 1 BW erop heeft gewezen dat hij bij het aangaan van een arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Volgens de Hoge Raad gaat de in artikel 7:929 lid 1 BW genoemde vervaltermijn van twee maanden pas lopen als de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Indien de verzekeraar aanwijzingen heeft dat de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht niet is nagekomen, kan de verzekeraar nader onderzoek laten verrichten. Als dat onderzoek betrekking heeft op medische gegevens en bij het onderzoek een medisch adviseur is betrokken, kan, mede gelet op het beroepsgeheim van de medisch adviseur, het moment waarop de medisch adviseur informatie ontvangt in de regel niet worden aangemerkt als het moment van ontdekking door de verzekeraar als bedoeld in artikel 7:929 lid 1 BW. Als uitgangspunt geldt dat in zodanig geval de verzekeraar pas nadat de medisch adviseur zijn advies aan hem heeft uitgebracht, kan beoordelen in hoeverre de opgave door de verzekeringnemer vóór het sluiten van de overeenkomst, beantwoordt aan hetgeen de verzekeringnemer toen verplicht was mede te delen aan de verzekeraar. De termijn van artikel 7:929 lid 1 BW vangt dan aan op het moment dat de verzekeraar die beoordeling met gepaste voortvarendheid heeft kunnen uitvoeren. Dit is door het hof miskend. Ten onrechte heeft het hof daarnaast geoordeeld dat de AOV-verzekeraar niet tijdig aan de verzekeringsnemer heeft laten weten welke gevolgen zij verbond aan de schending van de mededelingsplicht, zoals besloten ligt in artikel 7:929 lid 1 BW. Artikel 7:929 lid 1 BW bepaalt immers dat de verzekeraar die ontdekt dat aan de mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking wijst op de niet-nakoming onder vermelding van de mogelijke gevolgen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof.
Hoge Raad, 27-02-2026